Parketnummer 20-000166-23. Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHSHE:2023:3174.
HR, 17-03-2026, nr. 23/03792
ECLI:NL:HR:2026:443
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-03-2026
- Zaaknummer
23/03792
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:443, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑03‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1236
ECLI:NL:PHR:2025:1236, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:443
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑04‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0090
Uitspraak 17‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Medeplegen valsheid in geschrift, art. 225.2 Sr. Bewijsklacht opzet. Kon hof oordelen dat sprake was van voorwaardelijk opzet op gebruik van vervalst document (verklaring omtrent gezinsinschrijving in bevolkingsregister), nu verdachte een aanvraag voor verblijfsvergunning heeft ingediend zonder bijlagen te controleren? Aan oordeel dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij aanvraag een vervalst document was gevoegd en dat hij daardoor vervalst document zou indienen, heeft hof ten grondslag gelegd dat van aanvragers van verblijfsvergunning mag worden verwacht dat zij nodige zorgvuldigheid betrachten bij indienen van zo’n aanvraag en zelf authenticiteit van de bij aanvraag gevoegde documenten controleren, en dat verdachte de aanvraag, met daarbij behorende bijlagen, heeft ondertekend en heeft ingediend, terwijl zonneklaar is dat deze bijlagen doorslaggevend zijn voor beoordeling van aanvraag. ’s Hofs oordeel is (mede gelet op wat namens verdachte is aangevoerd) niet toereikend gemotiveerd. Uit enkele omstandigheid dat verdachte niet zorgvuldigheid die van aanvrager van verblijfsvergunning mag worden verwacht, in acht heeft genomen, volgt nog niet dat hij daarmee bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij aanvraag vervalst document was gevoegd. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/03794.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03792
Datum 17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 september 2023, nummer 20-000166-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.C. Vingerling bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’sHertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het gebruikmaken van een vervalst geschrift.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op of omstreeks 21 juli 2015 in [plaats] tezamen en in vereniging met een ander,
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst geschrift, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, als het ware het geschrift echt en onvervalst, te weten:
- verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister [plaats] (DOC-019-03),
door genoemd geschrift te overleggen en/of te verstrekken aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst ter verkrijging van een verblijfsvergunning, en bestaande die vervalsing daarin dat op/in het genoemde geschrift is vermeld dat:
- verdachte samen met [betrokkene 1] woonachtig en ingeschreven was in [plaats] , terwijl verdachte nimmer in [plaats] woonachtig en ingeschreven is geweest.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een schriftelijk bescheid, te weten een door de verdachte ondertekende Aanvraag toetsing aan EU-recht d.d. 20 juli 2015 (DOC-013-23), dossierpagina 140-143, voor zover inhoudende:
Als u een familie- of gezinslid van een burger van de Unie bent en u heeft zelf niet de nationaliteit van één van bovengenoemde landen dan moet u met dit formulier een aanvraag indienen om toetsing aan het EU-recht en afgifte van een verblijfsdocument EU voor verblijf bij een burger van de Unie (uw verblijfgever). U bent verplicht om een aanvraag om toetsing aan het EU-recht in te dienen. U moet namelijk kunnen aantonen dat u legaal in Nederland verblijft en met welk verblijfsdoel dat is.
1 Gegevens van de aanvrager (houder van het verblijfsdocument)
Naam [verdachte]
Geslacht en geboortedatum Man, [geboortedatum] /1976
Geboorteplaats [geboorteplaats]
Geboorteland [geboorteplaats]
Nationaliteit Marokkaanse
2 Doel van het verblijf in Nederland
U bent een (niet uit de EU afkomstig) familielid van een burger van de Unie (niet zijnde een Nederlander)
[X] (niet uit de EU afkomstige) echtgeno(o)te/(geregistreerd) partner van een burger van de Unie (niet zijnde een Nederlander)
Lever bij uw aanvraag de volgende aanvullende bewijsstukken en documenten in: (...)
In het geval van een relatie, lever dan ook mee
- Bewijsmiddelen waaruit naar voren komt dat u een duurzame relatie onderhoudt met de burger van de Unie. Dit blijkt uit het feit dat u reeds gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voert of recentelijk heeft gevoerd. Indien de samenwoning niet in Nederland wordt/is gevoerd, toont u dit aan door:
o Een bewijs dat u in het buitenland heeft samengewoond. Hiertoe kunnen de volgende documenten worden overgelegd: een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke administratie (...)
3 Ondertekening door de aanvrager
Ik vraag om toetsing aan het EU-recht en afgifte van een bewijs rechtmatig verblijf voor mij/mijn kind/het kind dat ik wettelijk vertegenwoordig. Ik heb dit formulier naar waarheid ingevuld. Ik weet dat de ingevulde persoonsgegevens voor de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 worden verwerkt en worden doorgegeven aan instanties die deze gegevens daarvoor nodig hebben. Wijzigingen in mijn situatie/de situatie van het kind die betrekking hebben op het verblijfsrecht, geef ik direct door aan de IND.
Ik lever dit formulier in.
3.1
Naam [verdachte]
3.2
Plaats en datum Den Haag, 20-07-2015
3.3.
Handtekening [handtekening verdachte]
2. Een schriftelijk bescheid, te weten de Nederlandse vertaling van de verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister [plaats] d.d. 21 april 2015 (DOC-019- 03), dossierpagina 289, voor zover inhoudende:
[plaats]
Afdeling Register en Informatie
VERKLARING OMTRENT GEZINSINSCHRIJVING BEVOLKINGSREGISTER
De op het Bevolkingsregister van deze gemeente aanwezige gegevensbestanden zijn geraadpleegd en gebleken is dat op de dag van heden en op het aangegeven blad de volgende inschrijving voorkomt:
GEGEVENS BEVOLKINGSREGISTER [WONING]:
Soort straat [a-straat 1]
GEGEVENS INSCHRIJVING
Volgnr. Naam en achternamen Geslacht Identiteitsbewijs
1 [betrokkene 1] V Nat. Ident.bewijs
D.N.I.
