Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/8.6.4:8.6.4 Conclusie
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/8.6.4
8.6.4 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232932:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een legitimaris moet twee horden nemen, alvorens de inkorting van de inbreng in het APV mogelijk wordt: de kwalificatie van de inbreng als gift in het algemeen en vervolgens de kwalificatie van deze gift als een gift die in aanmerking genomen wordt voor de regeling van de legitieme portie. Voor dit laatste zal in veel gevallen noodzakelijk zijn dat sprake is van een de legitimaris benadelende gift.
Van deze twee horden die de legitimaris is de eerste mijns inziens verreweg het hoogst. Naar mijn mening is niet voldaan aan alle drie de constitutieve elementen van een gift, omdat de vereiste verrijking van het APV niet aanwezig is, nu het APV geen enkel economisch belang bij het ingebrachte vermogen heeft. Indien echter toch geconcludeerd zou moeten worden dat de inbreng in het algemeen een gift is, lijkt mij de kans dat deze tevens als een “benadelende gift” wordt aangemerkt aanmerkelijk, althans indien de omvang van de inbreng zodanig is, dat deze betrekking heeft op een significant deel van de waarde van het totale vermogen van de inbrenger. Dat dit laatste zich voordoet, ligt echter voor de hand, omdat het succes van het APV als beschermingsfiguur daar vanaf hangt.
Men zou kunnen zeggen dat de conclusie, dat geen sprake is van een gift en derhalve geen mogelijkheden op grond van de legitieme portie, vanuit het perspectief van de door de wetgever gewenste bescherming van de legitimaris onwenselijk is. In tegenstelling tot bij certificering heeft de legitimaris bij een APV immers zelfs geen economische aanspraak meer, hoe zeer die in geval van certificering ook dichtgetimmerd mag zijn. Zijn aanspraken op een deel van de waarde van het vermogen van de erflater worden daarmee bij inbreng in een APV illusoir gemaakt. Niet volledig uit te sluiten lijkt dat een rechter om billijkheidsredenen anders zou beslissen, maar mijns inziens is het systematisch zuiver om geen gift te zien en dus inderdaad een gat in de bescherming van de positie van de legitimaris. Het is dan echter aan de wetgever om hier desgewenst iets aan te doen, waarbij naar mijn mening wel de vraag is in hoeverre dit mogelijk is zonder andere vragen of knelpunten op te roepen.