Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.5.4.7
6.5.4.7 Controle op de naleving van de beginselen van transparantie, gelijkheid en onpartijdigheid
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397274:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.4.3.5.
Zie de verantwoording selectie transnationale Mobiliteit Call 2010, p. 4. Zie
Mij is niet bekend of ook inzage in rapporten van concurrerende aanvragen kan worden verkregen. Soms kan een subsidieaanvrager wel achter de inhoud van rapporten van concurrerende aanvragen komen, met name indien ook andere aanvragen zijn ingediend door een consortium waartoe zij behoren. Het Nederlandse nationaal agentschap heeft in ieder geval in 2010 voor de actielijn Mobiliteit een verantwoording transnationale Mobiliteit call 2010 gepubliceerd. In dit document wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de projecten zijn geselecteerd. Zie <http://www.leonardodavinci.nl/n1/Call-2010/3168/Call2010.html>.
Zie hieromtrent Jacobs & Den Ouden 2011A, p. 214.
Jacobs & Den Ouden 2011A, p. 214.
Zie Jacobs & Den Ouden 2011A, p. 214; Jacobs & Den Ouden 2011B, p. 48.
Van Rijn van Alkemade 2011, p. 393.
Zie Jacobs & Den Ouden 2011A, p. 214; Jacobs & Den Ouden 2011B, p. 48; Van Rijn van Alkemade 2011, p. 394. Zie bijvoorbeeld Rb Arnhem 20 juli 2007, LJN BB1054, Rb Arnhem 31 januari 2008, LJN BC3256 en Rb Haarlem 16 april 2009, LJN BI2367.
CBb 18 juli 2008, LJN BD8756 (gemeente Roosendaal), r.o. 52. Zie hieromtrent Jacobs & Den Ouden 2011A, p. 214-215; Jacobs & Den Ouden 2011B, p. 48-49; Van Rijn van Alkemade 2011A, p. 394. Zie ook CBb 29 juli 2004, LJN AQ6926 (Free Energy).
CBb 21 december 2011, LJN BU9728 en CBb 21 december 2011, AB 2012, 63, m.nt. A. Drahmann en J.M.J. van Rijn van Alkemade, r.o. 5.4.
Zie Jacobs & Den Ouden 2011A, p. 215; Jacobs & Den Ouden 2011B, p. 49.
Zie Jacobs & Den Ouden 2011A p. 215; Jacobs & Den Ouden 2011B, p. 49. Volgens Jacobs & Den Ouden zal de bestuursrechter deze redenen terughoudend moeten invullen. Een reële verdediging bij een relatief afwijzingsbesluit wordt anders hoegenaamd onmogelijk. Zie ook Drahmann 2011C, p. 681; Van Rijn van Alkemade 2011, p. 401-402 en De Poorter & Van Soest Ahlers 2008, p. 86. Zie voor voorbeelden uit de jurisprudentie Rb Arnhem 21 januari 2008, AB 2008, 46, m.nt. F.C.M.A. Michiels, JB 2008/51, m.nt. R.J.N. Schkissels en Rb Arnhem 23 juni 2009, AB 2009, 307, m.nt. F.C.M.A. Michiels, JB 2009/190, m.nt. R.J.N. Schlössels.
Zie omtrent deze problematiek ook Van Rijn van Alkemade 2011, p. 394.
Zie paragraaf 3.6.4.3 van de Gids voor Nationale Agentschappen Een Leven Lang Leren.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.8.8.
In hoofdstuk 5 is besproken dat in de Europese subsidieregelgeving inzake Jeugd in Actie en Een Leven Lang Leren is bepaald dat alle fasen van het subsidieverstrekkingsproces moeten worden gedocumenteerd.1 Voorts dient de subsidieverstrekker de redenen voor de verwerping van de aanvraag mee te delen, met name in het licht van de vooraf bekendgemaakte selectie- en toekenningscriteria. Voor het programma Een Leven Lang Leren geldt dat door het Nederlandse nationaal agentschap het (geanonimiseerde) beoordelingsrapport van de eigen aanvraag aan de subsidieaanvragers wordt overgelegd.2 Zij hebben vervolgens de gelegenheid om sterke en zwakke punten van de aanvraag en de opmerkingen uit het beoordelingsrapport te bespreken met een adviseur van het nationaal agentschap.3
Op grond van de Nederlandse subsidieregels geldt dat het Nederlands bestuursorgaan de subsidieaanvragen dient te toetsen aan door hem vooraf vastgestelde formele en inhoudelijke vereisten. Indien deze vereisten duidelijk zijn geformuleerd, zullen subsidieaanvragers gemakkelijk kunnen vaststellen of hun aanvraag terecht is afgewezen. Uiteraard moet het besluit van het Nederlands bestuursorgaan ingevolge artikel 3:46 van de Awb berusten op een deugdelijke motivering en moet deze motivering worden vermeld bij de bekendmaking van het besluit.