Datum inschr. Geboortedatum Geboorteplaats Nationaliteitsland Nummer Letter
[geboortedatum] /1985 [geboortedatum] /1985 [plaats] SPANJE […]
Volgnr. Naam en achternamen Geslacht Identiteitsbewijs
3 [verdachte]
Datum inschr. Geboortedatum Geboorteplaats Nationaliteitsland Nummer Letter
6/6/2014 [geboortedatum] /1976 [plaats] […]
DATUM DOCUMENT 21/04/2015 10:03:34
DOCUMENT VERKLARING OMTRENT INDIVIDUELE INSCHRIJVING BEVOLKINGSREGISTER
DIENST REGISTER EN INFORMATIE VAN DE [plaats]
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 november 2020 (documentcode AMB-001-01), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :
Op 21 juli 2015 heeft [verdachte] fysiek een aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend voor zijn verblijf bij zijn EU-partner [betrokkene 1] . Op de beschikking is vermeld dat betrokkene de aanvraag op 21 juli 2015 bij het IND-loket [plaats] heeft ingediend.
4. Een schriftelijk bescheid, te weten een Nederlandse vertaling van de officiële brief van het Directoraat-Generaal van de Politie, Verbindingseenheid van de Afdeling voor Internationale Samenwerking van het Openbaar Ministerie, d.d. 20 maart 2020 (DOC-049-04 / OEIP 73/2020-A), bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2022 (proces-verbaalnummer 6640-2017-1631), voor zover inhoudende:
Met betrekking tot het document van uw referentie, wordt medegedeeld dat de identificatie en de woonplaats van de verdachten als volgt zijn:
• [verdachte] , zonder gegevens in Spanje.
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2022, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :
Inzake de volgende koppels zijn Spaanse verklaringen omtrent inschrijving bevolkingsregister in hun IND dossier aangetroffen:
• [verdachte] - [betrokkene 1] (DOC-019-03)
Middels een Europees Onderzoeksbevel (EOB), ingediend op 25 januari 2020, is aan de Spaanse autoriteiten verzocht om een (historische) bevraging in het bevolkingsregister van Spanje, alsmede de authenticiteit van de Spaanse documenten (verklaringen omtrent inschrijving bevolkingsregister), uit te voeren om zodoende controleerbaar te maken of er daadwerkelijk een duurzame samenleving heeft plaatsgevonden en/of de Spaanse documenten echt, dan wel vals en/of vervalste documenten betreffen.
Op 24 november 2020 is er door onderzoeksteam Abilene een antwoord vanuit Spanje ontvangen inzake het ingediende EOB (DOC-049-02-01 en DOC-049-02-02) waarvan vervolgens op 25 november 2020 het zakelijke gedeelte (DOC-049-03) is ingediend ter vertaling naar de Nederlandse taal. De officiële beëdigde en ondertekende vertaling (DOC-049-04) is door het onderzoeksteam Abilene op 4 december 2020 ontvangen. Uit het antwoord inzake het ingediende EOB blijkt het volgende:
“Met betrekking tot het document van uw referentie, wordt medegedeeld dat de identificatie en de woonplaats van de verdachten als volgt zijn:
• [verdachte] , zonder gegevens in Spanje.”
Zoals in het EOB staat vermeld bestaan er inzake [verdachte] , geen gegevens in Spanje. Hierdoor kan worden gesteld dat de ingediende verklaring omtrent inschrijving bevolkingsregister Spanje, welke als bewijsstuk als echt en onvervalst bij de IND tijdens de procedure aanvraag tot rechtmatig verblijf in Nederland is ingediend een vals, dan wel vervalst document betreft. Concreet kan gesteld worden dat het volgende ingediende document bij de IND een vals, dan wel vervalst exemplaar betreft:
• Verklaring inschrijving bevolkingsregister inzake [verdachte] – [betrokkene 1] (DOC-019-03)
Door het indienen van valse, dan wel vervalste verklaringen omtrent inschrijving bevolkingsregister, met het oogmerk deze verklaringen als echt en onvervalst te gebruiken voor de aanvraag tot rechtmatig verblijf in Nederland, heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, strafbaar gesteld in artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.
6. Een schriftelijk bescheid (dossierpagina’s 154-196), te weten een verslag hoorzitting Immigratie- en Naturalisatiedienst d.d. 17 december 2015, dossierpagina’s 154-196, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
2. Verslag zitting betrokkene
(Pagina 154)
Achternaam bij geboorte betrokkene : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboortedatum : [geboortedatum] 1976
(Pagina 166)
Heeft [betrokkene 1] ooit op uw adres ingeschreven gestaan in [plaats] ?
Ze (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) stond niet ingeschreven bij mij. Ik leefde formeel zonder adres.”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar onder meer aangevoerd:
“Graag verwijs ik naar pagina 10 van procesdossier 5, rechts bovenin. Hier is een verslag opgenomen van het gesprek dat is gevoerd met cliënt en zijn toenmalige partner, waarin een aantal keren benoemd wordt dat een derde betrokken is geweest bij de aanvraag van de verblijfsvergunning. Cliënt is immers de Nederlandse taal niet machtig en derhalve was hij niet in staat om zelfstandig de aanvraag in te dienen. Dat de handtekening onder de aanvraag die van cliënt is, wordt door de verdediging niet bestreden.
(...)
