Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/I.4.3.4
I.4.3.4 Het onpartijdigheidsbeginsel
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl.: Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 629; Alkema 1999, p. 3; Van Dijk 1997, p. 1213.
Van Dijk & Van Hoof e.a. 2006, p. 613; Kuijer 2004, p. 303.
De Waard 1987, p. 127-128.
Van Dijk & Van Hoof e.a. 2006, p. 613; Van Dijk 1983, p. 1213. De onpartijdigheidseisen zien derhalve niet op de instantie als zodanig, maar uitsluitend op de beslissende rechter of lid dan wel leden van de meervoudig beslissende kamer van de desbetreffende instantie. Uitsluitend waar de onafhankelijkheid en objectieve onpartijdigheid door elkaar lopen of elkaar raken, kan de instantie zelf in het geding zijn en niet zozeer de oordelende rechter(s).
Het Hof introduceerde beide toetsen in de uitspraak Piersack t. België, EHRM 1 oktober 1982, nr. 8692/79, par. 30.
Van Dijk & Van Hoof e.a. 2006, p. 616; Kuijer 2004, p 304; Jansen 2004, p. 76; A.W. Heringa, 'Wraking in het bestuursrecht', JB-plus 2001, p. 5; De Werd 1999, p. 35-36; Widdershoven 1989, p. 127.
Van Dijk & Van Hoof e.a.2006, p. 616; Kuijer 2004, p. 304; A.W. Heringa, 'Art. 6 Eerlijk proces. Onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld', in: J.H. Gerards, A.W. Heringa, H.L. Janssen en J. van der Velde, EVRIVI Rechtspraak en Commentaar, katern. Art. 6 Eerlijk proces, Haag: Sdu 1-1-2004, par. 3.6.5, p. 6.
EHRM 15 december 2005, Kyprianou t. Cyprus, EHRC 2006/21 m.nt. Jansen, par. 119 (Grote Kameruitspraak). Zie verder met verwijzingen naar jurisprudentie: Kuijer 2004, p. 305; Heringa 2004, p. 7; Heringa 2001, p. 5; Van Dijk 1997, p. 1214.
Zonder uitputtend te willen zijn, noem ik er een paar: EHRM 5 februari 2009, ()kie t. Kroatië, EHRC 2009/57 m.nt. De Werd; EHRM 15 december 2005, Kyprianou t. Cyprus, EHRC 2006/21 m.nt. Jansen; EHRM 9 november 2004, Svetlana Naumenko t. Oekraïne, nr. 41984/98; Lavents t. Letland, 28 november 2002, EHRC 2003/15 m.nt. Redactie.
()kie, par. 58; Kyprianou, par. 119.
Zie bijvoorbeeld: Kyprianou, par. 118. Ook in die zin: Van Dijk & Van Hoof e.a. 2006, p. 616; Kuijer 2004, p. 304; Jansen 2004, p. 76; Heringa 2001, p. 5; Stroink 1999, p. 19-20; Widdershoven 1989, p. 127.
Eveneens overwogen in: Kyprianou, p. 118. Zie ook: Kuijer 2004, p. 304-305; Van Dijk 1997, p. 1215.
Kuijer 2004, p. 305; De Werd 1999, p. 37.
Kuijer 2004, p. 305.
Zie bijvoorbeeld: EHRM 24 mei 1989, Hauschildt t. Denemarken, nr. 10486/83, par. 4. Hierover ook: Van Dijk & Van Hoof e.a. 2006, p. 616; Kuijer 2004, p. 305; Van Dijk 1997, p. 1215.
Van Dijk 1997, p. 1215.
De Werd 1999, p. 37.
Van Dijk 1997, p. 1215-1217.
Kuijer 2004, p. 291-292; Stroink 1999, p. 30; De Werd 1999, p. 37. Zowel Kuijer als De Werd wijzen erop dat die kritiek ook afkomstig is van de rechters binnen het hof, zoals van de Nederlandse rechter Van Dijk in zijn dissenting opinion bij EHRM 26 augustus 1997, De Haan t. Nederland, JB 1997/186 m.nt. AWH.
Zie voor meer voorbeelden: Van Dijk & Van Hoof e.a. 2006, p. 614-623; Van der Velde 2004, p. 8-13; Kuijer 2004, am. p. 334 e.v; Jansen 2004, p. 74-81.
