De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.3.3.1:21.3.3.1 De gezichtspuntencatalogus uit Van Hese/De Schelde
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.3.3.1
21.3.3.1 De gezichtspuntencatalogus uit Van Hese/De Schelde
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS367804:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
1-112 28 april 2000, NJ 2000, nr. 430 m.nt. ARB onder 1-112 28 april 2000, NJ 2000, 431.
R.o. 3.3.1.
R.o. 3.3.3.
NJ 2000, 431 m.nt. ARB.
R.o. 3.4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De regeling van de absolute termijn doet naar zijn bewoordingen beschouwd ("in ieder geval") het verjaringszwaard na 20 (of 30) jaar onherroepelijk neerdalen. In de asbest-zaken bleek die regel de benadeelde zozeer te duperen, dat de Hoge Raad toch een uitzondering heeft aanvaard. Hij formuleerde een gezichtspuntencatalogus op basis waarvan de rechter een beroep op absolute termijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid kan oordelen.
De Hoge Raad deed dat in zijn bekende arrest Van Hese/De Schelde.1 Van Hese is van 16 maart 1959 tot en met 7 juni 1963 in dienst geweest bij Koninklijke Schelde Groep B.V. Als de toepasselijke verjaringstermijn van dertig jaar al verstreken is, in 1996, wordt bij Van Hese de asbestziekte mesothelioom vastgesteld. Dat is een vorm van kanker die maar één oorzaak kan hebben, te weten het inademen van asbeststof. Die inademing heeft plaatsgevonden tijdens de werkzaamheden van Van Hese bij Koninklijke Schelde. Op 29 oktober 1996 stelt Van Hese Koninklijke Schelde aansprakelijk op grond van alt. 7A:1638 x (oud) BW. Van Hese zelf overlijdt in november 1996; de procedure wordt gevoerd door zijn erfgenamen.
Het dilemma dat zich in deze zaak aandient is duidelijk: als de Hoge Raad zou vasthouden aan de absolute termijn, zou Van Hese zijn vordering verliezen nog voordat die ook maar was ontstaan. Zou anderzijds de Hoge Raad een uitzondering aanvaarden, dan zou hij de 30-jaarstermijn (en daarmee ook de twintigjaarstermijn) van zijn door de wetgever beoogde absolute karakter ontdoen. De Hoge Raad overweegt2 in het voetspoor van A-G Spier: "Laatstbedoelde termijn [de absolute termijn — JLS ] heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter, dat wil zeggen dat, hoezeer dit ook moeilijk is te aanvaarden uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden, het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij — waarbij in het bijzonder valt te denken aan de moeilijkheden die bij het loslaten van deze termijn voor deze kunnen ontstaan met betrekking tot het vaststellen van de feiten en het beoordelen van de gemaakte verwijten meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden (vgl. HR 3 november 1995, nr. 15801, NJ 1998, 380). Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van artikel 6:2 lid 2 buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze regel beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in die bepaling bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken — hier: de blootstelling aan asbest inderdaad tot schade — hier: de ziekte mesothelioom — zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken."
Bij de algemene overweging dat de absolute verjaringstermijn op grond van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing kan blijven, laat de Hoge Raad het niet. Hij preciseert tevens wanneer dat dan het geval zou kunnen zijn:3 "Of in gevallen als het onderhavige toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. Als gezichtspunten waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken, vallen te noemen:
of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en — mede in verband daarmede — of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;
in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;
de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;
in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;
of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren;
(t) of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;
(g) of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijk-stelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld."
Zie de conclusie van A-G Spier bij dit arrest voor achtergronden en rechtspolitieke overwegingen.
In het eveneens op 28 april gewezen asbest-arrest Rouwhof/Eternit4 achtte de Hoge Raad toepassing van de absolute termijn niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid,5 "omdat zich hier niet de situatie voordoet dat de rechtsvordering reeds was verjaard voordat de vordering kon worden ingesteld, en derhalve niet sprake is van een uitzonderlijk geval waarin overeenkomstig het in voornoemd arrest [Van Hese/De Schelde — JUS] overwogene grond bestaat de verjaringstermijn van dertig jaar op grond van artikel 6:2 lid 2 buiten toepassing te laten."