De belangrijkste vraag is of cliënt opzet heeft gehad op het indienen van het vervalste document. Mij is in dat verband opgevallen dat cliënt de Nederlandse taal niet machtig is. Voorts is mij opgevallen dat de aanvraag in het Nederlands is opgesteld en dat het dus niet anders kan zijn dan dat cliënt bij het indienen van de aanvraag hulp heeft gehad. Cliënt heeft zelf verklaard dat een derde partij zich over de voor de aanvraag voor Toetsing aan het EU-recht benodigde bijlagen moet hebben ontfermd. Verdachte heeft slechts de aanvraag ondertekend. Hoewel steeds wordt gehamerd op het feit dat de verdachte de aanvraag heeft ondertekend, betekent dit enkele feit niet dat cliënt in strafrechtelijke zin verantwoordelijk is voor de documenten die bij die aanvraag zijn gevoegd. Het is de vraag of cliënt zicht heeft gehad op die bijlagen. Nu cliënt de Nederlandse taal niet machtig is en hij hulp heeft gehad bij het indienen van de aanvraag, meen ik dat niet vastgesteld kan worden dat cliënt zelf vervalste stukken heeft overlegd of wist dat vervalste stukken als bijlage gevoegd werden bij de aanvraag. Om opzet te kunnen bewijzen, had cliënt rekening moeten houden met de aanmerkelijke kans dat vervalste documenten bij de aanvraag werden gevoegd. Er lijkt een grotere organisatie werkzaam te zijn achter het indienen van de aanvragen, maar daarmee is niet gezegd dat cliënt hiermee bekend was. Om op grond van de wens van cliënt om naar Nederland te gaan, voorwaardelijk opzet te constateren, gaat mijns inziens te ver. Tot slot kan nog de vraag worden gesteld of cliënt redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de documenten vervalst waren. Dit omvat echter geen opzet, zelfs niet in voorwaardelijke zin. Concluderend valt niet vast te stellen dat het opzet van cliënt was gericht op het indienen van een vervalst document.”
2.2.4
Het hof heeft over dit verweer overwogen:
“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op het gebruik van de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister, nu niet de verdachte, maar een derde partij zich over de voor de Aanvraag Toetsing aan het EU-recht benodigde bijlagen moet hebben ontfermd. De verdachte ging er in goed vertrouwen van uit dat deze partij de juiste formulieren zou overleggen en was er derhalve niet van op de hoogte dat de verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister een vervalst geschrift betrof.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het strafdossier, alsmede het verhandelde ter terechtzitting, volgt dat de verdachte op 20 juli 2015 een Aanvraag Toetsing aan het EU-recht heeft ingevuld en dat hij deze met bijlagen op 21 juli 2015 fysiek heeft ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Op grond van deze aanvraag is vereist dat de aanvrager aantoont dat hij een duurzame relatie onderhoudt met een burger van de Europese Unie. Een van de manieren om een duurzame relatie aan te tonen, is door overlegging van een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke administratie, zodat bewezen kan worden dat de aanvrager met een burger van de Europese Unie in het buitenland heeft samengewoond. Als bijlage bij de Aanvraag Toetsing aan het EU-recht van de verdachte is een verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister gehecht, waarin staat vermeld dat de verdachte sinds 6 juni 2014 ingeschreven stond in [plaats] (Spanje). Uit schriftelijke bescheiden van de Spaanse autoriteiten is echter gebleken dat de verdachte nimmer in Spanje in het bevolkingsregister ingeschreven heeft gestaan. Naar het oordeel van het hof is er aldus sprake van een vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Door dit document bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst in te dienen, heeft de verdachte gebruik gemaakt van het valse geschrift.
Het hof acht bewezen dat verdachte hierin niet alleen heeft gehandeld en dat hij in ieder geval voor deze constructie medewerking heeft gekregen van een ander, zijn beweerdelijke partner.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – had op het gebruik van voornoemd vervalst geschrift. In dat verband stelt het hof voorop dat van aanvragers van een verblijfsvergunning, mede gelet op het belang dat zij hebben bij de procedure, verwacht mag worden dat zij de nodige zorgvuldigheid betrachten bij het indienen van een dergelijke aanvraag en zelf de authenticiteit van de bij de aanvraag gevoegde documenten controleren. Door een Aanvraag Toetsing aan het EU-recht te ondertekenen, waarbij bijlagen zijn gevoegd, waarvan zonneklaar is dat deze doorslaggevend zijn voor de beoordeling van de aanvraag, en deze aanvraag inclusief bijlagen vervolgens in te dienen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst met het doel een verblijfsdocument voor zichzelf te verkrijgen, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de aanvraag een vervalst document was gevoegd en hij derhalve een vervalst document, als ware het echt en onvervalst, zou indienen. Daarmee heeft verdachte, naar het oordeel van het hof, voorwaardelijk opzet gehad op het gebruik van de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister.
Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer.”
2.3
Aan het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij de aanvraag een vervalst document was gevoegd en dat hij daardoor een vervalst document zou indienen, heeft het hof ten grondslag gelegd dat van aanvragers van een verblijfsvergunning mag worden verwacht dat zij de nodige zorgvuldigheid betrachten bij het indienen van zo’n aanvraag en zelf de authenticiteit van de bij de aanvraag gevoegde documenten controleren, en dat de verdachte de aanvraag, met de daarbij behorende bijlagen, heeft ondertekend en heeft ingediend, terwijl het zonneklaar is dat deze bijlagen doorslaggevend zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Dit oordeel van het hof is – mede gelet op wat namens de verdachte is aangevoerd – niet toereikend gemotiveerd. Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte niet de zorgvuldigheid die van een aanvrager van een verblijfsvergunning mag worden verwacht, in acht heeft genomen, volgt nog niet dat hij daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij de aanvraag een vervalst document was gevoegd.