Bv. als hoofd van een afdeling van het OM die verantwoordelijk was voor de vervolging, EHRM 1 oktober 1982, Piersack t. België, nr. 8692/79. Bv. als (familie van de) advocaat van de wederpartij, EHRM 15 juli 2005, Mdnarre t. Kroatië, EHRC 2005/100 m.nt. Jansen.
EHRM 12 september 1995, Procola t. Luxemburg, AB 1995/588 m.nt. ICdV; JB 1995/383 m.nt. FAMS. De Procola-problematiek en de combinatie van rechtspraak en wetgevingsadvisering vallen onder deze categorie. Die combinatie kan strijd met de objectieve onpartijdigheid opleveren indien in beide gevallen geoordeeld moet worden over 'the same decision', zoals het EHRM in de zaak Kleyn e.a. tegen Nederland aangaf, EHRM 6 mei 2003, AB 2003/211 m.nt. LV en BdeW; JB 2003/119 m.nt. AWH. Zie ook: EHRM 9 november 2006, SacilorLormines t. Frankrijk, AB 2007/281 m.nt. De Waard; EHRC 2007/15 m.nt. Verhey.
Zie bijv.: EHRM 22 juni 2004, Pabla Ky t. Finland, nr. 47221/99. Zie over het onderwerp nevenfuncties en rechterlijke onpartijdigheid: M. Kuijer, 'De blinddoek van Vrouwe Justitia of de luiken van de rechtspraak open? Over enkele recente ontwikkelingen op het terrein van de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid', in: T. Barkhuysen, M.L. van Emmerik en J.P. Loof (red.), Geschakeld recht. Verdere studies over Europese grondrechten ter gelegenheid van de 70' verjaardag van prof mr. E.A. Alkema, Deventer: Kluwer 2009, p. 280-284.
Zie bijv.: EHRM 5 februari 2009, aujie t. Kroatië, EHRC 2009/57 m.nt. De Werd, par. 58; EHRM 15 januari 2008, Micaleff t. Malta, EHRC 2008/42 m.nt. Jansen, par. 73 (overigens is deze zaak verwezen naar de Grote Kamer, die uitspraak heeft gedaan op 15 oktober 2009, AB 2010/75 m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik; EHRC 2009/125 m.nt. A.M.L. Jansen); EHRM 15 december 2005, Kyprianou t. Griekenland, EHRC 2006/21 m.nt. Jansen, par. 119 (Grote Kamer-uitspraak).
Kyprianou, par. 121.
EHRM 5 juli 2007, Sara Lind Eggertsdóttir t. IJsland, EHRC 2007/115 m.nt. De Werd, par. 47; EHRM 18 maart 1997, Mantovanelli t. Frankrijk, NJ 1998/278 m.nt. HJS; JB 1997/112 m.nt. AWH.
Sara Lind Eggertsdóttir t. IJsland, par. 47. Hoe groter het gewicht dat toekomt aan de mening van de deskundige (het gewicht is bijvoorbeeld groot indien de deskundige een wettelijk bepaalde adviserende rol heeft, zoals in Sara Lind Eggertsdóttir), hoe eerder neutraliteit vereist is. Zie voor een vergelijkbare redenering in het kader van het verdedigingsbeginsel, Koenraad 2007, p. 218.
EHRM 6 mei 1985, Bionisch t. Oostenrijk, nr. 8658/79, par. 30-35; EHRM 28 augustus 1991, Brandstetter t. Oostenrijk, nrs. 11170/84, 12876/87 en 13468/87, par. 44-46.
Sara Lind Eggertsdóttir, par. 47; Bionisch, par. 31-35.
Zie par. 47, 53 en 54 van de uitspraak in Sara Lind Eggertsdóttir waarin het Hof voor het eerst, naast een schending van equality of arms, lijkt aan te nemen dat ook de rechterlijke onpartijdigheid onvoldoende gewaarborgd was. Zie over de toetsing van het EHRM alsmede langs welke wegen deze verloopt de noot van De Werd onder punt 5-8.
De Waard 1987, p. 247, 339 en 342.
CRvB 30 december 2009, LJN BK8458. Zie ook CRvB 12 juni 2009, LJN B19072 waarnaar de Centrale Raad zelf verwijst. De Centrale Raad acht zulk onderhands contact onwenselijk gelet op de onafhankelijke positie van de deskundige.
