Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/5.1.1
5.1.1 Introductie
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS460794:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – 12 (MvT). Zie hierover ook hoofdstuk 2.
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IX – a.
Ik versta hieronder de fase die, nadat het onderzoeksverslag ter griffie van de OK is gedeponeerd (art. 2: 353 lid 1 BW), wordt ingeleid met het verzoek tot het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2: 356 BW (zie art. 2: 355 lid 1 BW). Het verzoek moet gedaan binnen twee maanden nadat het verslag ter griffie is gedeponeerd (art. 2: 355 lid 2 BW).
In een enkel geval vormt herstel van de gezonde verhoudingen – althans in deze zin dat de vennootschap gezond kan voortbestaan – niet de inzet van de procedure, omdat door de desbetreffende vennootschap nagenoeg geen activiteiten meer worden uitgeoefend. Zie bijvoorbeeld OK 28 januari 2005,ARO 2005, 18 (Projectontwikkeling Friesland): de vennootschap ontwikkelt geen nieuwe activiteiten meer, maar de twee laatste projecten moeten nog wel worden afgewikkeld, zodat de vennootschap daarna naar verwachting een positief saldo zal hebben en kan worden geliquideerd. Zie paragraaf 5.4.1 voor andere gevallen waarin herstel van gezonde verhoudingen niet mogelijk is.
Aldus ook: Geerts 2004, p. 282-283; A-G Timmerman in zijn conclusie (overweging 5.5 e.v) bij HR 30 maart 2007,JOR 2007, 138 (ATR Leasing).
Ter vergelijking: in zeven andere gevallen is in reactie op het oorspronkelijke verzoek door de andere aandeelhouder een zelfstandig verzoek (derhalve niet bij wijze van tegenverzoek in het verweerschrift) als bedoeld in art. 2: 355 lid 1 BW ingediend.
OK 16 juli 1987,NJ1988, 579 (Schoonmaakbedrijf Briljant, m.nt. Maeijer).
Zie voor twee andere voorbeelden waarin de P-G eveneens is opgekomen in het belang van de werkgelegenheid: OK 17 maart 1983,NJ 1984, 462 (BV Handelsvereeniging, m.nt. Maeijer) en OK 26 juni 1986, NJ 1988, 99, r.o. 3 (J.F. van der Klis, m.nt. Maeijer).
129. Hoewel de enquêteregeling stamt uit 1928, is pas in 1970 de mogelijkheid geïntroduceerd voor de enquêtegerechtigden te verzoeken om het treffen van voorzieningen. De reden voor deze aanpassing is evident. Hoewel de wetgever er in 1928 van uit is gegaan dat een enquête niet alleen een preventieve werking maar ook een zuiverende werking zal hebben – is het duidelijk waaraan het beleid schort, dan zullen de bevoegde organen daaruit gewoonlijk wel de consequenties trekken, zo was de gedachte – dient men er rekening mee te houden ‘dat dit in sommige gevallen niet zal geschieden, omdat degenen die tot sanering bereid zijn, aan hun wil niet voldoende kracht kunnen bijzetten, bijvoorbeeld indien zij niet over de vereiste meerderheid in de bevoegdelijke organen beschikken. In zulke gevallen is er behoefte aan een ultimum remedium.’1 De mogelijkheid te verzoeken om het treffen van voorzieningen draagt er naar verwachting in de eerste plaats toe bij dat minderheidsaandeelhouders en werknemers van grote ondernemingen (lees: vennootschappen met aandelen aan toonder) beter worden beschermd tegen een gebrek aan openheid door de leiding en een onbevredigende gang van zaken. Het staat inmiddels echter buiten kijf dat ook de positie van houders van aandelen en certif icaten van aandelen in ‘besloten, familiale vennootschappen met enkel aandelen op naam’ versterking behoeft.2
130. In hoofdstuk 5 wordt aandacht besteed aan de impassezaken – ongeveer 60 in getal – waarin in de tweede fase van de procedure3 voorzieningen zijn getroffen als bedoeld in art. 2: 356 BW. De centrale vraag luidt of de tweede fase van de procedure gelet op de aard en inrichting ervan en de bevoegdheden van de Ondernemingskamer in deze fase, geschikt is om het wanbeleid te beëindigen (lees: de impasses tussen aandeelhouders te doorbreken) en de gezonde verhoudingen bin-nen de vennootschap te herstellen.4 Het verzoek tot het treffen van voorzieningen kan worden ingediend door degene(n) die om het onderzoek heeft (hebben) verzocht, maar ook door de andere in art. 2: 346 en art. 2: 347 genoemde enquêtegerechtigden – op voorwaarde dat het onderzoeksverslag voor hen ter inzage ligt – en de advocaat-generaal om redenen van openbaar belang. Tot de (rechts)personen die kunnen verzoeken om het treffen van voorzieningen behoren niet de vennootschap zelf en haar bestuurders en commissarissen. Zij kunnen ingevolge art. 282 lid 1 jo. lid 4 Rv echter wel in hun verweerschrift een tegenverzoek indienen tot het treffen van voorzieningen.5 Van deze mogelijkheid is overigens in relatief weinig procedures (circa zes) gebruik gemaakt.6 Van de impassebeschikkingen dateren ongeveer 20 van vóór 1 januari 1994 (de datum waarop art. 2: 349a lid 2 BW in werking is getreden), terwijl de overige ná deze datum zijn gewezen. Vermeldenswaard is voorts dat in circa 17 procedures in een eerder stadium in het geding onmiddellijke voorzieningen zijn getroffen, dat in ten minste zes zaken verzoeken tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zijn afgewezen omdat de Ondernemingskamer niet overtuigd was van de noodzaak ervan en dat in de andere gevallen in de eerste fase alleen is verzocht om het instellen van een onderzoek.
Hoewel de meeste impassezaken veelal kleine(re) vennootschappen betreffen met slechts enkele aandeelhouders (zie paragraaf 5.2), kunnen de problemen grote gevolgen hebben voor een brede groep personen. Een voorbeeld vormt de beschikking inzake Schoonmaakbedrijf Briljant. De omstandigheid dat ten gevolge van de problemen tussen beide 50%-aandeelhouders de continuïteit van de vennootschap en daarmee de werkgelegenheid wordt bedreigd, vormt voor de procureur-generaal aanleiding een enquêteprocedure te starten en – in de tweede fase – om voorzieningen te vragen.7 Hij merkt ter toelichting op de door hem gevorderde voorzieningen op dat het openbaar belang bestaat in het behoud van werkgelegenheid:Schoonmaakbedrijf Briljant heeft 350 werknemers in dienst, van wie 80 een volledige dienstbetrekking hebben. Voor het be-houd van de werkgelegenheid van deze werknemers is het van het grootste belang dat voorzieningen worden getroffen om een gezonde voortzetting van de onderneming te waarborgen.8