Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/4.4.1.1
4.4.1.1 Ordemaatregelen met een voorlopig karakter
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS465581:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 oktober 2001, JOR 2002, 5, r.o. 3.6 (Skygate Holding, m.nt. Van den Ingh); HR 14 september 2007, JOR 2007, 238, r.o. 4.2 (Versatel Telecom International, m.nt. Bartman in JOR 2007, 239). Zie voor de overwegingen paragraaf 3.3.4.1.
OK 4 september 2003, ARO 2003, 136 (Fletcher Hotel Group/Bestbuy Horeca Group).
OK 18 mei 2000, rekestnr. 321/2000 OK (Martari).
Vergelijk: OK 15 februari 2000, JOR 2000, 74 (Skygate Holding); OK 15 november 2001, JOR 2002, 6 (Decidewise International, m.nt. Josephus Jitta); OK 29 november 2002, ARO 2002, 180 (Alcas Holding). Zie hierover uitgebreider tekstnummer 95.
Ik roep in herinnering de procedure inzake Decidewise International (vergelijk tekstnummer 97).
Vergelijk OK 11 februari 2005, ARO 2005, 28 (ACI Beheer/ACI Holding). De beide 50%-aan-deelhouders zijn in de AVA van 15 april 2004 overeengekomen een aantal tussen hen bestaande geschillen bindend te doen beslissen door een arbiter. Partijen verzoeken de OK een arbiter te benoemen, welk verzoek is toegewezen.
OK 17 juni 2008, ARO 2008, 110 (Vesting Beheer), weergegeven in tekstnummer 97.
OK 30 juli 2001, rekestnr. 561/2001 OK, r.o. 4.8 (Cohere Holding).
100. Uit het in paragraaf 4.3 vervatte overzicht van impassebeschikkingen blijkt dat hoewel de Ondernemingskamer er niet voor terugdeinst diep in te grijpen in samenstelling en bevoegdheden van de organen van de vennootschap, de onmiddellijke voorzieningen in de meeste gevallen zijn te kenschetsen als ordemaatregelen met een voorlopig karakter (voor de duur van het geding). Met de ter zake in Skygate Holding en Versatel1door de Hoge Raad gegeven overwegingen is echter slecht verenigbaar het ontslag in de beschikkingen inzake Fletcher Hotel Group/Bestbuy Horeca Group2en Martari3van (een van) de beide statutair bestuurders. Deze beschikkingen roepen te meer vragen op indien wordt bedacht dat het ontslag, doorgaans een voorziening met een definitief karakter, in casu geldt voor de duur van het geding (vergelijk het dictum in Martari: ‘bij wijze van onmiddellijke voorziening, vooralsnog voor de duur van het onderzoek’). Naar mijn mening kunnen eveneens vraagtekens worden geplaatst bij een aantal beschikkingen waarin de Ondernemingskamer zich mengt in de besluitvorming. Ik doel op de gevallen waarin zij het bestuur of de RvC machtigt bepaalde besluiten te nemen (bijvoorbeeld besluiten tot emissie van aandelen) of waarin het bestuur de bevoegdheid wordt verleend in de AVA van een dochtermaatschappij te stemmen vóór aanvullende financiering van de vennootschap.4 Hoewel de Hoge Raad heeft overwogen dat zich tegen het treffen van onmiddellijke voorzieningen niet verzet dat zij mogelijk onomkeerbare gevolgen hebben, vraag ik mij af of de onderhavige zijn te bestempelen als ordemaatregelen met een voorlopig karakter. Hier komt bij dat de Ondernemingskamer pontificaal op de stoel van de ondernemer gaat zitten, hetgeen mijns inziens des te bezwaarlijker is in geval het onderzoek nog niet is afgerond of zij zich nog geen definitief oordeel heeft gevormd over het enquêteverzoek. Voor het ingrijpen door de Ondernemingskamer pleit daarentegen dat de vennootschap ten gevolge van de besluiteloosheid binnen de desbetreffende organen mogelijk grote schade lijdt of zelfs failliet gaat.5 Een laatste ‘maatregel’ waarvan naar mijn mening betwijfeld kan worden of zij is te kenmerken als een onmiddellijke voorziening in de zin van art. 2: 349a lid 2 BW, betreft de benoeming door de Ondernemingskamer van een deskundige om de waarde van de aandelen vast te stellen (vergelijk de beschikkingen, weergegeven in paragraaf 4.3.3), van een arbiter teneinde bij arbitraal vonnis bindend te beslissen omtrent een aantal geschilpunten tussen beide 50%-aandeelhouders6respectievelijk van een persoon die een zogeheten quick scan uitvoert van onder andere de administratie van de vennootschap en de onderwerpen die tussen partijen ter discussie staan.7 Mijn twijfel is wat betreft de laatste persoon des te groter omdat hij een taak opgelegd krijgt die lijkt voorbehouden aan de door de Ondernemingskamer te benoemen onderzoeker. Anderzijds kan worden betoogd dat de onderhavige maatregelen gerechtvaardigd zijn omdat alle partijen hiermee instemmen (zij hebben hiertoe overeenkomsten gesloten) en deze er toe kunnen bijdragen dat de impasses definitief worden doorbroken. Bovendien stroken deze maatregelen, indien zij de instemming hebben van alle partijen, met de gedachte achter de enquêteregeling dat het voorkeur verdient dat partijen zelf een oplossing vinden voor hun problemen.
Uit de beschikking inzake Cohere Holding blijkt dat de Ondernemingskamer zich terughoudend(er) opstelt indien een wilsovereenstemming als boven bedoeld, ontbreekt. Verzocht is onder meer om de benoeming van een buitenstaander tot bestuurder onder bepaling dat deze een arbiter dient te benoemen die de rekening-courant verhoudingen binnen de Cohere-groep bindend vaststelt alsmede de wijze waarop de in het verzoekschrift genoemde onderhandse (achtergestelde) leningen zijn verstrekt. De Ondernemingskamer wijst het onderhavige verzoek (waartegen verweer is gevoerd) af, onder meer omdat zij betwijfelt of de aanwijzing van een arbiter die een bindende beslissing dient te geven omtrent een rekening-courant verhouding en het karakter van een lening ‘kan gelden als een tijdelijke voorziening, als hoedanig immers voorzieningen als bedoeld in art. 2: 349a lid 2 BW uit haar aard zijn aan te merken.’8