EHRM 15 december 2005, EHRC 2006/21 m.nt. Jansen, par. 118 (Grote Kamer-uitspraak). Zie ook: Hauschildt, par. 48.
Zie bijvoorbeeld: EHRM 6 mei 2003, Kleyn e.a. t. Nederland, AB 2003/211 m.nt. LV en BdeW; JB 2003/119 m.nt. AWH.
Zie hierover ook de vorige par. 4.3.3.
In de paragraaf waarin het openbaarheidsbeginsel centraal staat wordt nader ingegaan op de doelen die openbaarheid dient en komt tevens het verband met het onpartijdigheidsbeginsel aan bod.
De wetgever meent dat de ratio van het instituut wraking gelegen is in de rechterlijke onpartijdigheid, zie: PG Awb II, p. 410.
Heringa 2001, p. 4. Heringa verwijst naar de MvT bij deze bepaling, PG Awb II, p. 410. Zie ook: De Waard 1987, p. 367.
Heringa 2001, p. 3. Reden daarvoor lijkt te zijn dat in het geval van verschoning het initiatief van de rechter zelf komt, waardoor deze er blijk van geeft persoonlijk vooringenomen te zijn of daarover in elk geval zelf twijfelt.
Zie nader over de rol van deskundigen in het bestuursprocesrecht: L.M. Koenraad, 'Deskundig rechtspreken: Beschouwingen over de plaats van deskundigen in het Nederlands bestuursprocesrecht', JB-plus 2007, p. 202223. Koenraad geeft ook aan dat de deskundige de beginselen van behoorlijke rechtspleging moet respecteren, waaronder de onpartijdigheidseisen, p. 217-218.
Widdershoven 1989, p. 133 en De Waard 1987, p. 339 en 342 met verwijzingen naar de betreffende regelingen In de huidige procesregelingen is het verbod niet expliciet geregeld, zie de Landelijke procesregeling bestuursrecht 2008, Stcrt. 2008, 114, p. 119; Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2006, Stcrt. 2005, 250; Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2005, Stcrt. 2005, 198. Ook in de Leidraad onpartijdigheid van de rechter, opgesteld in opdracht van de Nederlandse vereniging voor rechtspraak en de presidentenvergadering van de rechtbanken en appelcolleges, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, wordt niets vermeld over een verbod van onderhands contact met partijen.
Stroink 2004b, p. 130. De grondslag voor dit verbod zoekt hij overigens in het verdedigingsbeginsel.
Onpartijdigheid in de rechterlijke procedure
Zoals in de vorige paragraaf al naar voren kwam, hangen de concepten onafhankelijkheid en onpartijdigheid sterk samen. Onpartijdigheid van de rechter wordt, evenals of samen met onafhankelijkheid, beschouwd als een van de fundamentele principes in een democratische rechtsstaat en van het recht op een eerlijk proces.1
De kern van het onpartijdigheidsbeginsel houdt in dat de rechter of rechterlijke instantie onpartijdig, dat wil zeggen zonder vooringenomenheid en op objectieve wijze, tot zijn beslissing behoort te zijn gekomen, waarbij slechts de rechtens relevante belangen bij die beslissing een rol mogen spelen. Dat betekent dat de rechter neutraal moet staan ten opzichte van het onderwerp van het geschil en de bij het geschil betrokken partijen.2 De Waard stelt dat de beslissing zo objectief mogelijk moet zijn en dat de geschilbeslechtende instantie zich niet mag laten leiden door persoonlijke voorkeuren of belangen (van haar leden) of andere onzakelijke motieven.3 Onpartijdigheid heeft betrekking op de verhouding tussen de beslissende rechter (of rechters) en de partijen of deelnemers in de procedure.4
In het algemeen wordt, in navolging van de jurisprudentie van het EHRM in het kader van artikel 6 EVRM5, een onderscheid gemaakt tussen een subjectieve en objectieve toets in het kader van de vereiste onpartijdigheid. De subjectieve toets houdt in dat de rechter persoonlijk niet vooringenomen mag zijn en geen blijk mag geven persoonlijke opvattingen, belangen of overwegingen die daadwerkelijk op oneigenlijke wijze de uitkomst van de procedure beïnvloeden.6 De houding en het gedrag van de rechter ten opzichte van de zaak en de partijen wordt bezien.7 De persoonlijke onpartijdigheid van de rechter wordt door het EHRM verondersteld en het tegendeel moet bewezen worden.8 Persoonlijke partijdigheid is derhalve lastig te bewijzen en in de jurisprudentie van het EHRM wordt dan ook niet snel aangenomen dat er sprake was van subjectieve partijdigheid. Enkele voorbeelden daarvan zijn er echter wel in de jurisprudentie geweest.9 Het EHRM erkent ook de moeilijke bewijsbaarheid van subjectieve onpartijdigheid, maar ziet de objectieve onpartijdigheid als een belangrijke aanvullende waarborg en geeft ook aan dat om die reden de meeste gevallen in de jurisprudentie zich concentreren rond de objectieve onpartijdigheid.10
