Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/8.6.3
8.6.3 Benadeling van de legitimaris door inbreng
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232891:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II vergaderjaar 1959/60, 3 771, nr. 5, pagina 8, alsmede Parlementaire geschiedenis BW boek 4, pagina 409.
Parlementaire geschiedenis BW boek 4, pagina 411.
Parlementaire geschiedenis BW boek 4, pagina 420.
Rechtbank Haarlem 14 maart 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BA0703.
Zie rechtsoverweging 5.9.
W.D. Kolkman, Vier levensgezellen, twee legitimarissen en een kunstenaar, Tijdschrift Erfrecht 2007/2, paragraaf 4. Hij is het overigens in casu eens met toepassing van de bepaling.
Zie E.W.J. Ebben, De positie van de langstlevende echtgenoot en de kinderen in het nieuwe erfrecht (dissertatie), Boom Juridische Uitgevers Den Haag 2000, paragraaf 7.5.7.
E.W.J. Ebben, In de praktijk; Vooruitzicht van benadeling bij giften, Tijdschrift Nieuw Erfrecht 2002/3, pagina 37. In gelijke zin E.W.J. Ebben, De berekening van de legitimaire massa; voer voor juristen?, Tijdschrift Nieuw Erfrecht 2006/2, paragraaf 2.2.
Veltman, preadvies 2004, pagina 112, alsmede P.F. Veltman, De familiestichting en/in het erfrecht, Tijdschrift Nieuw Erfrecht 2004/6, paragraaf 2.2.2.
M.J.A. van Mourik, Rechtsvragenrubriek: Legitieme en stief(klein)kinderen, WPNR 2010/6828.
Het betrof vier schenkingen van € 45.000 aan stief(klein)kinderen en één legitimaris, allen waren voor 1/5 erfgenaam. De omvang van de nalatenschap is niet bekend.
Roelofs 2011, pagina 90 – 91 en 87 – 88.
Roelofs 2011, pagina 93. Ik vind dit een wat gemakkelijke veronderstelling, die er vanuit gaat dat (i) de trustee geheel niet geïnformeerd zal worden over de achtergrond van de inbreng en (ii) zich als professionele trustee, waar veelal toch sprake van zal zijn, ook niet behoeft te verdiepen in de redenen van het instellen van een trust en de inbreng van een significant vermogen daarin. In de praktijk valt er op deze aanname derhalve naar mijn mening dus wel wat af te dingen. Zie voorts de hierna aangehaalde, tegenovergestelde, veronderstelling van Waaijer, die er juist vanuit gaat dat de trustee onderzoek doet naar de achtergrond van de trust en uit dien hoofde bekend zal zijn met de Nederlandse legitieme portie. Bij een APV dat een andere rechtsvorm heeft dan een trust, kan de (veronderstelde) kennis van de beheerder van het vermogen bovendien uiteraard weer geheel anders uitvallen.
Handboek Erfrecht (2020), B.C.M. Waaijer, paragraaf X.9.3.
De vraag of de inbreng gezien moet worden als een gift is bovendien slechts stap één. De legitimaris die de inbreng in aanmerking wil nemen bij het berekenen van zijn legitieme portie en deze eventueel zelfs wil inkorten zal nog een tweede horde moeten nemen, te weten de kwalificatie van de inbreng als een gift in de zin van artikel 4:67 BW. Zoals hiervoor reeds aangenomen komt in mijn ogen, aannemend dat de inbrenger zorgvuldig genoeg gepland heeft en voldoende geluk heeft gehad om langer dan vijf jaar na de inbreng te overlijden, slechts de categorie giften onder a in beeld, waar de inbreng eventueel onder gebracht kan worden. Dit betreft de giften die kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld. Ik zal hierna spreken van de “benadelende gift”. De parlementaire toelichting op deze bepaling is helaas summier, hetgeen ertoe leidt dat geen duidelijke interpretatie hiervan voorhanden is.
De tekst van het Ontwerp Meijers luidde op dit punt:
giften, die kennelijk zijn gedaan met de wetenschap, dat daardoor legitimarissen worden benadeeld;1
In de Toelichting Meijers was bij deze oorspronkelijke bepaling opgemerkt dat voor een benadelende gift bewezen diende te worden dat op het ogenblik van de gift reeds vaststond dat de gift boven het beschikbare deel van het vermogen van de gever uitging. Dit is derhalve een behoorlijk zware bewijslast.