2.4
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.
Conclusie 11‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift omtrent gezinsinschrijving in Spaans bevolkingsregister ter verkrijging van een verblijfsvergunning. Art. 225.2 Sr. Middel over opzet op gebruikmaking van vervalst geschrift. Dat van verdachte 'verwacht mag worden' dat hij aanvraag controleerde voor ondertekening en indiening, is niet zonder meer voldoende voor oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak. Samenhang met 23/03794.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03792
Zitting 11 november 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 20 september 2023 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch1.wegens "medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst", veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 171 uren, subsidiair 85 dagen hechtenis.
1.2
Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de [medeverdachte] (23/03794), in welke zaak ik vandaag ook zal concluderen.
1.3
Namens de verdachte heeft A.C. Vingerling, advocaat in Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst document.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“Op of omstreeks 21 juli 2015 in [plaats] tezamen en in vereniging met een ander,
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst geschrift, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, als het ware het geschrift echt en onvervalst, te weten:
- verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister [plaats] (DOC-019-03),
door genoemd geschrift te overleggen en/of te verstrekken aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst ter verkrijging van een verblijfsvergunning, en bestaande die vervalsing daarin dat op/in het genoemde geschift is vermeld dat:
- verdachte samen met [betrokkene 1] woonachtig en ingeschreven was in [plaats] , terwijl verdachte nimmer in [plaats] woonachtig en ingeschreven is geweest.”
2.3
Het hof heeft het bewijsverweer van de raadsman als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op het gebruik van de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister, nu niet de verdachte, maar een derde partij zich over de voor de Aanvraag Toetsing aan het EU-recht benodigde bijlagen moet hebben ontfermd. De verdachte ging er in goed vertrouwen van uit dat deze partij de juiste formulieren zou overleggen en was er derhalve niet van op de hoogte dat de verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister een vervalst geschrift betrof.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het strafdossier, alsmede het verhandelde ter terechtzitting, volgt dat de verdachte op 20 juli 2015 een Aanvraag Toetsing aan het EU-recht heeft ingevuld en dat deze met bijlagen op 21 juli 2015 fysiek heeft ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Op grond van deze aanvraag is vereist dat de aanvrager aantoont dat hij een duurzame relatie onderhoudt met een burger van de Europese Unie. Een van de manieren om een duurzame relatie aan te tonen, is door overlegging van een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke administratie, zodat bewezen kan worden dat de aanvrager met een burger van de Europese Unie in het buitenland heeft samengewoond. Als bijlage bij de Aanvraag Toetsing aan het EU-recht van de verdachte is een verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister gehecht, waarin staat vermeld dat de verdachte sinds 6 juni 2014 ingeschreven stond in [plaats] (Spanje). Uit schriftelijke bescheiden van de Spaanse autoriteiten is echter gebleken dat de verdachte nimmer in Spanje in het bevolkingsregister ingeschreven heeft gestaan. Naar het oordeel van het hof is er aldus sprake van een vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Door dit document bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst in te dienen, heeft de verdachte gebruik gemaakt van het valse geschrift.
Het hof acht bewezen dat verdachte hierin niet alleen heeft gehandeld en dat hij in ieder geval voor deze constructie medewerking heeft gekregen van een ander, zijn beweerdelijke partner.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte opzet - al dan niet in voorwaardelijke zin - had op het gebruik van voornoemd vervalst geschrift. In dat verband stelt het hof voorop dat van aanvragers van een verblijfsvergunning, mede gelet op het belang dat zij hebben bij de procedure, verwacht mag worden dat zij de nodige zorgvuldigheid betrachten bij het indienen van een dergeIijke aanvraag en zelf de authenticiteit van de bij de aanvraag gevoegde documenten controleren. Door een Aanvraag Toetsing aan het EU-recht te ondertekenen, waarbij bijlagen zijn gevoegd, waarvan zonneklaar is dat deze doorslaggevend zijn voor de beoordeling van de aanvraag, en deze aanvraag inclusief bijlagen vervolgens in te dienen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst met het doel een verblijfsdocument voor zichzelf te verkrijgen, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de aanvraag een vervalst document was gevoegd en hij derhalve een vervalst document, als ware het echt en onvervalst, zou indienen. Daarmee heeft verdachte, naar het oordeel van het hof, voorwaardelijk opzet gehad op het gebruik van de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister.”
2.4
In de voorliggende zaak is de bewezenverklaring gebaseerd op art. 225 lid 2 Sr, dat – voor zover hier van belang – strafbaar stelt het opzettelijk gebruik maken van een valselijk opgemaakt of vervalst geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst. Dit betekent dat het opzet van de verdachte gericht moet zijn op het vals of vervalst zijn van het stuk. Voor een bewezenverklaring is voorwaardelijk opzet voldoende.2.
2.5
In een enigszins vergelijkbare zaak die voorlag in HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:544, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de verdachte op het moment dat hij de werkgeversverklaringen bij de hypotheekofferte voegde "niet alleen [had] kunnen maar ook [had] moeten zien" dat de verklaringen onjuist waren ingevuld, de gevolgtrekking dat de verdachte daarvan met opzet gebruik heeft gemaakt, niet kan dragen.
2.6
In die zaak had het hof voor de invulling van het voorwaardelijk opzet een redenering gebruikt die eerder past bij culpa. Voor het onderscheid tussen voorwaardelijk opzet en culpa is van belang dat voorwaardelijk opzet het ‘bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat het gevolg intreedt’ behelst, terwijl culpa het ‘verwijtbaar aanmerkelijke onvoorzichtig handelen ten aanzien van een gevolg’ inhoudt. Het verschil komt er vooral op neer dat men bij culpa met betrekking tot het gevolg ‘verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig’ is, terwijl het gevolg bij voorwaardelijk opzet ‘bewust wordt aanvaard’.3.