De objectieve toets ziet op de organisatorische en structurele onpartijdigheid van de rechterlijke instantie en houdt in dat er geen objectieve omstandigheden of feiten mogen bestaan waardoor een klager redelijkerwijs gerechtvaardigde twijfel kan hebben omtrent de onpartijdigheid van de rechterlijke instantie 11 Van daadwerkelijke partijdigheid behoeft derhalve geen sprake te zijn. Ook de schijn van partijdigheid moet in dit kader vermeden worden.12 Hier raakt de onpartijdigheid in de jurisprudentie van het EHRM de vereiste onafhankelijkheid. In het bijzonder betreft het de factor indruk naar buiten of schijn van afhankelijkheid die een rol speelt bij de vraag of het betreffende orgaan als onafhankelijk kan worden aangemerkt.13 Strijd met de objectieve onpartijdigheid is eenvoudiger te bewijzen, omdat 'slechts' aangetoond moet worden dat er redelijkerwijs gerechtvaardigde twijfel bestond aan de onpartijdigheid van de rechterlijke instantie.14 De opvatting van de betrokken partij is daarbij van belang maar niet doorslaggevend. Volgens het EHRM geeft de vraag of de vrees van de betrokken partij objectief gerechtvaardigd de doorslag.15 De objectieve toets houdt, zoals Van Dijk stelt, in dat een subjectief element (de vrees van de betrokken partij) geobjectiveerd wordt, althans naar objectieve maatstaven gemeten gerechtvaardigd moet zijn.16 Het is niet altijd duidelijk waarin bij de concrete toepassing op het voorliggende geval het onderscheid gelegen is tussen de objectieve toets in het kader van de onpartijdigheid en de toetsing van `appearances' of de indruk naar buiten in het kader van de onafhankelijkheid.17 Onduidelijkheid bestaat ook inzake de toepassing van de objectieve onpartijdigheidtoets als zodanig en de door het EHRM gehanteerde criteria in dat kader.18 Op deze punten is de jurisprudentie van het EHRM dan ook aan kritiek onderhevig.19 Voorbeelden van gevallen (zonder uitputtend te willen zijn)20 waarin volgens het EHRM sprake kan zijn van een schending van de vereiste objectieve onpartijdigheid vormen: eerdere betrokkenheid van de rechter bij de rechterlijke procedure in hetzelfde geschil in een andere hoedanigheid21, cumulatie van functies22 of behandeling van de zaak door de rechter in hoger beroep die ook in eerste aanleg een oordeel over de zaak heeft gegeven.23 Nevenfuncties kunnen problematisch zijn, maar zijn dat niet per definitie 24 Een strikte scheiding tussen de subjectieve en objectieve onpartijdigheid valt er volgens het EHRM echter niet altijd te maken.25 Het EHRM overweegt in Kyprianou dat zich twee situaties kunnen voordoen, waarin gebrek aan onpartijdigheid in het geding kan zijn: situaties die functioneel van aard zijn en die persoonlijk van aard zijn. Op de eerste situatie, waarin niet het persoonlijk gedrag van de rechter centraal staat maar de uitoefening van verschillende functies of de aanwezigheid van hiërarchische dan wel andere banden met een procesdeelnemer, wordt de objectieve toets toegepast. De tweede situatie heeft betrekking op het gedrag van de desbetreffende rechter in de voorliggende zaak. Afhankelijk van de specifieke feiten van het bestreden gedrag, wordt hierop de subjectieve of de objectieve toets dan wel worden beide toetsen toegepast.26 Het persoonlijke gedrag van de desbetreffende rechter kan aanleiding geven tot partijdigheid onder de objectieve toets, maar kan ook van dien aard zijn dat zelfs onder de subjectieve toets persoonlijke vooringenomenheid moet worden aangenomen.
