Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/7.2.2
7.2.2 Bepaling rechtsvormwijziging van toepassing op kerkgenootschappen?
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS499116:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Waarvan veertien keer in 2002.
Zoals vastgelegd bij de Kamer van Koophandel over de periode 1956 tot 24 december 2008.
Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-11, nr. 151 waar verwezen wordt naar de parlementaire geschiedenis.
Kamerstukken II 1982/83, 17 725, nr. 3, p. 53-54.
Anders: J.L. van de Streek, Omzetting van rechtspersonen (diss. Amsterdam UvA), Deventer: Kluwer 2008, p. 15.
Ook J.L. van de Streek, Omzetting van rechtspersonen (diss. Amsterdam UvA), Deventer: Kluwer 2008, p. 14-15 gaat ervan uit dat rechtsvormwijziging op grond van Boek 2 BW in een kerkgenootschap mogelijk is. Op de mogelijkheid van rechtsvormwijziging van een kerkgenootschap gaat hij niet in.
Of dat het onduidelijk is, zie J.L. van de Streek, Omzetting van rechtspersonen (diss. Amsterdam UvA), Deventer: Kluwer 2008, p. 7.
P.M.M. Stassen, 'Fusie van parochies', WPNR 1993-6117, p. 961-963.
J.W. van Ee, 'Kerkgenootschappen en fusie', WPNR 1994-6137, p.359-363.
E.A.A. Luijten, 'Fusie van parochies', WPNR 1994-6161, p. 863-865.
Kamerstukken II 1987/88, 17 725, nr. 13, p. 8.
P.M.M. Stassen, 'Fusie van parochies', WPNR 1993-6117, p. 961-963.
F.T. Oldenhuis, 'Kerkgenootschappen en privaatrecht (I)', WPNR 1988-5869, p. 215 acht analogische toepassing ten aanzien van het rechtsgevolg van juridische fusie mogelijk.
J.W. van Ee, 'Kerkgenootschappen en fusie', WPNR 1994-6137, p. 359-363 en J.W. van Ee, Naschrift, WPNR 1995-6175, p. 227-228.
E.A.A. Luijten, 'Fusie van parochies', WPNR 1994-6161, p. 863-865.
Dat wil zeggen recht dat gelding heeft voor de betrokken gelovigen.
Kamerstukken II 1984/85, 17 725, nr. 7, p. 8.
Verstappen meent dat in elk geval aan de twee kernelementen voldaan moet zijn, te weten overgang onder algemene titel en dat rechtspersonen ophouden te bestaan in: L.C.A. Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 1996, p. 40.
Het gaat om zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen, zie vaste commissie voor Justitie 18 november 1987, 17 725, p. 14.
Rechtsvormwijziging van of in een kerkgenootschap doet zich niet vaak voor. Bij de Kamer van Koophandel is vierendertig keer rechtsvormwijziging van of in een kerkgenootschap geregistreerd en wel de volgende verdeling: slechts eenmaal van kerkgenootschap in een stichting, twintig maal van vereniging in kerkgenootschap1 en dertien maal van stichting in een kerkgenootschap2.
Maeijer3 meent dat een kerkgenootschap niet van rechtsvorm kan wijzigen in een andere rechtsvorm. De mogelijkheid van rechtsvormwijziging staat uitsluitend open voor rechtspersonen als bedoeld in artikel 2:3 BW. De wet bepaalt in artikel 2:2 lid 2 BW dat de bepalingen van titel 1 van Boek 2 BW, met uitzondering van artikel 2:5 BW niet rechtstreeks van toepassing zijn op kerkgenootschappen.4 Dat betekent dat de regeling van rechtsvormwijziging niet rechtstreeks voor kerkgenootschappen die van rechtsvorm willen wijzigen geldt. Wel kan het statuut van het kerkgenootschap de regeling van toepassing verklaren.
Onderscheid dient gemaakt te worden tussen (i) rechtsvormwijziging van een kerkgenootschap in een privaatrechtelijke rechtspersoon die geen kerkgenootschap is en (ii) rechtsvormwijziging van een privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een kerkgenootschap, in een kerkgenootschap. De eerste situatie wordt beheerst door artikel 2:2 BW5, de tweede door artikel 2:18 BW6. Artikel 2:2 BW speelt geen rol in de situatie genoemd onder (ii) want het kerkgenootschap wordt pas 'in het leven geroepen' door de rechtsvormwijziging.
De vraag welke bepalingen uit Boek 2 BW van toepassing zijn op kerkgenootschappen speelt ook een rol als het gaat om de vraag of de juridische fusie en splitsingsregeling rechtstreeks dan wel naar analogie van toepassing is op kerkgenootschappen. Opvallend is dat de algemene bepalingen van Titel 1 van Boek 2 BW expliciet niet van toepassing worden verklaard op kerkgenootschappen terwijl over de algemene bepalingen van Titel 7 van Boek 2 BW niets wordt geregeld. Kan de regeling van Titel 7 Boek 2 BW van toepassing zijn op kerkgenootschappen? De vervolgvraag is dan of het rechtsgevolg, te weten overgang onder algemene titel, dan ook (altijd?) van toepassing is op een kerkgenootschap. In de literatuur wordt hierover verschillend gedacht, variƫrend van rechtstreekse toepassing, analoge toepassing of geen toepassing.7 Stassen8 geeft aan dat het kerkelijk recht de mogelijkheid van fusie kent en de bepalingen aangeeft die de gevolgen van fusie regelen. Analogische toepassing van de fusieregeling wordt mogelijk geacht door Van Ee.9 Luijten10 is van mening dat fusie geheel door het eigen statuut van kerkgenootschappen wordt geregeerd, omdat de wetgever expliciet niets over kerkgenootschappen heeft gezegd. Dat wil zeggen dat de fusieregeling niet op kerkgenootschappen van toepassing kan zijn.
