De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.6.1:8.6.1 Inleiding
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.6.1
8.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369734:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande paragrafen1 kwam ter sprake dat de ondernemingskamer bij wijze van onmiddellijke voorziening geboden en verboden kan opleggen. Dat kan tevens door middel van het regelen van de gevolgen van eindvoorzieningen. Deze worden veelal vrijwillig nagekomen om de redenen die hierna uiteen worden gezet. Waar het in deze paragraaf 8.6 echter om gaat, is wat de ondernemingskamer voor additionele maatregelen kan nemen, in het geval haar geboden en verboden niet vrijwillig worden nageleefd, of als er goede gronden bestaan om daarvoor te vrezen.
Voor het feit dat geboden en verboden van de ondernemingskamer veelal worden gerespecteerd, bestaan in mijn beleving verschillende redenen.
Ten eerste kan het geen zin hebben om daarmee in strijd te handelen. Bijvoorbeeld, omdat een besluit dat in strijd met een gebod of verbod tot stand komt, aantastbaar is.2
Daarnaast komt het in de praktijk voor dat partijen zich om hen move-rende redenen genoodzaakt zien om de bevelen van de ondernemingskamer te respecteren. Bijvoorbeeld, omdat het gezag van de ondernemingskamer wordt gerespecteerd. Ook kunnen de procespartijen inzien dat ze er onderling een puinhoop van gemaakt hebben en begrijpen dat het nodig is dat er wordt ingegrepen en accepteren ze het ook als dat gebeurt op een manier die zij liever niet hadden gezien, omdat ze vrezen dat de situatie niet meer te redden is als de bevelen van de ondernemingskamer ook nog eens worden genegeerd.
Tot slot kunnen procespartijen vrezen de sympathie van de ondernemingskamer te verliezen, indien zij de bevelen van de ondernemingskamer negeren, en vrezen zij tevens dat dit dan weer kan leiden tot ongunstige oordelen omtrent het beleid en de gang van zaken en aanvullende – voor hen nog nadeliger – (onmiddellijke) voorzieningen.3