Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.4:7.4 Faciliteiten anbi’s in de vennootschapsbelasting
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.4
7.4 Faciliteiten anbi’s in de vennootschapsbelasting
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633532:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor uitgebreide bespreking van de belastingplicht van stichtingen Bresser 2021.
Kamerstukken II 1985/86, 19 200, hfdst. IX B, nr. 34, p. 2 en 5.
Kamerstukken II 1985/86, 19 200, hfdst. IX B, nr. 34, p. 2 en 5.
Kamerstukken II 1985/86, 19 200, hfdst. IX B, nr. 34, p. 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vennootschapsbelasting wordt geheven over het belastbare bedrag van lichamen die in artikel 2 en 3 van de Wet Vpb 1969 worden genoemd. Het gaat om respectievelijk lichamen die in Nederland zijn gevestigd en lichamen die niet in Nederland zijn gevestigd. Tot de in Nederland gevestigde belastingplichtige lichamen behoren stichtingen, verenigingen en kerkgenootschappen (art. 2, lid 1 onderdeel e juncto artikel 4 Wet Vpb 1969), indien en voor zover ze een onderneming in fiscale zin drijven.1 Ook buitenlandse belastingplichtige lichamen die vergelijkbaar zijn met een naar Nederlands recht opgerichte vereniging en stichting of die een kerkgenootschap zijn, zijn slechts aan de vennootschapsbelasting onderworpen voor zover zij een onderneming drijven (art. 3 lid 2 Wet Vpb 1969 juncto artikel 4 Wet Vpb 1969). Een onderneming is een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal die door deelname aan het economische verkeer beoogt winst te behalen.
Er geldt van rechtswege een vrijstelling van de vennootschapsbelasting als de winst van de stichting, vereniging (en van een niet in Nederland gevestigd lichaam dat vergelijkbaar is met een naar Nederlands recht opgerichte vereniging en stichting) en kerkgenootschap2 van het jaar niet meer bedraagt dan 15.000 euro, dan wel van het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen niet meer bedraagt dan 75.000 euro (art. 6, lid 1 Wet Vpb 1969, cijfers 2021). Hierbij wordt voor een verliesjaar de winst van dat jaar op nihil gezet (art. 6, lid 1, laatste volzin Wet Vpb 1969).
Als stichtingen, verenigingen en kerkgenootschappen niet zijn vrijgesteld of een verzoek indienen om niet van de belasting te zijn vrijgesteld (art. 6, lid 3 Wet Vpb 1969), kunnen ze onder voorwaarden gebruik maken van diverse aftrekposten bij het bepalen van de winst, zoals de vrijwilligersaftrek (art. 9, lid 1, onderdeel h Wet Vpb 1969) en de aftrek kenbare fondsenwervende activiteiten (art. 9a Wet Vpb 1969). Ook bestaat de giftenaftrek voor lichamen die een gift doen aan anbi’s. Deze giftenaftrek bedraagt ten hoogste vijftig procent van de winst met een maximum van 100.000 euro (art. 16, lid 1 Wet Vpb 1969).
In de Notitie inzake de fiscale behandeling van kloosterlingen en kerkgenootschappen wordt opgemerkt dat de fiscus terugtreedt in geval van activiteiten op het gebied van eredienst en godsdienst.3 Die activiteiten worden niet aangemerkt als het drijven van een onderneming, waardoor er op dat terrein geen belastingplicht voor de vennootschapsbelasting bestaat. Dit is anders in situaties waarin het kerkgenootschap of de religieuze gemeenschap in het economische verkeer in concurrentie treedt en er dus sprake is van belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Dan vindt belastingheffing plaats zonder dat sprake is van privileges op grond van het religieuze karakter, zodat de belaste activiteiten van de instelling op dezelfde wijze aan belastingheffing onderworpen zijn als die van ieder ander belastingplichtig lichaam, aldus de Notitie.4 Als voorbeeld vermeldt de Notitie het exploiteren van een boerderij of brouwerij door een kerkgenootschap of religieuze gemeenschap.5 De Notitie levert dus geen onderscheid op in fiscale behandeling tussen rsli’s en andere anbi’s en tussen rsli’s onderling.
Rsli’s kunnen derhalve evenals andere anbi’s als lichaam aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn. Rsli’s met de rechtsvorm kerkgenootschap, stichting of vereniging die met een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal deelnemen aan het economische verkeer en hiermee structureel overschotten behalen, zullen dan net als andere anbi’s voor het ondernemingsgedeelte in de heffing van de vennootschapsbelasting worden betrokken.6 Ze kunnen evenwel evenals andere anbi’s onder de hiervoor genoemde subjectieve vrijstelling vallen of indien de vrijstelling niet van toepassing is, onder voorwaarden in aanmerking komen voor eerder genoemde faciliteiten in de vennootschapsbelasting.
7.4.1 Toetsing anbi-faciliteiten vennootschapsbelasting