Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/5.5.10
5.5.10 Aan wie komt de “restbevoegdheid” toe?
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS387367:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2:40 BW voor de vereniging, artikel 2:107 BW voor de NV en artikel 2:217 BW voor de BV.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2 II* 2009/316.
Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman/Schoonbrood 2017, par. 62.
Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman/Schoonbrood 2017, par. 42. Zie in deze zin ook artikel 2:107a BW dat voor NV’s uitdrukkelijk bepaalt dat bestuursbesluiten omtrent een belangrijke verandering in de identiteit of het karakter van de vennootschap of onderneming de goedkeuring van de algemene vergadering behoeven.
Deze restbevoegdheid kan vanwege het ledenverbod al helemaal niet toekomen aan een ander stichtingsorgaan, zoals een deelnemersraad.
Zie bijvoorbeeld ook de GCC 2013 voor culturele instellingen, p. 30: “In zowel het raad- van-toezicht-model als het bestuur-model heeft het bestuur alle bevoegdheden die door de wet of de statuten niet aan anderen zijn toegekend.
Restbevoegdheid van de algemene vergadering
Voor wat betreft corporatieve rechtspersonen bepaalt de wet dat aan de algemene vergadering alle bevoegdheden toekomen die niet door de wet of de statuten aan andere organen (zoals het bestuur en de raad van commissarissen) zijn toebedeeld.1 Vanwege deze wettelijke bepaling, wordt wel gezegd dat de algemene vergadering van een (niet-structuur)vennootschap of vereniging de hoogste macht is. Het is echter zuiverder om te spreken van de “uiteindelijke macht”, aangezien er geen sprake is van hoogste macht ten aanzien van alle aangelegenheden van de vennootschap.2 De algemene vergadering is in laatste instantie – al dan niet na enige vertraging door ontslag van onwillige bestuurders en/of commissarissen en benoeming van meer inschikkelijke bestuurders en/of commissarissen – het orgaan dat de dienst kan uitmaken.3 De algemene vergadering heeft immers beslissende bevoegdheden tot benoeming van bestuurders en (een meerderheid van) commissarissen (behoudens bindende voordrachten die echter met een bepaalde meerderheid kunnen worden doorbroken) en voorts tot schorsing en ontslag van deze functionarissen.
De algemene vergadering mag zich niet rechtstreeks begeven op het door de wet aan het bestuur voorbehouden terrein: het besturen van de rechtspersoon, het voorbereiden, vaststellen en uitvoeren van beleid in concrete situaties en het optreden namens de rechtspersoon. Andersom mag het bestuur handelingen die diep ingrijpen in de structuur van de vennootschap of onderneming, of de zeggenschap van de algemene vergadering uithollen, alleen in uitzonderingsgevallen tot de bestuursbevoegdheid rekenen.4
Restbevoegdheid bij stichtingen
Stichtingen kennen geen algemene vergadering. Indien er een raad van toezicht is ingesteld kan aan de raad, zoals hiervoor aangegeven, de “zelfstandige bevoegdheid” tot benoeming en ontslag van bestuurders en leden van de raad van toezicht worden toegekend. Ook voor de raad van toezicht geldt dat deze zich niet mag begeven op het aan het bestuur voorbehouden terrein. Voor toezichthoudende organen vloeit dit voort uit het feit dat deze de bestuursautonomie dienen te respecteren, maar ook uit de taakomschrijving van het toezichthoudend orgaan zelf.
Bij gebreke aan een algemene vergadering mag het stichtingsbestuur handelingen die diep ingrijpen in de structuur van de rechtspersoon wel tot haar bevoegdheid rekenen. Hiervoor heb ik echter opgemerkt dat als er een raad van toezicht is ingesteld, deze bij dergelijke handelingen betrokken dient te worden. Het is echter niet zo dat de raad van toezicht een “restbevoegdheid” heeft. Aan de raad van toezicht komen niet alle bevoegdheden toe die niet door de wet of de statuten aan het bestuur (en een eventueel ander statutair ingesteld orgaan) zijn toebedeeld.5 Eerder is het zo dat “restbevoegdheden” aan het bestuur toekomen,6 waarbij het bestuur moet overwegen of de handelingen en besluiten dusdanig ingrijpend zijn dat de raad van toezicht hierbij betrokken moet worden. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen kan in statuten bijvoorbeeld bepaald worden dat in alle gevallen, waarin de wet en de statuten niet voorzien, het bestuur beslist.