Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.3.2.2.1
8.3.2.2.1 Ratio
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291283:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Nederland heeft onderdeel b (en overigens ook onderdeel c) van art. 174 lid 2 Btw-richtlijn ten onrechte niet geïmplementeerd. Dit implementatiegebrek betekent dat de omzet met betrekking tot bijkomstige handelingen ter zake van onroerende goederen in Nederland wel meetelt in de berekening van het pro rata, hetgeen in strijd is met art. 174 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn. Belastingplichtigen kunnen zich echter rechtstreeks beroepen op art. 174 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn, hetgeen voor hen voordelig is indien de bijkomstige handeling ter zake van onroerend goed vrijgesteld is van btw (Rb Leeuwarden 2 januari 2007, nr. 05/1481, NTFR 2007/397, met commentaar Thiemann, Rb ’s Gravenhage 18 juli 2008, nr. AWB 06/8051 OB, NTFR 2008/1609, Rb Arnhem 11 oktober 2012, nr. AWB 12/950, V-N 2013/10.18.21, r.o. 4.2.6, A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 323, conclusie A-G Van Hilten 30 oktober 2013, nr. 12/05835, V-N 2014/7.19, punt 6.16.3, W.J. Blokland, Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 62-63 en M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 390).
Toelichting op art. 19 lid 2 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 762.
Op grond van art. 174 lid 2, onderdelen a en b Btw-richtlijn en haar voorganger, art. 19 lid 2 Zesde Richtlijn, moeten – voor zover in het kader van dit onderzoek relevant – de volgende bedragen voor de berekening van de pro rata-aftrek buiten beschouwing worden gelaten:
de omzet met betrekking tot de levering van investeringsgoederen welke door de belastingplichtige in het kader van zijn onderneming worden gebruikt; en
de omzet met betrekking tot bijkomstige handelingen ter zake van onroerende goederen.1
Deze uitzonderingen zijn dwingend voorgeschreven waardoor zij in iedere lidstaat op dezelfde wijze moeten worden toegepast. Vanuit het oogpunt van de interneutraliteit is dat ook wenselijk. De Europese Commissie heeft met betrekking tot deze dwingend voorgeschreven uitzonderingen het volgende opgemerkt:
“De in dit lid bedoelde elementen moeten voor de berekening van het verhoudingsgetal buiten beschouwing worden gelaten, opdat deze elementen de werkelijke betekenis van de bedrijfsuitoefening niet verkeerd weerspiegelen, te weten voor zover dergelijke elementen geen uitvloeisel zijn van de bedrijfsuitoefening van de belastingplichtige. Dit is het geval bij de verkoop van investeringsgoederen en van de slechts incidenteel uitgevoerde handelingen met betrekking tot onroerende goederen (…); met andere woorden de handelingen die ten opzichte van de totale omzet van het bedrijf slechts van secundaire of toevallige betekenis zijn. Deze handelingen worden overigens slechts buiten beschouwing gelaten indien zij niet tot de gebruikelijke bedrijfswerkzaamheden van de belastingplichtige behoren.”2
Uit deze toelichting is naar mijn mening af te leiden dat de ratio van art. 174 lid 2 Btw-richtlijn is dat handelingen die niet tot de ‘normale’ bedrijfswerkzaamheden behoren van een belastingplichtige de omvang van het recht op btw-aftrek niet positief of negatief mogen beïnvloeden. Hierdoor wordt voorkomen dat het pro rata sterkt afwijkt van het werkelijke gebruik van de afgenomen goederen of diensten voor de belaste en vrijgestelde handelingen. Dit ‘vertekeningsgevaar’ is bij vastgoedtransacties niet ondenkbeeldig. Voor deze transacties wordt meestal een relatief hoge vergoeding ontvangen waardoor de (pro rata-) aftrek hierdoor veel hoger of lager kan uitvallen. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Stel dat een belastingplichtige een jaaromzet excl. btw heeft van € 1 miljoen en dat 50% van dit omzet wordt behaald met belaste handelingen en 50% met vrijgestelde handelingen. Indien deze belastingplichtige in dat jaar zijn bedrijfspand zou verkopen voor € 1 miljoen, dan zou een belaste levering leiden tot een pro rata-aftrek van 75% en een vrijgestelde levering tot een pro rata-aftrek van 25%. Het is dit (schok)effect dat art. 174 lid 2 Btw-richtlijn wenst te voorkomen. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de vraag wanneer de vergoeding voor een belastbare vastgoedtransactie niet meetelt voor de pro rata-berekening.