Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.1
12.2.1 Inleiding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940712:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De gang van zaken in de Amerikaanse gevangenis ‘Guantanamo Bay’, door de Verenigde Staten van Amerika tijdens de zogeheten ‘war on terror’ geopend en gelegen binnen de gelijknamige marinebasis op Cuba) heeft op pijnlijke wijze duidelijk gemaakt wat de gevolgen zijn van het schenden van dit beginsel. Verdachten konden zonder uitgewerkte beschuldiging jarenlang worden vastgehouden.
Zie over het recht op een behoorlijke verdediging nader paragraaf 12.3.4.
Zie daaromtrent nader paragraaf 12.2.4.1.
Ik gebruik de aanduidingen ‘mededelingsvereiste’ en ‘mededelingsplicht’ in het vervolg door elkaar heen.
Feitelijke bewijslevering is in fiscalibus normaal gesproken pas nodig na een gemotiveerde betwisting door de wederpartij, zie paragraaf 7.3.7.4.
Zie daarover paragraaf 7.3.4.1.1.
Zie paragraaf 7.3.7.4.2, paragraaf 7.3.8.3.2.
De inspecteur hoeft vermoedelijk echter niet aan te kondigen wat de bewijsmiddelen zijn, althans, naar de opvatting van de ECRM (zie Feteris 2002, p. 214). Een uitzondering geldt – op grond van het nationale recht – voor de ‘nieuwe bezwaren’ ex art. 67q AWR (zie lid 3). Zie over art. 67q AWR nader paragraaf 9.4.7.
De vereisten van de ‘fair hearing’ van art. 6 EVRM waarborgen dat een boeteling zo snel mogelijk duidelijkheid krijgt over de strafbare feiten c.q. de beboetbare gedraging waarvan hij wordt beschuldigd. Het verwijt dat de boeteling van overheidswege wordt gemaakt, moet hem onverwijld worden medegedeeld. Gebeurt dat niet, dan wordt het recht van de boeteling om zich adequaat te verdedigen, geschonden:1 het is immers feitelijk onmogelijk om verweer te voeren tegen een onbekende of onvoldoende gemotiveerde aanklacht.2 Het recht van de boeteling om medegedeeld te krijgen waarvan hij precies wordt beschuldigd, vormt dus een verdedigingsrecht. Dankzij de mededelingsplicht kan het recht op een behoorlijke verdediging daadwerkelijk worden geëffectueerd.3 Het object van het mededelingsvereiste is de beboetbare gedraging, meer in het bijzonder de aard en reden van de tegen de boeteling ingebrachte beschuldiging.4 De reikwijdte van het mededelingsvereiste is daarmee beperkt tot de elementen van het beboetbare feit (de centrale stellingen).5 Uit hetgeen in hoofdstuk 9 is opgemerkt over de bewijslastverdeling terzake, volgt dat het mededelingsvereiste alleen voor de inspecteur geldt: het is een op hem rustende mededelingsplicht.6
De mededelingsplicht is naar mijn opvatting een bijzonder voorschrift van bewijsvoering en behelst in feite een verbijzondering van de stelplicht. Ten opzichte van het algemene fiscale bewijsrecht is er sprake van een in de tijd sterk naar voren gehaalde deadline,7 die eenzijdig voor de inspecteur geldt. De inspecteur moet op voorhand aan de boeteling mededelen waar de boeteling precies van wordt beschuldigd. Ook zonder betwisting door de boeteling moet de inspecteur zijn stelplicht8 dus spontaan invullen. Op dit punt wijkt de situatie in de sfeer van de boete dus duidelijk af van de positie in de sfeer van de heffing: daar wordt de invulling van de stelplicht pas geactiveerd wanneer de wederpartij tot betwisting overgaat.9 Bovendien moet de inspecteur niet alleen de juridische grondslag, maar ook de feitelijke onderbouwing van de boete bekend maken. Ook in dit opzicht gaat de mededelingsplicht verder dan de reguliere stelplicht: de mededelingsplicht is ten dele ook een motiveringsvereiste.10 Het uiterste moment waarop de inspecteur nog aan de mededelingsplicht kan voldoen, is tamelijk nauwkeurig bepaald (uiterlijk ten tijde van het opleggen van de boete). Wanneer de inspecteur dat tijdig doet, wordt hij op de reguliere wijze in de gelegenheid gesteld om bewijs van zijn stellingen te leveren aan de hand van bewijsmiddelen. Verzuimt hij echter om de mededelingsplicht tijdig te vervullen, dan moet de boete komen te vervallen, en komt de inspecteur dus in het geheel niet meer aan zijn eigenlijke bewijsvoering toe. De boeteling die van mening is dat de mededelingsplicht is geschonden, moet daarop wel een beroep doen.
In het navolgende zal ik deze aspecten nader uitwerken. Ik begin met een toelichting op de definitie van de mededelingsplicht zoals die in art. 6 EVRM is opgenomen.