2.7
Onder omstandigheden kan het ‘nalaten van onderzoek’ voorwaardelijk opzet opleveren. Dit is het geval indien het bewijs van opzet kan worden gebaseerd op een onderzoeksplicht die samenhangt met de verhoogde alertheid die de mens in een bepaalde context dient te hebben, gezien de min of meer geijkte risico’s die daaraan, naar de ervaringsregels uitwijzen, zijn verbonden.4.Dit laat onverlet dat op die constructie de ‘bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans’ moet kunnen worden gebaseerd.5.
2.8
Het nalaten van onderzoek kan dus zowel opzet als culpa opleveren. Van voorwaardelijk opzet zal sprake kunnen zijn indien geen onderzoek is gedaan omdat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg ‘op de koop toenam’. Indien de verdachte ervan uitgaat dat een gevolg niet intreedt, zal sprake kunnen zijn van culpa. Het vertrouwen op een ander kan in dat licht bezien onder omstandigheden culpa opleveren.
2.9
Zoals al aangegeven, klaagt het middel over het oordeel van het hof dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst document. Door de raadsman van de verdachte is in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op het gebruik van de vervalste verklaring omtrent de gezinsinschrijving in het Spaanse bevolkingsregister, nu de verdachte de Nederlandse taal niet machtig is, terwijl de aanvraag in het Nederlands is opgesteld en een derde partij zich over de voor de aanvraag benodigde bijlagen moet hebben ontfermd.
2.10
Het hof heeft vooropgesteld dat van aanvragers van een verblijfsvergunning “verwacht mag worden” dat zij de nodige zorgvuldigheid betrachten bij het indienen van een aanvraag en zelf de authenticiteit van de bij de aanvraag gevoegde documenten controleren. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de verdachte “door een Aanvraag Toetsing aan het EU-recht te ondertekenen, waarbij bijlagen zijn gevoegd, waarvan zonneklaar is dat deze doorslaggevend zijn voor de beoordeling van de aanvraag, en deze aanvraag inclusief bijlagen vervolgens in te dienen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst met het doel een verblijfsdocument voor zichzelf te verkrijgen […] bewust de aanmerkelijke kans [heeft] aanvaard dat bij de aanvraag een vervalst document was gevoegd”.
2.11
Het hof heeft bewezen geacht dat de verdachte in ieder geval voor “deze constructie” medewerking heeft gekregen van zijn beweerdelijke partner. Aan het oordeel van het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het indienen van een vals stuk, ligt (daarmee) in de kern ten grondslag dat de verdachte minst genomen ten onrechte heeft vertrouwd op een ander en de ondertekende en ingediende aanvraag vooraf niet gecontroleerd heeft, terwijl dat van hem wel “verwacht mag worden”. Dit is echter niet zonder meer voldoende voor het oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Het oordeel van het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het gebruik van een vervalst document, steunt daarmee op een grond die het niet kan dragen en is – mede in het licht van hetgeen door het hof is vastgesteld en ten verwere is aangevoerd – niet zonder meer begrijpelijk.
2.12
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen. Voor de volledigheid merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 2 oktober 2023. Daarmee is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. De schending van de redelijke termijn in de cassatiefase zal evenwel aan de orde kunnen worden gesteld na terugwijzing van de zaak.6.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑11‑2025
Zie de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Harteveld, ECLI:NL:PHR:2018:90, onder 7.3.
J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 260 (opzet) en p. 288 (culpa).
C. Kelk, Studieboek materieel strafrecht, achtste druk bewerkt door F. de Jong, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 271. Zie ook punt 2 van de annotatie van B.F.Keulen onder HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2766, NJ 2017/85. Keulen wijst onder meer op HR 5 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:AB9221, NJ 1992/269.
J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 272. Zij wijzen daarbij op HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6140.
HR 17 juni 2008, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.5.3.
Beroepschrift 03‑04‑2024
CASSATIESCHRIFTUUR
Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: 23/03792
Schriftuur houdende één middel van cassatie
Van: mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, kantoorhoudende aan de Croeselaan 244 te Utrecht (3521 CL), Boumanjal & Vingerling Advocaten.
In de zaak van:
De heer [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1976 en wonende aan de [adres] te [woonplaats] ([postcode]), verzoeker tot cassatie van het door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 20 september 2023 onder het parketnummer 20-000166-23 uitgesproken arrest.
Middel
Er is sprake van schending van het recht en / of van verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO, waarvan de niet naleving nietigheid met zich meebrengt.
In het bijzonder heeft het hof ten onrechte, althans onder gebruikmaking van een tekortschietende motivering, geoordeeld dat klager opzettelijk gebruikt heeft gemaakt van een vervalst document als bedoeld in artikel 225 Sr lid 2.
Toelichting:
In eerste aanleg is klager vervolgd voor dat hij:
‘op of omstreeks 21 juli 2015 te[a-plaats], althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, als het ware het geschrift echt en onvervalst, te weten — verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister [b-plaats] (DOC- 019-03), door genoemd geschrift te overleggen en/of te verstrekken aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst ter verkrijging van een verblijfsvergunning, en bestaande die valsheid of vervalsing daarin dat op/in het genoemde geschrift is vermeld dat: — verdachte samen met [betrokkene 1] woonachtig en/of ingeschreven was in [b-plaats], terwijl verdachte nimmer in [b-plaats] woonachtig en/of ingeschreven is geweest.’
