Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/5.4.2
5.4.2 Forum internum en forum externum
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS454026:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJEU 5 september 2012, C-71/11 en C-99/11 (Bondsrepubliek Duitsland v Y respectievelijk Z), JV 2012/403, m.nt. H. Battjes; EHCR 2013/1, m.nt. Aarrass en De vries. Zie ook over dit arrest Den Heijer, Asiel & Migratierecht 2012, p. 344-346.
HvJEU 5 september 2012, C-71/11 en C-99/11, r.o. 79.
Het HvJEU gebruikt een iets andere betekenis van het forum internum van de godsdienstvrijheid dan gebruikelijk in de Nederlandse literatuur over de godsdienstvrijheid. Het gaat uit van een begrip dat neerkomt op de vrijheid van het individu om in zijn privésfeer (huiselijk) godsdienst te belijden. In de Nederlandse literatuur ziet het forum internum daarentegen vooral op de innerlijke sfeer van het individu: het hebben van (godsdienstige) gedachten, opvattingen en een geweten.
HvJEU 5 september 2012, C-71/11 en C-99/11, r.o. 63.
HvJEU 5 september 2012, C-71/11 en C-99/11, r.o. 70.
Algemeenheid (algemene geldigheid) is hetzelfde als objectiviteit.
Zie hierover uitgebreid 4.3.2.
Vgl. Vermeulen & Woltjer 2013, p. 3.
In zijn uitspraak van 5 september 2012 stelt het HvJEU1 dat een aantasting van de uiterlijke beleving van de godsdienstvrijheid al kan volstaan om te spreken van een daad van vervolging in de zin van artikel 9 lid 1 onder b van de richtlijn.2 Het HvJEU vindt dat de autoriteiten van het land van aankomst dienen te onderzoeken of de wijze waarop de vreemdeling zijn godsdienst in uiterlijke zin ‘beleeft’, in het land van herkomst aanleiding vormt voor vervolging of onmenselijke of vernederende behandelingen. Indien dit het geval is, geniet deze vreemdeling de vluchtelingenstatus en dient hij in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. Wanneer de vreemdeling bijvoorbeeld meent dat evangeliseren een belangrijk onderdeel is van zijn godsdienst en in het land van herkomst evangeliseren als strafbaar delict in de wet is opgenomen, dan zou dit al voldoende zijn om te spreken van een daad van vervolging en daarmee voor het verlenen van een verblijfsvergunning. Het HvJEU onderbouwt dit oordeel met het argument dat van een vreemdeling niet mag worden verlangd dat hij zich in het land van herkomst, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofsovertuiging (het zogenoemde discretievereiste).3
Het HvJEU wijkt in zijn uitspraak af van de met name in Duitsland heersende opinio iuris dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de handelingen die een ‘kerngebied’ (forum internum)4 van het grondrecht op godsdienstvrijheid aantasten, waaronder niet de godsdienstige activiteiten in het openbaar (forum externum) vallen, en die welke dit gestelde ‘kerngebied’ niet aantasten. Volgens het HvJEU staat de definitiebepaling van godsdienst in artikel 10 lid 1 onder b van de richtlijn de opsplitsing in een forum internum en een forum externum niet toe. De in deze bepaling gegeven definitie van godsdienst als vervolgingsgrond zou ‘al zijn bestanddelen in aanmerking nemen, ongeacht of die openbaar of privé, gemeenschappelijk of individueel zijn’.5 Het HvJEU benadrukt het belang van een subjectiverende kwalificatiewijze. Het gevaar voor vervolging zou naast objectieve factoren ook moet worden beoordeeld vanuit subjectieve factoren:
‘De subjectieve omstandigheid dat het in het openbaar beleven van een bepaalde godsdienstige praktijk, waartegen de betwiste beperkingen zijn gericht, bijzonder belangrijk is voor de betrokkene om zijn godsdienstige identiteit te bewaren, vormt een relevante factor bij de beoordeling van het gevaar waaraan de verzoeker wegens zijn godsdienst in zijn land van herkomst zal worden blootgesteld, zelfs indien voor de betrokken religieuze gemeenschap het beleven van een dergelijke godsdienstige praktijk niet bepalend is.’6
Met deze uitspraak geeft het HvJEU blijk van een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst en doorkruist daarmee een meer afgebakende definitie van godsdienst door middel van de kernrechtbenadering. De kernrechtbenadering veronderstelt immers, waarschijnlijk in het licht van de grote traditionele godsdiensten, dat religieuze uitingen en gedragingen kunnen worden geclassificeerd. De kernrechtbenadering gaat in zijn algemeenheid7 ervan uit dat aan bepaalde religieuze uitingen en handelingen meer prioriteit toekomt dan aan andere. Met andere woorden, dat er een bepaalde hiërarchie is tussen godsdienstige uitingen en gedragingen die wordt bepaald door het onderscheid in een privé en publiek domein.
De kernrechtbenadering lijkt te zijn te geïnspireerd door het liberale ideaal van een scheiding tussen een privé en een publiek domein.8 Liberalen veronderstellen dat zolang het private domein maar gevrijwaard blijft van overheidsbemoeienis de essentie van het grondrecht gewaarborgd blijft. Wanneer bijvoorbeeld een christen de mogelijkheid heeft om thuis op de bank met zijn gezin de Bijbel te lezen dan zou vanuit dit perspectief kunnen worden beargumenteerd dat de kern van het grondrecht is gewaarborgd, terwijl een verbod op evangeliseren slechts begrepen wordt – bezien vanuit het beeld van de behoefte-piramide van Maslow – als een luxe die niet noodzakelijk is voor het hebben van een christelijke levensovertuiging. Deze visie op godsdienst heeft met deze uitspraak aan kracht ingeboet. Uit het arrest van het HvJEU kunnen we opmaken dat de vraag in hoeverre een godsdienstige handeling behoort tot het kerndomein van de betreffende godsdienst, in belangrijke mate toekomt aan de vreemdeling zelf. Wanneer bepaalde uitingen en handelingen door de vreemdeling worden ervaren als een belangrijk onderdeel van zijn godsdienst, dan dient de rechter daarmee in zijn afweging rekening te houden. De objectiverende kwalificatie van religieuze uitingen en gedragingen bestaande in de opvatting dat een gedraging moet zijn te herleiden tot bijvoorbeeld een algemene, in de traditie gewortelde gemeenschappelijke praktijk, wordt met een dergelijke subjectiverende kwalificatie losgelaten.9 De benadering van het HvJEU past in een accommodationistisch ideaal op grond waarvan religieuze diversiteit zoveel mogelijk in de rechtsorde wordt geaccommodeerd.