Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/7.2.4.2
7.2.4.2 De dubbele belasting over dividend bezien vanuit de lidstaat van de aandeelhouder
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS305615:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 7 september 2004, zaak C-319/02 (Manninen).
HvJ EG 7 september 2004, zaak C-319/02 (Manninen), r.o. 35 en 36.
Zie in vergelijkbare zin ook AMID. Daarin was sprake van juridisch dubbele belastingheffing over de winst die werd behaald door middel van een Luxemburgse vaste inrichting van een Belgisch bedrijf omdat zowel Luxemburg als België over de winst wilde heffen. In België werd de winst van de vaste inrichting verrekend met het verlies van het hoofdhuis terwijl in latere jaren niet alsnog voorkoming werd verleend voor de vaste inrichtingwinst. Het Hof van Justitie EG concludeerde dat sprake was van een verboden maatregel omdat het verlies van het Belgische hoofdhuis in latere jaren wel compensabel was met winsten van het Belgische hoofdhuis wanneer de vaste inrichting niet in Luxemburg maar in België zou zijn gevestigd. HvJ EG 14 december 2000, zaak C-141/99 (AMID). Het Hof van Justitie EG baseerde zich daarbij echter op een onjuist uitgangspunt omdat het verlies van het Belgische hoofdhuis in dat geval in latere jaren ook niet compensabel zou zijn. Zie over AMID, F.A. Engelen, ‘De voorlichting van het hof van justitie van de Europese gemeenschappen in fiscale zaken’, TFO 2001/54, p. 128. L. Hinnekens, ‘AMID: The Wrong Bridge or a Bridge To Far? An Analysis of a Recent Decision of the European Court of Justice’, European Taxation, June 2001, p. 210 en A. Cordewener, Europäische Grundfreiheiten und nationales Steuerrecht, ‘Konvergenz’ des Gemeinschaftsrechts und ‘Kohärenz’ der direkten Steuern in der Rechtsprechung des EuGH, Köln: O. Schmidt 2002, p. 798.
HvJ EG 14 november 2006, zaak C-513/04 (Kerckaert Morres), r.o. 19 en 20.
Wattel gebruikt voor de situatie waarin een intern inconsistente regeling geen belemmering is, de term ‘dislocatie’. BJ.M. Terra en PJ. Wattel, European Tax Law, Fiscale studieserie nr. 29, Deventer: Fed 2008, p. 48 (fifth edition).
Voor een goed begrip van Kerckaert Morres wordt eerst kort ingegaan op Manninen.1 Manninen, een inwoner van Finland, klaagde over een verschil in behandeling tussen dividenden uitgekeerd door Finse vennootschappen en dividenden uit andere lidstaten (in casu Zweden). Ter zake van Finse dividenden had Manninen recht op verrekening van de onderliggende vennootschapsbelasting. Voor een dividend van een vennootschap die inwoner was van een andere lidstaat bestond echter geen recht op een dergelijk belastingkrediet. De situatie waarin van het vrije verkeer gebruik werd gemaakt, werd dus nadeliger behandeld dan de binnenlandse situatie. De Finse regeling vormde volgens het Hof van Justitie EG daarom een beperking van het vrije kapitaalverkeer die in beginsel verboden was.
Daar werd tegenin gebracht dat dividenden die afkomstig waren van Finse vennootschappen niet vergelijkbaar waren met dividenden van andere vennootschappen. Finland kon immers wel belasting heffen over winsten die in de vorm van dividenden werden uitgekeerd door vennootschappen die in Finland waren gevestigd. Winsten die werden uitgekeerd door vennootschappen die niet in Finland waren gevestigd, waren evenwel niet onderworpen Finse belasting.
Het Hof van Justitie EG constateerde dat de winst van een Zweedse vennootschap wel werd getroffen door Zweedse vennootschapsbelasting. Dat leidde het Hof van Justitie EG tot het volgende oordeel:
‘Blijkens de verwijzingsbeschikking kunnen immers zowel de dividenden van een in Finland gevestigde vennootschap als die welke door een vennootschap met zetel in Zweden zijn uitgekeerd, het belastingkrediet buiten beschouwing gelaten, dubbel worden belast. In beide gevallen zijn de inkomsten eerst onderworpen aan de vennootschapsbelasting en vervolgens – voor zover zij in de vorm van dividenden worden uitgekeerd – aan de belasting op het inkomen van de begunstigden.