Tijdens het wetgevend proces is zijn evenwel twee wijzigingen aangebracht namelijk in “gedaan en aanvaard” en “vooruitzicht” in plaats van wetenschap. Dit naar aanleiding van bezwaren van de Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer dat sprake zou zijn van bewijsmoeilijkheden en dat rekening gehouden diende te worden met de positie van de begiftigde, als gevolg waarvan de Commissie de bepaling wilde schrappen.2 Ter toelichting van de wijzigingen is allereerst opgemerkt dat dit laatste gedaan is door het vereiste te stellen dat ook de begiftigde begreep dat de gift een of meer legitimarissen zou benadelen, terwijl voorts “wetenschap” is vervangen door “vooruitzicht”, aangezien het eerste in strikte zin genomen vrijwel nooit bewijsbaar zou zijn. De bepaling is evenwel gehandhaafd omdat zij naar de mening van de wetgever moeilijk gemist kon worden ter bescherming van legitimarissen tegen
sprekende gevallen van – gelet op de vermogensomstandigheden en vooruitzichten – zo exorbitante giften, dat het partijen wel duidelijk moet zijn geweest dat de schenker als gevolg van de gift zijn legitimarissen weinig of niets zou nalaten.
Een exacte maatstaf als overschrijding van een kwart van het vermogen van de erflater op het moment van de gift is bewust vermeden, omdat de wetgever als gevolg daarvan onbillijkheden en onoplosbare geschillen voorzag.3
Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer is ten slotte gevraagd of het aan te leggen criterium in het geval van een benadelende gift niet beperkt zou moeten blijven tot de omvang van de gift in combinatie met de omstandigheid dat de schenker zou moeten hebben begrepen dat de gift zou leiden tot de benadeling van legitimarissen. De eis dat ook de begiftigde dit had (kunnen) begrijpen zou te zwaar zijn. Dit laatste vereiste is evenwel gehandhaafd; de wetgever bleef van mening dat de benadelende giften beperkt zouden moeten blijven tot giften van een zodanig exorbitante omvang dat het partijen wel duidelijk moet zijn geweest dat de schenker als gevolg daarvan zijn legitimarissen weinig of niet zou nalaten.4
Uit deze toelichting wordt derhalve weinig meer duidelijk dan dat zowel de schenker als de begiftigde zich bewust moesten zijn van de omstandigheid dat de gift de legitimarissen zou benadelen en dat daarvoor de omvang van de gift in relatie tot de omvang van het vermogen van de schenker, waarbij de gift een zodanige omvang moet hebben dat het partijen niet kan ontgaan dat de schenker onvoldoende vermogen overhoudt voor de voldoening van de legitieme portie van zijn legitimarissen, (mede) bepalend is. Dit biedt derhalve weinig aanknopingspunten voor de interpretatie van de bepaling, aangezien de discussie zelden over de grensgevallen zal gaan.