De wet zegt niets over de vraag of kerkgenootschappen juridisch kunnen fuseren. De bepalingen van Titel 7 van Boek 2 BW zijn niet van toepassing op kerkgenootschappen.11 Echter, onder de expliciete uitzonderingen, genoemd in artikel 2:308 lid 2 BW, worden kerkgenootschappen niet genoemd. Tevens geeft de wet niet in artikel 2:2 BW aan dat deze titel van overeenkomstige toepassing kan worden verklaard op kerkgenootschappen.
In de wetsgeschiedenis12 wordt over de mogelijkheid van juridische fusie van kerkgenootschappen opgemerkt:
`Artikel 2 laat kerkgenootschappen, anders dan andere categorieƫn, vrij hieromtrent zelf regels te stellen. Aan de juridische fusie van kerkgenootschappen op zichzelf legt de wet dan ook geen moeilijkheden in de weg.'
Ik vind dan ook dat kerkgenootschappen op grond van hun statuut wel een dergelijke regeling van toepassing kunnen laten zijn, zij het dat dan niet gesproken kan worden van rechtstreekse of analoge toepassing van Titel 7 maar van een eigen regeling.
Dan de tweede vraag: is het rechtsgevolg van een fusie naar kerkelijk recht rechtsopvolging onder algemene titel? Kerkelijk en civiel recht kunnen op dit punt in tegenspraak met elkaar zijn. Stassen13 is van mening dat het rechtsgevolg dat het civiele recht aan juridische fusie en juridische splitsing verbindt, niet zonder meer van toepassing is op kerkgenootschappen. Het eigen statuut kan volgens Stassen wel een dergelijk rechtsgevolg teweeg brengen mits die wordt voorzien wordt in een kerkelijke procedure die overeenkomt met die van Titel 7 van Boek 2 BW.14 Van Ee15 leest de woorden van de minister anders en concludeert dat de minister wel de mogelijkheid van analogie van de fusiebepalingen toelaatbaar acht. Hij acht het niet mogelijk dat een kerkgenootschap de rechtsgevolgen van juridische fusie naar analogie van toepassing verklaart. Dit laatste is voorbehouden aan de rechtspersonen genoemd in artikel 2:308 lid 1 BW. Vanwege de onderlinge diversiteit van de diverse kerkgenootschappen lijkt een specifieke procedure voor kerkgenootschappen een vereiste. Daarentegen meent Luijten16 dat het rechtsgevolg, rechtsovergang onder algemene titel, wel kan worden toegekend aan een fusie beheerst door kerkelijk recht, mits dit gebaseerd is op het kerkelijke recht.
De minister wenste niet de fusieregeling als regelend recht van toepassing te verklaren. Dan zouden de betreffende bepalingen ook uitgesloten kunnen worden. Indien geen sprake zou zijn van schuldeisersbescherming stond de weg van vernietiging van het fusiebesluit nog open. Deze visie van de minister werd door de SGP in twijfel getrokken aangezien het kerkelijk recht ook de rechtsgevolgen van de juridische fusie beheerst. De minister wenste geen antwoord te geven op de vraag of een fusie naar kerkelijk recht17 rechtsovergang onder algemene titel tot gevolg had.18 Gevolg van een fusie tussen kerkelijke instellingen was dat leden van een kerkgenootschap van rechtswege leden werden van het nieuwe kerkgenootschap. Ook stelde de minister dat bij fusie van twee kerkgenootschappen de nieuw op te richten rechtsvorm eveneens een kerkgenootschap zou zijn. De minister lijkt er vanuit te gaan dat als een kerkgenootschap een regeling voor juridische fusie kent dat dan de bepalingen zoals die in Titel 7 van Boek 2 BW zijn vastgelegd, worden toegepast inclusief de daaraan toe te kennen rechtsgevolgen.
Net als Verstappen19 meen ik dat het kerkelijk recht aan fusie het rechtsgevolg rechtsopvolging onder algemene titel kan toekennen. Daarmee maakt het kerkelijk recht inbreuk op het civiele recht door artikel 3:80 BW dan wel artikel 2:309 BW aan te vullen. Maar, indien het kerkelijk recht juridische fusie regelt conform het bepaalde in artikel 2:309 BW dan impliceert dit dat de procedure van Titel 7 Boek 2 BW gevolgd zal worden en dat de consequenties van die titel, te weten rechtsopvolging onder algemene titel dan ook van toepassing zullen zijn. Door toepasselijkheid van artikel 2:309 BW levert dit rechtsopvolging onder algemene titel als bedoeld in artikel 3:80 BW op. Het rechtsgevolg van juridische fusie is zozeer verweven met de procedure van juridische fusie dat kerkelijk recht niet een gedeelte daarvan, wel het rechtsgevolg maar niet de procedure, van toepassing kan verklaren. Een dergelijke gang van zaken zou in strijd komen met de wet20 zoals vastgelegd in artikel 2:2 eerste zin BW. Daarom kan het rechtsgevolg, rechtsopvolging onder algemene titel, uitsluitend op een kerkelijke fusie van toepassing zijn indien de fusieprocedure overeenkomt (voor zover van toepassing) met de overige bepalingen van Titel 7 van Boek 2 BW.