Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/12.2
12.2 De waardering van pensioenverplichtingen in de openingsbalans
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS415717:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Stevens (WFR 1993/6057, blz. 846-848) bespreekt enkele complicaties die verband houden met de waardering van de pensioenverplichtingen in de openingsbalans. Zie ook H.M. Kappelle, TFO 1994, blz. 249 e.v.
Deze bepaling is bij de Wet van 10 december 1975, Stb. 680, in de Wet IB 1964 opgenomen. Hoewel artikel 9a Wet IB 1964 aanvankelijk een beperkte werkingsduur kende (het zou vervallen op 1 januari 1981), is deze bepaling bij de Wet van 2 december 1981, Stb. 722, bestendigd.
Deze toezegging is terug te vinden in de MvA (Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 21 198, nr. 7, blz. 40) en in het Verslag van een schriftelijk overleg (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 198, nr. 15).
Deze resolutie wordt o.a. besproken door J.C. Papen, MBB februari 1993 en F.M.A.M. van Merrienboer, WFR 1995/6174, blz. 1730 e.v.
Zoals is uiteengezet in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, dienen vermogensbestanddelen ingevolge artikel 7 Wet IB 1964 in de openingsbalans te worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer. In het kader van de overgang van de vrijgestelde naar de belaste periode is bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Brede Herwaardering I aandacht besteed aan de waardering in de openingsbalans (per 1 januari 1992) van de bij directiepensioenlichamen verzekerde pensioenverplichtingen1. Daarbij is in het bijzonder stilgestaan bij verplichtingen ter zake van toekomstige aanpassingen in verband met welvaarts- en/of waardevastheidstoezeggingen (hierna: coming-backservice verplichtingen). Met juistheid is toen ervan uitgegaan dat bij de waardering van de pensioenverplichtingen in de openingsbalans met deze coming-backservice verplichtingen rekening dient te worden gehouden.
Ter bepaling van de winst voor 1992 worden de pensioenverplichtingen per 31 december 1992 opnieuw gewaardeerd, nu echter met inachtneming van de regels voor de jaarwinstbepaling. In beginsel verbiedt artikel 9a Wet IB 1964 bij de bepaling van de jaarwinst coming-backservice verplichtingen in aanmerking te nemen2:
Bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst blijven kosten en lasten voor zover deze, al dan niet door tussenkomst van derden, rechtstreeks of zijdelings verband houden met wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen na afloop van het jaar, buiten aanmerking, ook al zou de omvang van deze kosten en lasten reeds bij het einde van het jaar vaststaan.
Indien de coming-backservice verplichtingen wel in de openingsbalans per 1 januari 1992 zouden worden opgenomen doch – door de werking van artikel 9a Wet IB 1964 – niet meer zouden mogen voorkomen in de balans per 31 december 1992, zou een bedrag ter grootte van de coming-backservice verplichtingen tot de winst van 1992 worden gerekend. Ter voorkoming van belastingheffing over deze veronderstelde vrijval is tijdens de parlementaire behandeling toegezegd dat een eventuele reserve bij een directiepensioenlichaam ter zake van coming-backservice, die is opgebouwd tijdens de vrijgestelde periode, in de openingsbalans zal worden aangemerkt als fiscaal (eigen) vermogen3. Deze toezegging is nog eens herhaald in de Resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 26 oktober 1992, nr. DB92/634, BNB 1993/15 (zie pt. 5 inzake de coming-backservice)4.