De onpartijdigheidseisen blijven voorts niet altijd beperkt tot de rechterlijke instanties, maar kunnen zich ook uitstrekken naar andere actoren in de procedure. Voor dit onderzoek zijn in het bijzonder de eisen voor door de rechter ingeschakelde deskundigen van belang. De invloed van dergelijke deskundigen op de uiteindelijke uitkomst van de zaak en het oordeel van de rechter kan immers groot zijn en derhalve moet ook een advies of rapport objectief zijn. Een door de rechter ingeschakelde deskundige behoeft uiteraard niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde onpartijdigheidseisen (of andere waarborgen van artikel 6 EVRM) te voldoen als de rechterlijke instanties.27 Omdat echter de mening van de deskundige inzake de kwestie waarvoor hij is ingeschakeld naar alle waarschijnlijkheid van significant belang is voor de beoordeling van de rechter van die kwesties, kan in sommige gevallen volgens het EHRM neutraliteit van die deskundige vereist zijn.28 Het EHRM betrekt het gebrek aan onpartijdigheid van de deskundige veelal in het kader van de vraag of voldaan is aan het equality of arms-vereiste (hierop kom ik nog uitvoeriger terug in paragraaf 4.3.5).29 Daarbij is van belang wat de procedurele positie en de rol van de deskundige was in de procedure.30 In Sara Lind Eggertsdóttir oordeelt het Hof echter dat het gebrek aan onpartijdigheid van de deskundige gelet op diens procedurele positie en rol in de procedure, naast het vereiste van equality of arms, óók de onpartijdigheid van de rechter gecompromitteerd had.31 Dat de onpartijdigheidseisen in verband staan met het beginsel van hoor en wederhoor, meer in het bijzonder equality of arms, blijkt ook uit de algemeen aanvaarde plicht van de rechter om geen onderhands contact met een van de partijen in de procedure te hebben.32 Daarmee wordt de schijn van partijdigheid vermeden. Bovendien wordt vermeden dat een partij in een ongelijke positie ten opzichte van de andere partij wordt gesteld. Hetzelfde kan gesteld worden voor onderhands contact tussen een door de rechter ingeschakelde deskundige en (een van de) partijen. In een recente uitspraak achtte ook de Centrale Raad het benaderen van de medisch deskundige die door de rechter was ingeschakeld door (een van) de partijen, zonder dat de Centrale Raad of de wederpartij daarvan op de hoogte was, conform vaste rechtspraak, in strijd met de goede procesorde.33
Ratio en functie van onpartijdigheid in het proces
Het onpartijdigheidsbeginsel moet waarborgen dat een zo objectief mogelijke beslissing genomen wordt en oneigenlijke (dat wil zeggen rechtens niet relevante) belangen en motieven geen rol in de beoordeling van de rechterlijke instantie hebben gespeeld. Aangezien het beginsel ziet op de verhouding tussen de rechter en partijen, heeft het in eerste instantie ook een functie ter bescherming van de belangen van partijen in het concrete geschil. Gewaarborgd wordt dat de rechter niet vooringenomen is naar partijen of het onderwerp van geschil en dat partijen op gelijke wijze behandeld worden. Daarnaast heeft het beginsel ook een functie in het kader van het vertrouwen in rechtspraak van partijen en het publiek. Indien de onafhankelijke rechter blijk geeft van vooringenomenheid of anderszins oneigenlijke belangen laat meewegen in zijn beslissing, wordt immers het gezag en de geloofwaardigheid van de rechter aangetast. Het vertrouwen van partijen en het publiek in de rechtspraak loopt, zeker indien zulks vaker het geval is, een deuk op.
