Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/3.5.3.2
3.5.3.2 Omvang van de aftrek
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS304368:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Strien werkt de basis waarover de aftrek wordt verleend, verder uit. Hij laat de kostenegalisatiereserve buiten beschouwing omdat zij geen bedrijfseconomische financieringskosten met zich brengt. Voor de herinvesteringreserve ligt dit anders omdat zij wel beslag legt op vermogen. De opwaarderingreserve ex art. 13ba laat hij buiten beschouwing omdat zij extracomptabel is. J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 557.
Van Strien bepleit vanuit het oogpunt van eenvoud een wettelijk vastgelegd percentage, bijvoorbeeld gebaseerd op de vergoeding voor langlopende staatsobligaties. Desgewenst kan het percentage nog worden gemaximeerd om het budgettaire risico te beperken. J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 557. Deze benadering wordt ook gevolgd door Michielse die echter de volgende nuancering aanbrengt: ‘Wanneer het risico in een bepaalde bedrijfstak echter hoger is waardoor feitelijk een hogere rentevergoeding moet worden betaald, ontstaat voor het verschil tussen de verschuldigde rentevergoeding en het primair rendement een fiscaal verschillende behandeling. Deze zou eventueel kunnen worden weggenomen door rekening te houden met dit hogere risico.’ G.M.M. Michielse, Thin capitalisation in het fiscale recht, FM 67, Deventer: Kluwer 1994, blz. 289. In de meest zuivere benadering wordt, naar het mij voorkomt, het percentage van het primaire rendement daarom per belastingplichtige vastgesteld aan de hand van het rentepercentage dat hij zou moeten vergoeden als hij een lening met een looptijd van tien jaar zou aangaan. De praktische problemen die dit met zich brengt, zijn, naar het mij voorkomt, niet groter dan in het geval waarin een arm’s length rentevergoeding moet worden vastgesteld op een lening met een looptijd van tien jaar tussen gelieerde partijen.
Het eigen vermogen van de dochter hoeft niet overeen te komen met de fiscale boekwaarde van de deelneming in de dochter bij de moedermaatschappij. In dat geval wijkt het bedrag dat uit het vermogen van de moedermaatschappij wordt geëlimineerd dus af van het eigen vermogen waarover bij de dochtervennootschap de aftrek wordt verleend. Voor zover het geëlimineerde bedrag hoger is, wordt de aftrek van primair rendement daarover dus noch bij de moedermaatschappij noch bij de dochtervennootschap verleend. Daar staat tegenover dat daarmee evenmin belastbare winst wordt gegenereerd.
Evenals in het geval van een primair dividend, wordt de aftrek verleend over het gehele eigen vermogen, dus inclusief de ingehouden winst.1 Het percentage van de aftrek kan eveneens worden gebaseerd op het rentepercentage voor langlopende verplichtingen.2
Om een dubbele aftrek te voorkomen is het nodig de fiscale boekwaarde van participaties waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, uit het vermogen te elimineren. Ter illustratie, heeft een holding een dochter met een fiscale boekwaarde van 200, overige activa van 100, is het eigen vermogen 300, en het aftrekpercentage voor primair dividend 5%, dan kan de holding een primair rendement aftrekken van 5% van (300 min 200) is 5. Heeft de dochter een eigen vermogen van 200, dan kan zij een primair rendement aftrekken van 10.3
Wanneer bij de berekening van het aftrekbare primaire rendement de fiscale boekwaarde van de deelnemingen wordt geëlimineerd uit het eigen vermogen, is het mogelijk dat een negatief saldo resteert. Dit zal zich voordoen als de gezamenlijke fiscale boekwaarde van de deelnemingen hoger is dan het eigen vermogen. Voor het bedrag van het negatieve saldo zijn de deelnemingen dan gefinancierd met schuld. Om dubbele aftrek te vermijden, is de rente over het negatieve saldo dan niet aftrekbaar. Een voorbeeld: een holding heeft een deelneming met een fiscale boekwaarde van 200, 100 eigen vermogen en 100 schuld. Het eigen vermogen van de deelneming bedraagt 200. In dat geval wordt de boekwaarde van de deelneming uit het eigen vermogen van de holding geëlimineerd. Er resteert een negatief saldo van -100. De rente over dit saldo mag niet worden afgetrokken. De deelneming heeft recht op een aftrek van een primair rendement over haar eigen vermogen van 200. In wezen komt de regeling er dus op neer dat de aftrek van de kosten van het vermogen plaatsvindt daar waar belastbare de resultaten worden gegenereerd.