Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.6.1
9.3.6.1 Inleiding
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648965:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Snijders 1999.
Bartman 2004.
Dat het wilsrecht, dat een schuldeiser op grond van een 403-verklaring toekomt, niet zelfstandig overdraagbaar zou zijn, valt te concluderen op grond van HR 29 oktober 2004, NJ 2006/203. Zie ook Blom 2005, p. 180.
Zo heeft de Hoge Raad geoordeeld in HR 28 juni 2002, JOR 2002/136; NJ 2002, 447.
Biemans 2019, p. 387.
Vermeld zij dat Snijders heeft aangegeven geen uitputtende opsomming te hebben gemaakt. Daarbij geldt dat het niet de heersende opvatting is om een 403-vordering als een wilsrecht aan te merken, Snijders 1999.
Wanneer wordt geconcludeerd dat een 403-verklaring niet direct leidt tot het ontstaan van een vorderingsrecht maar leidt tot het ontstaan van een wilsrecht, dan is de vraag of daarmee de 403-problemen zijn opgelost. De kwalificatie ‘wilsrecht’ schept niet direct de meeste duidelijkheid. Illustratief:1
“Met de figuur van het wilsrecht is het in ons recht merkwaardig gesteld. In de literatuur heeft zij weinig aandacht gekregen.”
Een duidelijke definitie van een wilsrecht wordt in de wet niet gegeven. Betoogd wordt dat een wilsrecht vermogensrechtelijk kan worden gekwalificeerd als een goed.2 Het wilsrecht wordt in de regel niet als zelfstandig overdraagbaar beschouwd.3 Het wilsrecht om de consoliderende rechtspersoon aan te kunnen spreken, is in ieder geval geen afhankelijk recht.4 De vraag is hoe het wilsrecht dan wel gekwalificeerd dient te worden.
Wordt aangenomen dat de 403-vordering voor de aanvaarding daarvan door de schuldeiser een wilsrecht is, dan zou de praktijk kunnen worden geconfronteerd met een aantal nieuwe lastige vraagstukken. Zo ontstaat het probleem dat het wilsrecht mogelijk niet overdraagbaar is. Ook kan het wilsrecht mogelijk niet worden verpand en is het mogelijk niet vatbaar voor beslag. Aangezien het doel van een alternatieve benadering is om naar een oplossing voor de bestaande 403-problemen te zoeken, zou het doel voorbij worden geschoten als een alternatieve benadering eveneens tot complicaties en onduidelijkheden leidt (en misschien zelfs leidt tot méér complicaties en méér onduidelijkheden).
De benadering van de 403-aanspraak als wilsrecht, is niet een benadering die op voorhand voor grote verduidelijking lijkt te gaan zorgen. Op het gebied van wilsrechten, is een reeks artikelen van Snijders in het WPNR een van de meest gezaghebbende bronnen.5 Uit deze artikelen valt op te maken dat elk wilsrecht voor wat betreft overdraagbaarheid, bezwaring en beslag op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld. Vuistregels zijn op dat vlak niet te noemen. Een kwalificatie als wilsrecht biedt dus weinig houvast. Maar anderzijds biedt het ruimte voor flexibiliteit. Een sui generis-benadering zou tot pasklare oplossingen kunnen leiden en een oplossing voor de 403-vordering kunnen zijn.
Snijders gaat echter niet in op de 403-vordering en zegt niets over de overdraagbaarheid, verpandbaarheid en de vatbaarheid voor beslag van een 403-aanspraak.6 Wibier, die het recht dat uit een 403-verklaring voortvloeit heeft gekwalificeerd als een wilsrecht, is wel op deze thema’s ingegaan.