Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.5:7.5 Faciliteiten anbi’s in de schenk- en erfbelasting
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.5
7.5 Faciliteiten anbi’s in de schenk- en erfbelasting
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633534:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 29 november 2018, Stcrt 2018, 68659, onderdeel 3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Schenkbelasting wordt geheven over de waarde van een verkrijging krachtens schenking die wordt gedaan door iemand die ten tijde van de schenking in Nederland woonde (art. 1, lid 1 onder 2 SW 1956). Erfbelasting is een belasting die geheven wordt over de waarde van een erfrechtelijke verkrijging die verkregen wordt door het overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden in Nederland woonde (art. 1, lid 1 onder 1 SW 1956). De SW 1956 bevat diverse vrijstellingen die van belang zijn voor anbi’s. Zo is een anbi vrijgesteld van schenk- en erfbelasting over verkregen giften en erfrechtelijke verkrijgingen, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, die aan de gift of aan de erfrechtelijke verkrijging het karakter ontneemt dat ze is gedaan in het algemeen belang (respectievelijk artikel 33, sub 4 en 32, sub 3 SW 1956). Zonder een anbi-status moet een instelling over een ontvangen schenking of erfrechtelijke verkrijging 30 tot 40 procent belasting betalen. Ook de giften die een anbi doet, zijn vrijgesteld van schenkbelasting, voor zover de uitkeringen geheel of nagenoeg geheel het karakter hebben van te zijn gedaan in het algemeen belang (art. 33, sub 10 SW 1956).
Deze faciliteiten maken geen verschil in fiscale behandeling tussen rsli’s en andere anbi’s en tussen rsli’s onderling.
Een schenker of erflater kan ook schenken respectievelijk nalaten aan een natuurlijke persoon die de verkrijging aanwendt voor een anbi waarmee die verkrijger wordt vereenzelvigd, zoals bij een verkrijging door een geestelijke of een kloosterling. De staatssecretaris heeft onder voorwaarden goedgekeurd dat bij die verkrijging op een bij de Belastingdienst in te dienen verzoek heffing van schenk- of erfbelasting achterwege blijft als de verkrijger/natuurlijke persoon kan worden vereenzelvigd met een anbi.1 Het gaat om vijf voorwaarden. Allereerst moet de verkrijger of de anbi aannemelijk maken dat de verkrijging was bedoeld voor de anbi waarmee de verkrijger wordt vereenzelvigd. Ook mag aan de verkrijging niet een opdracht verbonden zijn die daaraan het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang. Daarnaast moet de verkrijger het verkregen vermogen zo spoedig mogelijk overdragen aan de betreffende anbi en fiscaal handelen alsof hij of zij het vermogen nooit in bezit heeft gehad. Tot slot mag de verkrijger het overgedragen vermogen niet aanmerken als gift voor de inkomstenbelasting.
Als voorbeeld bij deze goedkeuring noemt de staatssecretaris allereerst een schenking of legaat die rechtstreeks aan een geestelijke ter beschikking is gesteld voor doeleinden die zijn of haar religieuze instelling nastreeft of voor het verrichten van religieuze handelingen. Dan wordt de schenking of het legaat – mits aan de vijf voorwaarden is voldaan – aangemerkt als een verkrijging door de religieuze instelling. Het tweede voorbeeld betreft een kloosterling die op grond van zijn of haar gelofte van armoede een verkregen gift of een erfrechtelijke verkrijging onmiddellijk beschikbaar stelt aan de religieuze orde waartoe hij of zij behoort. Als aannemelijk is dat de verkrijging was bedoeld voor die religieuze orde – en aan de overige voorwaarden is voldaan- wordt volgens de staatssecretaris de verkrijging door de kloosterling aangemerkt als een verkrijging door de religieuze orde.
Meer voorbeelden noemt de staatssecretaris niet, maar aangezien uit de formulering van de goedkeuring blijkt dat het om anbi’s in het algemeen gaat en de goedkeuring niet beperkt is tot verkrijgingen door een natuurlijke persoon die met een religieuze anbi kan worden vereenzelvigd, is de goedkeuring onder dezelfde voorwaarden ook van toepassing op een verkrijging door een natuurlijke persoon die vereenzelvigd kan worden met zijn of haar levensbeschouwelijke en spirituele instelling of met een andere anbi. Denk bijvoorbeeld aan een gift aan de dirigent van een orkest of aan een museumdirecteur, die de dirigent respectievelijk de museumdirecteur aanwendt ten behoeve van activiteiten van dat orkest, respectievelijk museum (een stichting met anbi-status). Zolang de dirigent/museumdirecteur vereenzelvigd kan worden met die anbi en aan de overige voorwaarden is voldaan, is de goedkeuring op verzoek ook in dit geval van toepassing, zodat de schenkbelasting over die verkrijging achterwege blijft. Wat betreft de ‘vereenzelvigingstoets’ moet de verkrijger dan naar mijn mening wel een vergelijkbare positie of rol vervullen als die van een geestelijke of kloosterling. Met andere woorden, er moet sprake zijn van een hechte, geformaliseerde band met de anbi om de vereenzelviging aannemelijk te maken. De band van de geestelijke met zijn of haar religieuze instelling is geformaliseerd in de aanstelling van de geestelijke door de religieuze instelling of een overkoepelend lichaam. De band van de kloosterling is geformaliseerd in de geloften die de kloosterling heeft afgelegd om tot die religieuze orde te kunnen toetreden.
Hoewel ik geen ongelijke behandeling tussen rsli’s en andere anbi’s of tussen rsli’s onderling heb geconstateerd, zou het goed zijn als dit explicieter zou blijken uit de voorbeelden die het goedkeuringsbesluit van de staatssecretaris geeft.
7.5.1 Toetsing anbi-faciliteiten schenk- en erfbelasting