Namens klager is van meet af aan betoogd dat hij geen weet heeft gehad van het overleggen van de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister [b-plaats]. Desalniettemin is hij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep voor overtreding van het bepaalde in artikel 225 lid 2 Sr veroordeeld, waarvoor — in hoger beroep — een werkstraf van 171 uren aan hem is opgelegd.
Feiten
Klager is in een grootschalig onderzoek, Abilene, als verdachte naar voren gekomen. Vide het proces-verbaal kort dossier Abilene 5, ziend op klager, zou o.a. de heer [medeverdachte 1], maatschappelijk werker, tegen betaling anderen behulpzaam zijn geweest bij het verkrijgen van Nederlandse verblijfsvergunningen (p. 6). Meer specifiek valt op p. 5 — voor zover relevant — het volgende te lezen:
‘Door de IND is aangifte gedaan tegen 27 combinaties van vreemdeling en referent (koppel). Tijdens onderzoek Abilene zijn inzake vijf (5) koppels, als mede inzake verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] specifieke onderzoekshandelingen uitgevoerd die inzichtelijkheid hebben gegeven aan de verdenking dat [medeverdachte 1], tezamen met [medeverdachte 2], uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang van vreemdelingen tot Nederland wetende dat deze toegang wederrechtelijk was, dan wel daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft en daarvan een beroep of gewoonte heeft gemaakt.
Tevens zijn er specifieke onderzoekshandelingen uitgevoerd inzake 5 koppels die inzichtelijkheid hebben gegeven aan de verdenking dat [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] geschriften valselijk heeft opgemaakt, dan wel vervalst heeft en door anderen als echt en onvervalst heeft doen laten gebruiken, alsmede dat de bedrijfsadministratie, waaronder urenregistraties en loonadministratie van de [A] ondernemingen, valselijk is opgemaakt, dan wel is vervalst.’
Klager behoort tot 1 van de 5 koppels waarbij tot verdere vervolging is besloten. Waarom de andere 22 combinaties niet zijn vervolgd, valt niet uit het dossier op te maken (en is in cassatie niet relevant). Over de (keuze tot) vervolging van klager valt het volgende terug te lezen op p. 8:
‘Naar aanleiding van het hoofdonderzoek Abilene is er door de zaaksofficier van justitie, mw.mr. C.H.A. Huisman besloten om tegen de 5 onderzochte vreemdelingen, welke gebruik hebben gemaakt van valse, dan wel vervalste documenten bij hun aanvraag bij de IND, een strafrechtelijk onderzoek in te stellen inzake valsheid in geschrifte (gebruik valse documenten).’
Als gezegd heeft de verdediging zich van meet af op het standpunt gesteld dat klager geen weet heeft gehad van de overlegging van een vals geschrift bij de aanvraag van zijn verblijfsvergunning. Anderen hebben hem in dit traject (tegen betaling) geholpen. In het dossier is hierover o.a. het volgende terug te lezen:
P. 9:
‘Bij beschikking van 22 januari 2016 is de aanvraag om een verblijfsvergunning voor [verdachte] met als doel ‘verblijf bij EU-partner [betrokkene 1]’ per 22 januari 2016 ingewilligd. De begeleider bij de aanvraag van dit koppel bij de IND was [medeverdachte 1]. Een kopie van zijn bankpas is in het dossier van de IND toegevoegd.’
P. 10 (verhoor IND [verdachte]):
‘Hoe is hij met jullie in contact gekomen?
Familie van [verdachte] heeft hem geregeld om ons te helpen met de communicatie omdat ons Nederlands niet goed is.
Daarom hebben we een tolk geregeld.

Hij is een maatschappelijk werker [medeverdachte 1] heeft eerder deze week gebeld om de naam van deze persoon door te geven. Zijn naam weten we niet. [medeverdachte 1] heet hij met de voornaam.
Jawel. Wij moeten een machtiging van te voren hebben zodat wij de naam kunnen doorgeven aan de beveiliging of hij moet die machtiging bij de zitting bij zich hebben en ook dat was niet het geval.
Hij is voor ons gekomen en het is voor hem werk en wij moeten hem betalen. Nu kan hij weer terug.’
P. 11 (verhoor IND [betrokkene 1], toenmalige partner klager):
‘Hulp [medeverdachte 1]
Wat heeft [medeverdachte 1] met uw aanvraag te maken?
Hij helpt met de vertaling van alles. [verdachte] kan zelf niets regelen.
Waarom is hij hier vandaag niet hier maar een onbekende?
Hij moet werken. [medeverdachte 1] doet dit om ons te helpen, en hij weet dat we het alleen niet kunnen redden.
Wie heeft die andere persoon die er vandaag ook is, [medeverdachte 1], geregeld? Hoe bent u aan hem gekomen?’
Tot slot zij nog verwezen naar p. 19, alwaar is terug te lezen dat in de woning van de heer [medeverdachte 1] de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving ziend op klager is aangetroffen, dus dezelfde verklaring als overgelegd bij de aanvraag van de verblijfsvergunning:
‘BEVINDINGEN AANGETROFFEN FYSIEKE DOCUMENTEN WONING [medeverdachte 1]
Inzake het koppel [verdachte] en [betrokkene 1] zijn de volgende documenten fysiek in de woning van [medeverdachte 1] aangetroffen:
- ■
Wijziging rekening omzetten in en/of rekening datum 23-07-2015, waarbij [verdachte] is toegevoegd op bankrekeningnummer [rekeningnummer].
