Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/15.2
15.2 Vijf jaar is voor een subjectieve termijn te lang
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364089:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pad. Gesch. Inv., p. 1413.
Zie uitgebreid § 8.2.1.
Het werkelijke optimum ligt daar niet steeds, omdat dat aanvangsmoment kortere of langere tijd na het plaatsvinden van de gebeurtenis waaruit de vordering voortspruit, gelegen kan zijn. Op het moment van die gebeurtenis ligt het werkelijke optimum. Omdat echter hier de vraag aan de orde is naar de lengte van de termijn vanaf het subjectief bepaalde aanvangsmoment, moet in ons denken dat moment het uitgangspunt zijn.
Zie bijvoorbeeld ook de Law Commission (2001), p. 66: 'The limitation period chosen needs to provide sufficient time for claimants to consider their positron once the facts are known, take legal advice, investigate the claim and negotiate a settlement with the defendant, where this is possible. At the same time it should not be so long that the claimant is able to delay unreasonably in issuing proceedings. Experience in this jurisdiction in relation to these claims suggests that the three year period provides sufficient time for the claimant to bring a claim in the vast majority of cases. A majority of consultees (around sixty per cent) supported a primary limitation period of three years.'
Heilbron Report 1993, nr. 4.5 — 4.7.
Valk, diss., p. 81. In vergelijkbare zin Tjittes (2007), p. 17.
Haak, diss., p. 336.
Wachter, diss., 324; Haak, diss., p. 336, Koopmaan, diss., p. 131.
Zie hierover nader §§ 14.1-14.5.
Als gezegd: de formele hoofdregel van onze verjaring voorziet in een twintigjaarstermijn (art. 3:306 BW), maar materieel is de hoofdregel een subjectieve termijn van vijf jaar; zie de art. 3:307 — 3:311 BW. Waarom koos de wetgever voor een vijfjaarstermij n?
Het lukt mij niet zo goed hier zicht op te krijgen. Opvallend is dat in de Vaststellingswet nog voor een driejaarstermijn werd gekozen, maar deze bij nader inzien kennelijk te kort werd bevonden; in de Invoeringswet zijn de belangrijke driej aarstermijnen in vijfjaarstermijnen veranderd. Te lezen is bij de toelichting op de huidige art. 3:309 en 3:310 BW dat de wijziging van de termijn eerder is toegelicht.1 Ik vind in die eerdere toelichting inderdaad motieven tegen drastische verkorting van álle termijnen, maar zie geen kans daarin motieven, in het bijzonder, tot verlenging van de subjectieve termijn van drie naar vijf jaar te lezen.
Inmiddels is, in ieder geval rechtsvergelijkend gezien, de keuze voor een vijf-in plaats van een driejaarstermijn niet meer voor de hand liggend. Ten tijde van de totstandkoming van het BW was dat nog niet zo, maar inmiddels is een driejaarstermijn de standaard. Dat om ons heen de driejaarstermijn inmiddels de norm is, is reeds op zichzelf van betekenis. Ik meen dat er daarnaast ook inhoudelijke argumenten zijn om inderdaad aan een driejaarstermijn de voorkeur te geven, en wel de volgende.
Preliminair: het verdient de nadruk dat het niet mogelijk is te denken over de lengte van een termijn, zonder het aanvangsmoment van die termijn in de gedachtevorming te betrekken. Ten aanzien van het aanvangsmoment van de subjectieve vijfjaarstermijnen heb ik betoogd dat doorslaggevend is het moment waarop van de crediteur redelijkerwijze verwacht mag worden dat hij tot juridische actie komt. Mijn redenering over de lengte van de termijn is daarna als volgt.
Tijdsverloop tast de positie van de debiteur aan.2 Die afkalvende positie is voor te stellen als een dalende lijn. Het startpunt van de lijn is het aanvangsmoment van de subjectieve termijn; daar veronderstellen wij de bewijs- en rechtszekerheidspositie optimaal.3 Met het voortschrijden van de tijd daalt de lijn. Ergens raakt hij het nulpunt; op enig moment is elk bewijsmiddel door de tijd ondergesneeuwd en houdt de debiteur bij het inrichten van zijn vermogen met de vordering in het geheel geen rekening meer.