Ook in de jurisprudentie komt artikel 4:67 sub a BW eigenlijk niet aan bod. De enige mij bekende uitspraak betreft die van Rechtbank Haarlem van 14 maart 2007.5 Dit betrof een geschil tussen de kinderen/legitimarissen van Anton Heijboer en diens vier levensgezellen. De kunstenaar had de door hem vervaardigde kunstwerken overgedragen aan een VOF met de levensgezellen als vennoten, tegen een volgens de legitimarissen tegen een zodanig lage prijs dat sprake was van giften. De waardering daargelaten, heeft de rechtbank te oordelen over de vraag of de (eventuele) giften in aanmerking genomen moeten worden bij de berekening van de legitieme porties op grond van artikel 4:67 sub a BW. De rechtbank oordeelt op grond van de hiervoor weergegeven toelichting in de Eerste Kamer dat het relevante criterium niet is of partijen bij de gift zich bewust waren van de begiftiging en de daarmee samenhangende benadeling van de legitimarissen, maar of zij zich daarvan bewust behoorden te zijn.6 Men kan zich afvragen of de rechtbank daarmee de lat voor de legitimarissen niet lager legt dan de wetgever voor ogen had. Kolkman lijkt in elk geval die mening toegedaan en staat een restrictieve interpretatie van artikel 4:67 sub a BW voor.7
De vraag is dan wat het voorgaande betekent voor de inbreng van vermogen in een APV. De focus heeft in de parlementaire behandeling steeds gelegen op de disproportionele omvang van de gift in verhouding tot het totale vermogen van de schenker en niet op de intentie van partijen bij de schenking, wellicht omdat een expliciete intentie om legitimarissen te benadelen mogelijk wel aanwezig kan zijn, maar doorgaans niet te bewijzen is. Dan moet men terugvallen op de omstandigheid dat de inbrenger een zodanig gedeelte van zijn vermogen inbrengt, dat men er niet om heen kan dat dit diens legitimarissen benadeelt. Bij het gebruik van een APV als beschermingsfiguur lijkt een zodanig bewijs mij overigens wel haalbaar: om het APV als zodanig effectief te laten zijn, zou (nagenoeg) het volledige vermogen ingebracht moeten worden en in dat geval is een dergelijke wanverhouding aanwezig. Wellicht dat de inbrenger dit risico enigszins zou kunnen beperken door middel van een inbreng in tranches, zodat in elk geval de eerste tranches zijn vermogen niet zodanig aantasten dat hierdoor de voldoening van een theoretische legitieme portie in gevaar komt. Dan komt evenwel de vraag op, op welk moment het vooruitzicht van benadeling van de legitimarissen getoetst dient te worden. Ik zou zeggen op het moment van de (vermeende) gift, waarbij latere kennis bij partijen, en met name de begiftigde, niet relevant is. Desalniettemin lijkt het mij niet zeker dat in een dergelijk geval de eerste tranches buiten schot zouden blijven, vanwege de omstandigheid dat bij de inbreng in een APV, zo niet daadwerkelijk sprake is van een vooropgezet plan, men snel de schijn van samenspanning tegen zal hebben, hetgeen zich in het oordeel van een rechter wellicht vertaalt in het in aanmerking nemen van alle giften.
De literatuur over artikel 4:67 sub a BW, zeker in relatie tot de inbreng van vermogen in een (vorm van) APV, is beperkt. Voorts lopen de meningen ook op dit punt uiteen:
Ebben8 meent dat uit de behandeling bij de Eerste Kamer volgt dat onder “kennelijk gedaan en aanvaard” verstaan moet worden dat zowel bij de erflater als de begiftigde de opzet tot benadeling bij de legitimaris aanwezig moet zijn en hij merkt voorts op dat van een zodanige benadeling tijdens het leven van de erflater nooit sprake kan zijn, omdat (i) het uiteindelijke vermogen van de erflater niet vaststaat en (ii) de legitimarissen bovendien tijdens het leven van de erflater nog geen aanspraak hebben. Zijns inziens zal de interpretatie in de praktijk uitkomen tussen twee uitersten: enerzijds dat alle giften benadelend zijn, omdat ten slotte uiteindelijk na overlijden de legitimaris benadeeld kan blijken te hebben en anderzijds dat niemand geacht kan worden een vooruitzicht van benadeling te hebben, zodat de eis zodanig streng is dat geen enkele gift er onder valt. Hij meent dat het voor een werkbare toepassing in de praktijk noodzakelijk is dat de wetenschap van benadeling bij de erflater verondersteld mag worden en dat daaraan bij de begiftigde geen al te hoge eisen mogen worden gesteld. Voorts is hij van mening dat de omvang van de gift met zich kan brengen dat de begiftigde een vooruitzicht van benadeling zou moeten vermoeden.9
Veltman10 merkt op dat het bij giften in de zin van artikel 4:67 sub a BW niet alleen moet gaan om de wetenschap van benadeling van de legitimaris, maar ook om een opzettelijke benadeling. Vanwege de formulering “kennelijk” dient dit objectief bekeken te worden. Het lijkt hem echter lastig om te bewijzen dat benadeling van legitimarissen het doorslaggevende motief is geweest bij een inbreng in een familiestichting. Bovendien is vereist dat de aanvaarding ook gedaan is met het opzettelijke doel van benadeling.