- ■
Geboorte-uittreksel Marokko van [verdachte] met legalisatiestempels
- ■
Brief ING met de verstrekking van de pincode van bankrekeningnummer [rekeningnummer], datum: 30-04-2015
- ■
Ongehuwdverklaring Marokko van [verdachte]met legalisatiestempels
- ■
Uittreksel bevolkingsregister [b-plaats] (individual) van [betrokkene 1], afgegeven op 21-04-2015 te 10:03:34 uur
- ■
Geboorte-akte van [betrokkene 1]
- ■
Brief van ING met gebruikersnaam en wachtwoord voor ‘mijn ING’, betreffende van bankrekeningnummer [rekeningnummer], datum 3 augustus 2015
- ■
Uittreksel van Publiekszaken en aangifte vervolginschrijving gemeente Den Haag van [betrokkene 1]
- ■
Uittreksel bevolkingsregister ‘familiar’ van [betrokkene 1] en [verdachte]. afgegeven op 21-04-2015 te 10:03:34 uur
- ■
Ongehuwdverklaring [b-plaats] van [betrokkene 1] met vertaling
- ■
Geboorte-akte van [betrokkene 1]
- ■
Brief van Ministerie van Buitenlandse Zaken Den Haag, datum 24 juni 2015 met inschrijving als niet-ingezetene in BRP. Dit is verstuurd naar adres in [b-plaats].’
(Bron: DOC-015-16 t/m DOC-015-19)
Verweren
Het voornaamste verweer zijdens de verdediging is dat in het geval van klager het vereist opzet op het gebruik van de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving ontbeert. Hij was simpelweg niet bekend met de verklaring. Anderen hebben voor klager de aanvraag voor de verblijfsvergunning ingevuld, hij is immers de Nederlandse taal zelf niet machtig, en hebben deze, tezamen met de nodige bijlagen, waaronder de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving, aangeleverd bij de IND. Klager heeft nooit zicht gehad op de bij de aanvraag gevoegde bijlagen. Klager heeft enkel — in goed vertrouwen — de aanvraag ondertekend.
Vide p. 6 van het bestreden arrest heeft het hof het gevoerde verweer als volgt samengevat:
‘De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op het gebruik van de vervalste verklaring omtrent gezins-inschrijving bevolkingsregister, nu niet de verdachte, maar een derde partij zich over de voor de Aanvraag Toetsing aan het EU-recht benodigde bijlagen moet hebben ontfermd. De verdachte ging er in goed vertrouwen van uit dat deze partij de juiste formulieren zou overleggen en was er derhalve niet van op de hoogte dat de verklaring omtrent gezins-inschrijving bevolkingsregister een vervalst geschrift betrof.’
In het proces-verbaal ter zitting is het gevoerde verweer, voor zover relevant, als volgt weergegeven (p. 3 en 4):
De belangrijkste vraag is of cliënt opzet heeft gehad op het indienen van het vervalste document. Mij is in dat verband opgevallen dat cliënt de Nederlandse taal niet machtig is. Voorts is mij opgevallen dat de aanvraag in het Nederlands is opgesteld en dat het dus niet anders kan zijn dan dat cliënt bij het indienen van de aanvraag hulp heeft gehad. Cliënt heeft zelf verklaard dat een derde partij zich over de voor de aanvraag voor Toetsing aan het EU-recht benodigde bijlagen moet hebben ontfermd. Verdachte heeft slechts de aanvraag ondertekend. Hoewel steeds wordt gehamerd op het feit dat de verdachte de aanvraag heeft ondertekend, betekent dit enkele feit niet dat cliënt in strafrechtelijke zin verantwoordelijk is voor de documenten die bij die aanvraag zijn gevoegd. Het is de vraag of cliënt zicht heeft gehad op die bijlagen. Nu cliënt de Nederlandse taal niet machtig is en hij hulp heeft gehad bij het indienen van de aanvraag, meen ik dat niet vastgesteld kan worden dat cliënt zelf vervalste stukken heeft overlegd of wist dat vervalste stukken als bijlage gevoegd werden bij de aanvraag. Om opzet te kunnen bewijzen, had cliënt rekening moeten houden met de aanmerkelijke kans dat vervalste documenten bij de aanvraag werden gevoegd. Er lijkt een grotere organisatie werkzaam te zijn achter het indienen van de aanvragen, maar daarmee is niet gezegd dat cliënt hiermee bekend was. Om op grond van de wens van cliënt om naar Nederland te gaan, voorwaardelijk opzet te constateren, gaat mijns inziens te ver. Tot slot kan nog de vraag worden gesteld of cliënt redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de documenten vervalst waren. Dit omvat echter geen opzet, zelfs niet in voorwaardelijke zin. Concluderend valt niet vast te stellen dat het opzet van cliënt was gericht op het indienen van een vervalst document.’
Oordeel hof
Het voornoemde verweer is, zover moge duidelijk zijn, door het hof verworpen, waarbij, op p. 7, het volgende wordt overwogen:
‘Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte opzet — al dan niet in voorwaardelijke zin — had op het gebruik van voornoemd vervalst geschrift. In dat verband stelt het hof voorop dat van aanvragers van een verblijfsvergunning, mede gelet op het belang dat zij hebben bij de procedure, verwacht mag worden dat zij de nodige zorgvuldigheid betrachten bij het indienen van een dergelijke aanvraag en zelf de authenticiteit van de bij de aanvraag gevoegde documenten controleren. Door een Aanvraag Toetsing aan het EU-recht te ondertekenen, waarbij bijlagen zijn gevoegd, waarvan zonneklaar is dat deze doorslaggevend zijn voor de beoordeling van de aanvraag, en deze aanvraag inclusief bijlagen vervolgens in te dienen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst met het doel een verblijfsdocument voor zichzelf te verkrijgen, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de aanvraag een vervalst document was gevoegd en hij derhalve een vervalst document, als ware het echt en onvervalst, zou indienen. Daarmee heeft verdachte, naar het oordeel van het hof, voorwaardelijk opzet gehad op het gebruik van de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister.’