Als wij mochten aannemen dat het 'nulpunt' voor de debiteur over het algemeen al na drie jaar bereikt is, zou ik geen aanleiding zien in deze kwestie echt stelling te nemen. Het doet er dan eigenlijk niet toe of men een drie- of een vijfjaarstermijn kiest; de positie van de debiteur kon toch niet slechter. Maar die aanname lijkt mij niet juist. Ik denk dat in een substantieel deel van de gevallen, in de meerderheid zelfs, na drie jaar het nulpunt nog helemaal niet bereikt is. Getuigen zullen zich na vijf toch nog minder herinneren dan na drie jaar, de kans dat zij, zeg, niet meer bij de aangesproken rechtspersoon werken is groter, meer schriftelijke bescheiden zijn teloorgegaan, de debiteur houdt met nakoming nog minder rekening, enzovoorts. Dat over het algemeen het nulpunt na drie jaar nog niet is bereikt, kan men ook daaruit afleiden dat over het algemeen in procedures over 'oudere gebeurtenissen' nog serieus verweer wordt gevoerd.
Aldus aannemende dat de debiteur er een serieus belang bij heeft dat de termijn geen vijf maar drie jaar bedraagt, rij st de vraag of het belang van de crediteur bij een vijfjaarstermijn tegen dat belang opweegt, zodat tóch voor een vijfjaarstermijn moet worden gekozen. Voor dat oordeel lijkt mij geen grond te bestaan. Als wij de subjectieve termijn werkelijk laten aanvangen op het moment waarop van de crediteur redelijkerwijze verwacht mocht worden dat hij tot juridische actie kwam, dan is er geen zwaarwegend argument om hem daarvoor vervolgens in plaats van drie, vijf jaar de tijd te geven.
Natuurlijk, hij moet het gebeurde op zich in laten werken, hij moet, wellicht, een transitie doormaken van oplossingsgericht denken naar een juridische strijdbaarheid, of van rouwverkering naar juridische strijdbaarheid, hij moet juridisch advies inwinnen, enzovoorts. Maar voor dergelijke handelingen en processen zal een termijn van drie jaar toch volstaan.4 In een Engels pleidooi voor het verruilen van een zesjaarstermijn voor een driejaarstermijn werd het wat retorisch als volgt gezegd:
"we can see no reason why it should take longer to decide whether or not, for example to bring a claim for professional negligence, than it did to fight the Second World War'"5
Overigens is, enigszins terzijde, heel goed denkbaar is dat in bepaalde gevallen zelfs een termijn van drie jaar nog te lang is. Valk schrijft mijns inziens terecht:
"In sommige branches, zoals in de effecten- en optiehandel, bepaalde takken van de makelaardij en in de termijnhandel, is bewijsmateriaal in het algemeen slechts korte tijd voorhanden en pleegt men reserves spoediger op te heffen dan elders gebruikelijk is. Meerjarige verjaringstermijnen (...) passen in die branches niet."6
Als het wetgevingstechnisch mogelijk is voor die branches duidelijk afgebakende verjaringsregels in het leven te roepen die voorzien in een kortere termijn, doet de wetgever het meest recht aan de individuele rechtsverhouding door inderdaad in bijzondere regels te voorzien. Een wat mij betreft sprekend voorbeeld biedt de éénjaarstermijn van het vervoerrecht (zie met name art. 8:1711BW). Gegeven "de aard van het vervoerbedrijr7 met zijn hoge transactiefrequentie, wordt een termijn van meer dan één jaar algemeen te lang bevonden;8 terecht zou ik denken. Bedacht zij in dit kader wél dat een teveel aan bijzondere termijnen de eenheid van het verjaringsrecht kan bedreigen.9