Ook het EHRM benadrukt dat de onpartijdigheidseisen primair het vertrouwen van partijen in de rechter beogen te waarborgen. In strafrechtelijke context overwoog het in de zaak Kyprianou:
”(...) that it is of fundamental importance in a democratie society that the courts inspire confidence in the public and above all, as far as criminal proceedings are concemed, in the accused (see the Padovani v. Italy judgment of 26 February 1993, Series A no. 257-B, p. 20, § 27). To that end Article 6 requires a tribunal falling within its scope to be impartial."34
Vergelijkbare overwegingen uit het EHRM in geschillen waarin de vaststelling van een civil right or obligation in het geding is 35 Kortom, onpartijdigheid staat in het teken van het publieke vertrouwen in rechtspraak, maar bovenal van dat van partijen. Terwijl de primaire functie van onafhankelijkheid gelegen is in bescherming van het algemene belang, ligt de primaire functie van de onpartijdigheid derhalve in de bescherming van de belangen van partijen in het concrete geschil. Het onpartijdigheidsbeginsel heeft derhalve vooral interne werking, terwijl de onafhankelijkheids vooral externe werking heeft. Beide categorieën eisen hebben echter secundair ook een functie die ten dienste staat van dit concrete respectievelijk het algemene belang.36
Samenhang met andere beginselen
Het onpartijdigheidsbeginsel vertoont, zoals in de vorige paragraaf al is aangegeven, nauwe samenhang met het onafhankelijkheidseis. Onafhankelijkheid van de geschilbeslechtende instantie vormt een waarborg voor de vereiste onpartijdigheid van die instantie. De onpartijdigheidseisen staan echter niet alleen in nauw verband met de onafhankelijkheidseis, maar ook met het vereiste van een openbare behandeling van de zaak. De openbaarheid van de zitting bevordert de onpartijdigheid van de rechter, doordat de zitting openstaat voor publiek en de behandeling van de zaak controleerbaar wordt voor het publiek.37 Die controle vormt een extra waarborg tegen willekeur of partijdigheid.38 Hetzelfde geldt voor het vereiste van een openbare uitspraak in combinatie met de motiveringseis. De motivering en openbaarmaking daarvan maakt de beslissing van de rechter controleerbaar voor het publiek en hogere instanties. De rechter moet zich voor zijn beslissing verantwoorden en op die manier vormen deze eisen ook een waarborg voor objectiviteit aan de kant van de rechter. Voorts is in het bovenstaande gebleken dat onpartijdigheid samenhangt met het vereiste van equality of arms en vice versa. Beide vereisten beogen een gelijk(waardig)e of neutrale behandeling te bewerkstelligen van partijen.
Procesrechtelijke eisen ter waarborging van de onpartijdigheid
In hoofdstuk 8 van de Awb zijn verscheidene inrichtingseisen opgenomen om de onpartijdigheid van de behandelende rechter(s) te waarborgen. Om partijdigheid of twijfel aan onpartijdigheid te voorkomen is in artikel 8:15 Awb neergelegd dat op verzoek van een partij elk van de rechters die de zaak behandelen, kan worden gewraakt indien daartoe op grond van de feiten of omstandigheden aanleiding bestaat.39 Daarnaast kan een rechter op grond van dezelfde feiten of omstandigheden zelf verzoeken om verschoning ingevolge artikel 8:19, eerste lid, van de Awb. In beide gevallen doet een meervoudige kamer van de rechtbank, waarin de betreffende rechter(s) geen zitting heeft (hebben), uitspraak op het verzoek.40 Heringa wijst erop dat wrakingsverzoeken veelal gericht zijn op het betwisten van objectieve onpartijdigheid, terwijl een verzoek om verschoning tevens kan samenhangen met subjectieve onpartijdigheid.41
In het Nederlandse bestuursprocesrecht is voorts bepaald dat de rechter op grond van artikel 8:47 eerste lid en artikel 8:60, eerste lid, Awb een deskundige kan benoemen en tevens in artikel 8:34, eerste lid, Awb dat die deskundige zijn taak onpartijdig dient te vervullen.42 Dezelfde eis wordt gesteld aan door de rechter ingeschakelde tolken op grond van artikel 8:35, eerste lid, van de Awb. Opvallend is dat in de Awb geen expliciet verbod is opgenomen voor de rechter om onderhands contact te hebben met een van de partijen. Dat was voorheen wel gebruikelijk in de procesregelingen van verschillende bestuursrechters43 en is in elk geval een eis die de bestuursrechter in acht moet nemen op grond van het onpartijdigheidsbeginsel, zoals hierboven al werd aangegeven. Stroink leidt dit verbod af uit artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, waarin is neergelegd dat de rechter uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.44