Bespreking oordeel hof
Klager meent dat het hof ten onrechte, althans onder gebruikmaking van een gebrekkige motivering, tot het oordeel is gekomen dat er gesproken kan worden van voorwaardelijk opzet, doordat hij, klager, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij de aanvraag een vervalst document zou worden ingediend.
Allereerst gaat het hof geheel niet in op de vraag of klager kennis heeft genomen van de bij de aanvraag ingediende bijlagen. Het ondertekenen en indienen van de aanvraag betreffen twee verschillende processen / handelingen. Het is goed mogelijk dat de aanvraag eerst wordt getekend, waarna er — door anderen — bijlagen bij worden gevoegd. Daarnaast wordt niet duidelijk waarom het hof een aanmerkelijke kans op het indienen van een vervalst document aanneemt. Dit behoeft in de ogen van klager een nadere uitleg. Duidelijk is, en dit wordt ook elders in het arrest onderkend, dat klager bij de aanvraag van de verblijfsvergunning door anderen is geholpen. Dezerzijds wordt gemeend dat niet in zijn algemeenheid gezegd kan worden dat als anderen jouw helpen bij het aanvragen van een verblijfsvergunning er een aanmerkelijk kans op het indienen van vervalste documenten bestaat, anders dan wanneer jij, klager, reden hebt om die anderen te wantrouwen. Van dit laatste is niet gebleken. Het hof rept hier ook niet over in zijn arrest. Voorts gaat het hof geheel voorbij aan de taalbarrière. Het is evident dat klager, die de Nederlandse noch de Spaanse taal machtig is, de documenten zelf heeft kunnen lezen. Hoe heeft hij dan kunnen beoordelen of ze authentiek zijn, als hij ze al heeft gezien?
Klager meent dat de invulling van het hof van het voorwaardelijk opzet in deze zaak feitelijk neerkomt op een soort van risicoaansprakelijkheid, of misschien schuld. Klager is hoe dan ook aansprakelijk voor de voor hem ingediende aanvraag verblijfsvergunning, ook al heeft hij hem niet zelf ingevuld of van bijlagen voorzien. In de ogen van het hof volstaat het zetten van een handtekening onder de aanvraag en het later (laten) indienen van deze aanvraag, vergezeld van de nodige documenten, voor aannemen van voorwaardelijk opzet op gebruik maken van één vervalst document gevoegd bij de aanvraag, terwijl dat document, als gezegd, mogelijk pas later bij de aanvraag is gevoegd. Hierin kan klager het hof niet volgen. Eigenlijk zegt het hof dat klager het 'niet alleen had kunnen zien maar ook had moeten zien'. Maar dit is onvoldoende voor het aannemen van (voorwaardelijk) opzet op het overtreden van art. 225 lid 2 Sr, zo heeft u hoge raad o.a. in HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:544 geoordeeld.
De relevante overwegingen uit voornoemd arrest luiden als volgt:
‘3.23.
Het Hof heeft voorts het volgende overwogen:
‘(…) Op de werkgeversverklaringen is informatie ingevuld die niet overeenkomt met de werkelijkheid.
(…)
Op het moment dat verdachte de werkgeversverklaring bij de ondertekende hypotheekofferte voegde had hij niet alleen kunnen maar ook moeten zien dat de verklaringen onjuist waren ingevuld. Door toch de werkgeversverklaringen bij de offerte te voegen heeft verdachte naar het oordeel van het hof met opzet gebruikgemaakt van een valselijk opgemaakt geschrift.’
3.3.
Uit de bewijsvoering kan het opzet van de verdachte op het gebruikmaken van de valselijk opgemaakte werkgeversverklaringen niet zonder meer worden afgeleid. De enkele omstandigheid dat de verdachte op het moment dat hij de werkgeversverklaringen bij de hypotheekofferte voegde ‘niet alleen [had] kunnen maar ook [had] moeten zien’ dat de verklaringen onjuist waren ingevuld, kan de gevolgtrekking dat de verdachte daarvan met opzet gebruik heeft gemaakt, niet dragen.’
Klager realiseert zich ten volle dat het hof 's-Hertogenbosch zich in het bestreden arrest van andere bewoordingen heeft bediend dan het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, in de hierboven aangehaalde zaak, maar op de keper beschouwd komt het op hetzelfde neer. Doordat bepaalde handelingen zijn verricht, zoals het ondertekenen van een hypotheekofferte (of aanvraag verblijfsvergunning) en het daarbij voegen van valse werkgeversverklaringen (of een vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving) had de verdachte (in dit geval) klager kunnen en moeten zien dat het niet klopte. Zelfs als dat zo is, dan is dat volgens uw hoge raad onvoldoende om van voorwaardelijk opzet te kunnen spreken. Klager vermag niet in te zien waarom dat in zijn zaak anders zou moeten zijn, temeer daar, anders dan in voornoemd arrest, hij de Nederlandse en Spaanse taal niet machtig is en hij bovendien gebruikt heeft gemaakt van anderen bij de aanvraag verblijfsvergunning.
Naar de mening van klager laat het arrest van het hof de mogelijkheid open dat hij niets heeft geweten van de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving en dat er zodoende ten onrechte voorwaardelijk opzet is aangenomen.
Reden waarom klager zich op het standpunt stelt dat het hof ten onrechte, althans onder gebruikmaking van een tekortschietende motivering, heeft geoordeeld dat hij opzettelijk gebruikt heeft gemaakt van een vervalst document als bedoeld in artikel 225 Sr lid 2, als gevolg waarvan het arrest niet in stand kan blijven.
Uw Hoge Raad wordt derhalve eerbiedig verzocht het middel van cassatie gegrond te verklaren.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, die verklaart daartoe door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Utrecht, 3 april 2024
A.C. Vingerling