Executele
Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/IV.C.7:IV.C.7. Beloning of liberaliteit? Het 'zo grote onevenredigheidsbeginsel' van HR 15 december 1905, W 8315
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/IV.C.7
IV.C.7. Beloning of liberaliteit? Het 'zo grote onevenredigheidsbeginsel' van HR 15 december 1905, W 8315
Documentgegevens:
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS402670:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voordat ik in ga op de beloningsregel in het nieuwe erfrecht, is het van belang stil te staan bij een klassieker van de Hoge Raad van 15 december 1905, W 8315, die -ondanks zijn ouderdom- ook onder het nieuwe recht van groot belang zal blijven, en waarin dezelfde gedachtegang is neergelegd die we bij de behandeling van onder meer het vergoedingslegaat in het Belgische recht zijn tegengekomen.
De Hoge Raadmoest oordelen over de casus waarin De Heer Fransen van de Putte uit Goes als executeur-testamentair (tevens neef en petekind) een voor die tijd zonder meer royale executeursbeloning van f 10.000 ten deel viel. Het geschil draaide weliswaar om de vraag of er successierecht over de executeursbeloning verschuldigd was, maar de essentie van het arrest is ook voor het civiele recht van groot belang.
Gezien het belang van het arrest laat ik dan ook de Hoge Raad zelfaan het woord:
'dat uit de bij art.1068 BWaan den erflater gegeven keuze niet volgt, dat hetgeen door hem belooning voor werkzaamheden wordt genoemd alleen daarom niet inderdaad het karakter zou kunnen bezitten van eene aan het recht van successie onderworpen liberaliteit, hetzij geheel of ten deele; dat wel, om het bestaan van een legaat of eene belooning te kunnen aannemen, het in de eerste plaats moet blijken, dat de erflater de bedoeling hebbe gehad en te kennen gegeven, om een legaat of eene beloning toe te kennen en de beslissing daarover is van feitelijken aard; dat echter de beantwoording der vraag, of hetgeen krachtens de beschikking des erflaters wordt verkregen, in den zin van art. 1 der wet op het recht van successie en van overgang aan belasting onderhevig is, afhangt van den werkelijken aard der door hem gemaakte beschikking, die wel veelal uit de benaming welke de erflater daaraan heeft gegeven, zal kunnen worden gekend, maar niet noodwendig alleen daardoor wordt bepaald; dat de Rechtbank ten deze alzoo hadbehoren te beslissen of er rechtens inderdaadbestaat belooning voor werkzaamheden dan wel liberaliteit, hetzij voor het geheele bedrag hetzij voor een deel der toegekende som, waarbij het aan haar oordeel was overgelaten, uit te maken of er tusschen de als belooning toegekende som en de lasten en bezwaren aan de opdracht van den erflater verbonden zoo grote onevenredigheid bestaat dat die som, geheel of ten deele, niet anders dan als eene liberaliteit kan worden aangemerkt; dat echter de Rechtbank door, waar de juistheid der door den erflater gebezigde benaming van belooning door het Bestuur was betwist, niettemin de beslissing uitsluitend te doen afhangen van hetgeen erflater als zijn wil had uitgesproken en van de uitlegging aan dien wil te geven, art. 1 der wet op het recht van successie en van overgang en, in verbanddaarmede art. 932 BW heeft geschonden [...].' (Curs. BS)
Het arrest geeft (nog steeds)1 het richtsnoer voor het antwoordop de vraag of er sprake is van een vergoedingslegaat voor de executeur of van liberaliteit om de executeur te bevoordelen. De hoogte van de beloning moet in balans zijn met de zwaarte van de opdracht van erflater, oftewel er dient een 'evenredigheidstoets' aangelegd te worden, zij het dat het criterium is een 'zo grote onevenredigheid dat het niet anders kan dan...'.
In de concrete casus besliste de rechtbank Utrecht2 na terugverwijzing door de Hoge Raad, dat de boedel, ondanks het belang, niet erg gecompliceerd was, zodat de beloning in generlei verhouding stond met de lasten en bezwaren en er mitsdien sprake was van liberaliteit. Ook hier blijkt weer als zo vaak dat de waarheid in het midden ligt en de rechtbank f 5000 aanmerkt als beloning en f 5000 als bevoordeling. Let wel: in de uitspraak wordt melding gemaakt van het feit dat door belanghebbende erkend wordt dat de betreffende werkzaamheden met f 5000 behoorlijk beloond zijn en de f 5000 'moeten geacht worden liberaliteit te zijn gegeven aan den naamgenoot'. Op grondvan de regeling van het wettelijk loon zou de executeur overigens recht gehadhebben op f 3900.
De discussie vergoedingslegaat of liberaliteit heeft niet alleen een belangrijke fiscale lading, maar is met name ook van belang voor 'inkortings'vraagstuk-ken en voor de vraag wie mag ik bij uiterste wilsbeschikking bevoordelen. Ook onder het nieuwe erfrecht blijft de kwestie haar relevantie behouden.
Ter afsluiting van deze paragraaf benadruk ik dat ook al wordt een executeurbeloning aangemerkt als bovenmatig, daarmee nog niet gezegd is dat deze hierdoor komt te vervallen. In beginsel heeft de executeur recht op de betreffende toegekende beloning. Een legaat is slechts een wijze waarop de executeurbeloning betaaldkan worden. Een erflater kan ook niet van het legaat gebruikmaken en rechtstreeks spreken van de beloning.
Ook indien de beloning te laag is vastgesteld heet het nog steeds dat niemand gehouden is de executeursbenoeming aan te nemen.3