Van Mourik11 gaat in op een rechtsvraag met betrekking tot een erflater die schenkingen van een zodanige omvang heeft gedaan, dat deze zelfstandig geen schending van de legitieme portie van zijn zoon inhouden, maar in combinatie met de inhoud van het, voorafgaand aan het doen van de schenkingen gemaakte, testament wel. Vraag is of voor de beoordeling of de giften onder artikel 4:67 sub a BW vallen rekening gehouden moet worden met de inhoud van het testament of niet. Van Mourik vult de toets ter zake als volgt in: (i) het gebruik van het woord “kennelijk” in de wettekst duidt op een objectivering en verwijst naar het redelijke oordeel van een buitenstaander, (ii) “gedaan en aanvaard” impliceert dat het oordeel zowel betrekking moet hebben op de schenker als op de begiftigde en (iii) “vooruitzicht” is zwakker van inhoud dan “bedoeling”. Met andere woorden: de vraag is of de schenker enerzijds en de begiftigde anderzijds naar objectieve maatstaven in redelijkheid moesten vermoeden dat de schenkingen de legitimaris zouden benadelen in zijn legitimaire positie. De omvang van de schenkingen12 had in de ogen van Van Mourik de begiftigden in casu aan het denken moeten zetten en hij concludeert dat inderdaad sprake is van benadelende giften. De vraag of de inhoud van het testament hierbij nog een rol speelt wordt overigens niet beantwoord, maar ik zou menen van niet: de begiftigde zal hier in principe niet van op de hoogte zijn (althans dat leek in casu niet het geval), zodat dit gegeven niet gebruikt kan worden bij het invullen van de verwachting die de gift op de positie van de legitimaris kan hebben aan diens zijde.
Roelofs13 is van mening dat, zelfs indien men echter zou aannemen dat de inbreng van vermogen in de trust kwalificeert als gift, artikel 4:67 sub a BW niet van toepassing is, omdat ook de begiftigde de bedoeling moet hebben gehad om de legitimaris te benadelen. Aangezien de trustee veelal in het buitenland gevestigd zal zijn en derhalve niet bekend is met het Nederlandse erfrecht en de legitieme portie, zal deze de inbreng niet aanvaarden met de bedoeling om legitimarissen te benadelen.14
Waaijer15 acht ten slotte bij de toepassing van artikel 4:67 sub a BW van belang of aan de legitieme portie in combinatie met deze bepaling voldoende recht wordt gedaan en hij ziet deze categorie giften als één die misbruik probeert te bestrijden en waarbij een extensieve uitleg gepast is. Hij meent dat de bepaling zijn waarde kan bewijzen bij de inbreng van vermogen in een trust. De bepaling vereist zijns inziens ten minste de schijn van samenspanning, aangezien ook aannemelijk moet zijn dat de begiftigde begreep of had moeten begrijpen dat de gift legitimarissen zou benadelen. Waaijer neemt daarbij kennelijk zonder meer aan dat de inbreng als gift gekwalificeerd kan worden. Hij meent dat bij een buitenlandse trustee, zo men deze als begiftigde zou willen zien, een dergelijke schijn van samenspanning als regel aangenomen mag worden, aangezien een dergelijke trustee in het kader van zijn onderzoek naar de achtergrond van de trust geacht mag worden bekend te zijn met de legitieme portie.
Het voorgaande in aanmerking nemend, is mijns inziens niet met zekerheid te zeggen of de inbreng van vermogen in een APV binnen het bereik van artikel 4:67 sub a BW kan vallen. Uiteraard zal dit ook afhangen van de feitelijke omstandigheden. Het succesvol laten zijn van het APV als beschermingsfiguur impliceert echter dat de inbrenger (nagenoeg) zijn gehele vermogen in dient te brengen, aangezien het niet ingebrachte vermogen ter vrije beschikking zal komen van diegenen voor wie de bescherming is ingesteld. Dan is naar mijn mening in principe sprake van een zodanig exorbitante inbreng dat, aannemend dat de inbreng als gift gezien zou moeten worden, deze ook aangemerkt moet worden als benadelende gift.