36 Indien een in Finland onbeperkt belastingplichtige kapitaal belegt in een in Zweden gevestigde vennootschap, ontsnapt hij dus niet aan de dubbele belasting over de winsten die worden uitgekeerd door de vennootschap waarin hij heeft belegd. Ten aanzien van een fiscale bepaling die ter vermijding van dubbele belasting over de uitgekeerde winsten rekening houdt met de door een vennootschap verschuldigde vennootschapsbelasting, verkeren in Finland onbeperkt belastingplichtige aandeelhouders in een vergelijkbare situatie, ongeacht of zij dividenden ontvangen van een in deze lidstaat gevestigde vennootschap dan wel van een vennootschap met zetel in Zweden.’2
De vrijheid van kapitaalverkeer verzette zich daarom tegen de Finse regeling.3
In Kerckaert Morres ging het om de juridisch dubbele belastingheffing over dividend. Het echtpaar Kerckaert Morres ontving dividenden van een Franse vennootschap. Over het dividend werd Belgische inkomstenbelasting geheven naar een tarief van 25%. Bovendien had Frankrijk een bronbelasting van 15% op het dividend ingehouden. België verleende evenwel geen verrekening van deze Franse bronbelasting. Het echtpaar Kerckaert Morres meende met een beroep op Manninen wel recht te hebben op de verrekening.
Volgens het hof ging de vergelijking met Manninen echter niet op. De Belgische belastingwetgeving maakte namelijk geen enkel onderscheid tussen dividenden van in België gevestigde vennootschappen en de dividenden van in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen. Voor beide soorten dividenden gold volgens de Belgische wet eenzelfde inkomstenbelastingtarief van 25%.
Het echtpaar Kerckhaert Morres betoogde verder dat de totale belastingdruk op dividenden uit Franse bron in de praktijk hoger was dan die op dividenden uit Belgische bron. Over de Franse dividenden werd immers een heffing van 15% aan de bron in Frankrijk geheven, en daar bovenop werd de Belgische heffing over dividenden verschuldigd. In België wonende aandeelhouders bevonden zich volgens het echtpaar daarom in een verschillende situatie naargelang zij dividenden ontvingen van een Belgische vennootschap dan wel van een vennootschap die was gevestigd in een andere lidstaat. België paste in deze gedachtegang dezelfde belastingregel toe op verschillende situaties. Om deze redden was de toepassing van eenzelfde inkomstenbelastingtarief op de dividenden volgens het echtpaar discriminerend.
Van een dergelijke discriminatie was in het onderhavige geval volgens het Hof van Justitie EG echter geen sprake:
‘Met betrekking tot de belastingwetgeving van de woonstaat wordt de positie van een aandeelhouder die dividenden ontvangt, evenwel niet noodzakelijkerwijs verschillend (...) door de omstandigheid alleen dat hij deze dividenden van een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap ontvangt, welke lidstaat bij de uitoefening van zijn belastingbevoegdheid op deze dividenden een aan de bron geheven inkomstenbelasting toepast.
20 In omstandigheden als die in casu zijn de nadelige gevolgen die de toepassing van een inkomstenbelastingstelsel zoals de Belgische regeling in het hoofdgeding kan meebrengen, het gevolg van de parallelle uitoefening van belastingbevoegdheid door twee lidstaten.’4
De Belgische weigering om verrekening te verlenen van de Franse bronbelasting kwam daarom niet in strijd met de vrijheid van kapitaalverkeer.
Volgens het Hof van Justitie EG was dus sprake van een dispariteit, al gebruikte het hof deze term niet met zoveel woorden. Tot welk oordeel zou het Hof van Justitie EG zijn gekomen als het de interne consistentietoets had gebruikt?
Verdwijnt de dubbele heffing als het Franse belastingstelsel gelijk zou zijn aan het Belgische dan is volgens deze test sprake van een dispariteit. Hoewel uit de hofuitspraak niet valt af te leiden hoe de Franse heffing dan zou zijn verlopen, mag worden aangenomen dat Frankrijk ook dan een bronbelasting op het dividend had ingehouden (België heft immers een belasting over dividenden die worden uitgekeerd door een Belgische vennootschap aan niet-ingezetenen). Het dividend zou in dat geval dus dubbel zijn belast. Op basis van de interne consistentietest zou de dubbele heffing dan niet als een dispariteit zijn te beschouwen maar als een belemmering.
In de woorden van het Amerikaanse Supreme Court was België ‘attempting to take more than its fair share of taxes from the interstate transaction’. Als bronstaat hief België immers belasting over uitgaande dividenden, terwijl het als woonstaat geen verrekening van buitenlandse dividendbelasting wenste te verlenen. Het Hof van Justitie EG had daarom, naar het mij voorkomt, zeer wel tot het oordeel kunnen komen dat de dubbele heffing in het geval van Kerckhaert Morres aan België was te wijten.
Volgens het Hof van Justitie EG was echter geen sprake van een belemmering maar van een dispariteit.5 Voor het Hof van Justitie EG was beslissend dat de verstoring het gevolg was van de parallelle uitoefening van de belastingbevoegdheid door twee lidstaten. Vooralsnog wenst het hof die parallelle uitoefening kennelijk niet te toetsen op interne consistentie.