Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm
Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.4.1:2.4.1 De verklaringsleer van Hijma
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.4.1
2.4.1 De verklaringsleer van Hijma
Documentgegevens:
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS590819:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hijma' s visie op de contractuele gebondenheid is kenbaar uit diens in 1988 verschenen proefschrift.1 In dit proefschrift ontvouwt hij zijn opvattingen over gebondenheid na de klassieke wilsleer, wilsvertrouwensleer en vertrouwensleer als ondeugdelijk te hebben verworpen. Zijn kritiek op deze leren laat zich als volgt beknopt weergeven.
In de wilsleer wordt de gebondenheid van de contractanten aan het overeengekomene verklaard vanuit de wil. De in de wilsleer centraal staande subjectieve wil van de handelende vormt echter een te onbetrouwbare grondslag voor binding ("kan de wil binden, dan kan zij ook ont-binden") 2 Voorts doet het feit dat ook in de wilsleer wordt geëist dat de wil zich in een verklaring openbaart, blijken dat in die leer kennelijk meer is vereist dan de wil alleen. Verder impliceert deze grondslag de noodzaak van een empirisch-psychologisch onderzoek naar de wil van de betrokkene ("wat wilde de handelende nu werkelijk?) en wordt in deze leer het belang van de wederpartij opgeofferd aan dat van de handelende. Ook de bekende wilsvertrouwensleer leidt volgens Hijma tot niet te overkomen moeilijkheden, nu deze leer er, zeer in het kort, op neer komt dat alleen in die gevallen waarin de wil ontbreekt de gebondenheid moet worden gebaseerd op het vertrouwen. Daarmee bouwt deze leer voort op de wilsleer en moet zij volgens Hijma daarom het lot daarvan delen. De vertrouwensleer, die in tal van varianten het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij tot uitgangspunt neemt, moet het bij Hijma eveneens ontgelden: deze leer is reeds hierom ondeugdelijk, omdat zij de onaanvaardbare consequentie heeft dat de notoir onbetrouwbare contractant niet wordt gebonden, nu zijn wederpartij immers niet gerechtvaardigd heeft vertrouwd c.q. kunnen vertrouwen.3
Na aldus de op de pijlers wil en vertrouwen gebaseerde gebondenheid te hebben verworpen, kiest Hijma vervolgens de laatst overgebleven pijler, de verklaring, als grondslag voor gebondenheid aan de overeenkomst. Dat de verklaring bindt vloeit voort uit het feit dat de mens de vrijheid heeft keuzes te maken, die door het objectieve recht van rechtsbijval kunnen worden voorzien. De wilsverklaring nu is zo'n keuze-uiting die voor rechtsdoorvoering geëigend is. In de woorden van Hijma:
"De keuze-uiting, de handeling zelf, vormt (...) het voor het bindingsgevolg redengevende element."4