Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.4.2
3.4.2 Een kredietfaciliteit; verhaal op giraal geld
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS585262:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De historie bewijst dat het bemiddelen bij de overdracht van giraal geld als een zelfstandige functie kan bestaan en valt te scheiden van het verstrekken van krediet. De Postcheque en Girodienst (`PCGD'), de eerste moderne instelling voor het girale betalingsverkeer in Nederland, stond het tot aan de inwerkingtreding van artikel 6 van het Girobesluit 1966 (Stb. 1966, 69) aan haar rekeninghouders niet toe om debetstanden aan te houden. Met andere woorden: deze giro-instelling was uitsluitend intermediair bij het afwikkelen van geldschulden tussen derden. Er zijn nog steeds betaalrekeningen waarbij een debetsaldo uitdrukkelijk is uitgesloten.
Over de opzegging van kredieten: Vos (2003) p. 109-133.
HR 7 juni 1929, NJ 1929 p. 1285-1289 m.nt. P. Scholten (`Giro-arrest').
HR 29 oktober 2004, NJ2006, 203 m.nt. H.J. Snijders en JOR 2004, 338 m.nt. A. van Hees (`Van den Bergh-Van der Walle'). Voor deze zaak in lagere instanties Vzr. Rb. 's-Hertogenbosch 10 oktober 2002, JOR 2002, 203 m.nt. A.J. Verdaas (Wan den Bergh-Van der Walle') en Hof 's-Hertogenbosch 8 april 2003, JOR 2003, 132 m.nt. A.J. Verdaas en P.C. Voute (Wan den Bergh-Van der Walle'). De discussie in de literatuur over de mogelijkheid van conservatoir beslag op kredietruimte werd aangeroerd door Van Everdingen (1991) en daadwerkelijk geopend door Vriesendorp (2001) p. 719-721. Bovendien werd kort na het verschijnen van het artikel van Vriesendorp een dergelijk beslag toegelaten door de Pres. Rb. Utrecht 6 september 2001, NJ 2002, 70 m.nt. Kortmann en JOR 2001, 246 m.nt. N.E.D. Faber (`McGregor'). De rechtsvraag gaf aanleiding tot veel en soms felle reacties in de literatuur. Verwijzingen naar literatuur en jurisprudentie zijn te vinden bij onder meer Spanjaard (2005) p. 58-61 en in de conclusie van A-G Huydecoper bij 'Van den Bergh-Van der Walle'.
In de praktijk zal de rechtsverhouding met de bank niet alleen de elementen bevatten van opdracht en bewaarneming, maar ook die van een overeenkomst van geldlening. Dat kan inzichtelijk worden gemaakt aan de hand van de begrippen giraal geld en dispositieruimte. Van deze beide begrippen is het laatste het meest omvattend: naast het beschikbaar giraal tegoed wordt daar ook het niet-aangesproken deel van een toegekende faciliteit in rekening-courant (`kredietruimte') onder begrepen. Het is, met andere woorden, het grensbedrag dat de rekeninghouder maximaal debet mag staan. Indien daadwerkelijk geld is geleend onder de faciliteit, komt dat tot uitdrukking in een debetsaldo op de betaalrekening.
De kredietovereenkomst verschilt in diverse opzichten van de giro-overeenkomst.1 Een eerste verschil is de reikwijdte van de contractsvrijheid voor beide rechtsverhoudingen. Terwijl de contractsvrijheid van de bank bij een giro-overeenkomst wordt beperkt door het zwaarwegende belang van een individu om te kunnen beschikken over een betaalrekening, kan deze beperking niet worden aanvaard ten aanzien van het toestaan van debetsaldi. Indien een bank geen kredietfaciliteit wenst te openen door het toestaan van debetstanden, kan zij naar mijn mening daartoe niet worden gedwongen; hoogstens kan het in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid als de bank bij de opzegging van een reeds verstrekte faciliteit de gerechtvaardigde belangen van haar rekeninghouder onvoldoende in haar afweging betrekt.2 Een ander verschil tussen een giro-overeenkomst en de rechten uit hoofde van een kredietfaciliteit betreft de vatbaarheid voor beslag. Het is sinds jaar en dag aanvaard dat een creditsaldo vatbaar is voor derdenbeslag, waarbij het beslag echter niet verder reikt dan het tegoed op het moment van beslaglegging.3 Gelden die later op de rekening verschijnen, vallen dus buiten het beslag. Recentelijk is de vraag aan de orde geweest of 'kredietruimte' vatbaar is voor beslag. Daarbij wordt gedoeld op het deel van een door de bank verleende kredietfaciliteit dat door de rekeninghouder nog niet is volgetrokken. Met andere woorden: het verschil tussen het actuele saldo en de maximaal toegestane debetpositie. De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijk beslag niet mogelijk is omdat `de aard van de relatie tussen de kredietverlenende bank en de cliënt, het systeem van ons faillissements- en beslagrecht en bezwaren van praktische aard zich daartegen verzetten'. Een debetsaldo is dus niet vatbaar voor beslag.4
Tot de kern teruggebracht zijn veel vermogensrechtelijke verschillen tussen een giro- en kredietovereenkomst verklaarbaar uit het uiteenlopend vermogensrechtelijk risico dat aan deze beide rechtsverhoudingen verbonden is. Bij de giroovereenkomst is de bank uitsluitend betrokken als dienstverlener en opdrachtnemer van de rekeninghouder en blijft het geldelijk risico beperkt tot een relatief bescheiden periodieke vergoeding voor de verleende diensten. Dat verklaart naar mijn mening waarom een bank slechts in uitzonderlijke gevallen mag weigeren een giro-overeenkomst aan te gaan: de afweging tussen de beperkte vermogensrechtelijke risico's van de bank en het maatschappelijke belang van een betaalrekening voor de beoogde rekeninghouder valt uit in het voordeel van de laatste. Bij een kredietovereenkomst is de bank daarentegen betrokken als schuldeiser en is haar risico gelijk aan de schuld van de rekeninghouder en de daarover opgelopen rente. Dit vermogensrechtelijk risico is veel groter dan het risico voortvloeiend uit de giro-overeenkomst.