Voor zover een aanvraag wordt afgewezen omdat deze in vergelijking met andere aanvragen laag is gerangschikt en wegens het bereiken van het subsidieplafond niet kan worden gehonoreerd, is het lastiger voor de aanvrager om te achterhalen waarom nu juist zijn aanvraag is afgewezen. Het betreft immers een relatieve afwijzing.4 In daarop volgende procedures rijzen in veel gevallen vragen over de plicht tot draagkrachtige motivering van de uitkomst van de toetsing aan de rangschikkingscriteria en de toegankelijkheid van de op de zaak betrekking hebbende stukken.5 Een aanvrager wiens aanvraag is afgewezen, zal immers willen kunnen nagaan waarom andere aanvragen hoger zijn gerangschikt.6 Daarvoor zal het noodzakelijk zijn dat de aanvrager ook op de hoogte wordt gebracht van de gronden voor de rangschikking van wel gehonoreerde aanvragen.7 Jacobs en Den Ouden geven aan dat de jurisprudentie hieromtrent nog niet is uitgekristalliseerd. Sommige bestuursrechters oordelen dat uit de motivering van een afwijzingsbesluit helder dient te worden hoe de afgewezen aanvraag zich verhoudt tot de overige wel gehonoreerde aanvragen.8 Het CBb lijkt dit echter anders te zien: inzicht bieden in de gronden voor de rangschikking van het eigen project is voldoende.9 Uit een tweetal uitspraken van 21 december 2011 volgt wel dat aanvragers inzicht moet worden geboden in de samenstelling van de commissie die over de subsidieaanvragen heeft geadviseerd en de exacte taak en werkwijze van de commissie.10 Voorts dient aan de aanvragers het door de adviescommissie uitgebrachte advies van de commissie ter beschikking te worden gesteld, zodat kan worden nagegaan of het nationaal uitvoeringsorgaan dat de Europese subsidie verstrekt, het advies van de commissie heeft gevolgd.
Jacobs en Den Ouden zijn terecht van mening dat wanneer in de motivering van één afwijzingsbesluit niet hoeft te worden ingegaan op de onderlinge verhoudingen tussen alle verschillende aanvragen, het van groot belang is dat een afgewezen aanvrager op zijn minst zelf kan controleren of concurrerende aanvragen op goede gronden hoger zijn gewaardeerd.11 Daarvoor is inzage in concurrerende aanvragen en advisering in de tender noodzakelijk; alle stukken die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming zouden moeten worden overgelegd, tenzij er een gewichtige reden is om dat te weigeren, als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.12 Het is immers niet de bedoeling dat het bestuursorgaan zonder meer vertrouwelijke informatie over andere aanvragen prijsgeeft.13
Hoe deze jurisprudentie zich verder gaat ontwikkelen, is thans nog niet duidelijk. Op grond van de Europese eisen lijkt inzage in concurrerende aanvragen en daarover uitgebrachte adviezen niet aan de orde. Voor een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie geldt dat in de Europese subsidieregelgeving enkel is voorgeschreven dat het nationaal agentschap de redenen voor afwijzing meedeelt, onder verwijzing naar de vooraf bekendgemaakte criteria en prioriteiten.14 In het Europese aanbestedingsrecht zijn meer motiveringsverplichtingen te vinden.15 Zo moet een aanbestedende dienst op verzoek van degene wiens inschrijving is afgewezen de naam van de winnende inschrijver meedelen, alsmede de kenmerken en voordelen van diens inschrijving. Deze verplichting wordt door het Gerecht in het kader van Eu-aanbestedingen zo uitgelegd dat aan de motiveringsplicht is voldaan indien op verzoek een uittreksel van het rapport van het evaluatiecomité is verstrekt met daarin onder meer het uitvoerige commentaar van het evaluatiecomité op de offerte van de gekozen inschrijver en de afgewezen inschrijver met betrekking tot elk gunningscriterium. Over de vraag of dit ook geldt voor de verstrekking van Europese subsidies, bestaat echter nog geen jurisprudentie. Duidelijk is wel dat inzage in de aanvragen van andere gegadigden ook Europeesrechtelijk niet aan de orde is.