Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/2.6.3.2.4
2.6.3.2.4 Uitgaven in het kader van het maatschappelijk/publiek belang
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630377:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Volledigheidshalve merk ik op dat in de parlementaire behandeling expliciet is benoemd dat het winstgemis niet in de heffing wordt betrokken, Verslag van een wetgevingsoverleg Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nummer 14: Staatssecretaris: ‘Over niet gemaakte winst kan geen winstbelasting worden geheven. Als de toegangsprijs € 6 is, wordt er geen winst berekend op basis van een prijs van € 7,50. Die helderheid krijgt de heer Bashir van mij. …’
Verseput.
S.A. Stevens 2003, pagina 278.
S.A. Stevens 2009-1.
In het manegearrest aangeduid als ondernemingsuitoefening.
S.A. Stevens 2009-1: ‘Op grond van de hoofdregels van het belastingrecht kan een maatschappelijke onderneming dus de werkelijke kosten die verband houden met de belaste ondernemingsactiviteit in aftrek brengen. De maatschappelijke onderneming heeft daarbij een ruime vrijheid en hoeft de opbrengsten niet te optimaliseren. Verseput lijkt als criterium te hanteren voor de aftrek van maatschappelijke kosten dat niemand rechtstreeks gebaat is bij de maatschappelijke kosten. (…) Deze redenering houdt naar mijn mening echter geen stand, omdat vaak wel iemand kan worden aangewezen die wordt gebaat, namelijk de afnemer: de huurder die daardoor een relatief lagere huur betaalt. Waar het naar mijn mening om gaat, is dat er geen directe relatie kan worden gelegd tussen bijvoorbeeld een 'toegelaten instelling' en de specifieke huurder althans niet in die zin dat de 'toegelaten instelling' die specifieke huurder beoogt te bevoordelen, waardoor sprake is van een onttrekking. Het gaat in het algemeen om het helpen van mensen met een laag inkomen aan een betaalbare woning. Een prijscorrectie zou pas aan de orde moeten komen indien er een directe relatie is tussen de groep van personen en het lichaam, zoals de verhouding tussen een coöperatie en haar leden.’
HR 23 april 2004, nr. 38 226, BNB 2004/274.
Kamerstukken II 1959/1960, 5380, nr. 3, pagina 20.
Ook ten aanzien van (onrendabele) investeringen en uitgaven in het kader van het maatschappelijk/ publiek belang kan de vraag worden gesteld of de hiermee gemoeide kosten onderdeel zijn van de totaalwinst. 1 Uit paragraaf 2.6.2 bleek dat als hoofdregel geldt dat de werkelijke inkomsten en gemaakte kosten onderdeel van de totaalwinst zijn. Als de hoogte echter wordt beïnvloed door onzakelijke elementen, dan dient er onder omstandigheden een winstcorrectie plaats te vinden. Specifiek is ook hierbij de vraag of een maatschappelijke/publieke onderneming moet worden vergeleken met een zakelijke onderneming en als de maatschappelijke/publieke onderneming uitgaven doet die een zakelijk handelende ondernemer niet zou doen, of er dan een winstcorrectie moet plaatsvinden. In de vorige paragraaf heb ik al betoogd dat de opbrengsten die zien op de behartiging van het maatschappelijk/publiek belang mijns inziens niet gecorrigeerd kunnen worden naar een prijs die een zakelijke derde zou hanteren. Resteert dus de vraag hoe met uitgaven moet worden omgegaan.
Verseput betoogt dat maatschappelijke kosten aftrekbaar zijn, omdat niemand rechtstreeks gebaat is bij de maatschappelijke kosten: ‘Door deze verliezen is niemand in het bijzonder rechtstreeks gebaat, het verlies wordt ook niet veroorzaakt doordat te lage prijzen worden berekend, een hogere prijs zal veelal economisch niet mogelijk zijn. De uitoefening van de verliesgevende activiteit is voorts in veel gevallen een initiatief van de vennootschap zelf. Een uitdeling van winst valt hier ook niet in te zien.’2
Op basis van het hiervoor aangehaalde voorbeeld van het zwembad lijkt Luja echter van mening te zijn dat bij een onrendabele investering eerst moet worden beoordeeld of het verlies is gemaakt ten behoeve van de publiekrechtelijke eigenaar/aandeelhouder als behartiger van het algemeen belang. Als dit het geval is, is zijns inziens een prijscorrectie wel mogelijk. Ook S.A. Stevens is van mening dat indien een overheidsbedrijf extra kosten voor zijn rekening neemt met het oog op het behartigen van een publiek belang die een andere ondernemer in redelijkheid niet zou hebben gemaakt, de winst moet worden gecorrigeerd. Er is naar zijn mening echter geen sprake van onzakelijke uitgaven of een uitdeling indien het past binnen de doelstelling van het lichaam om zowel onrendabele investeringen te doen als winstgevende projecten te entameren. Er is dan sprake van interne subsidiëring die voortvloeit uit de doelstelling van de onderneming zelf en die niet primair is ingegeven door de belangen van de aandeelhouder of de eigenaar van de onderneming.3 In een latere publicatie geeft hij aan dat indien een stichting met haar gehele vermogen een onderneming drijft, zijns inziens er in beginsel een niet-belaste kapitaalsfeer bestaat, waaraan voordelen kunnen toekomen mits de verstrekker van het voordeel bij de verstrekking van dat voordeel geen zakelijk – in de betekenis van commercieel of publiek – belang heeft. De aanwezigheid van een kapitaalsfeer heeft zijns inziens bij integraal belastingplichtige lichamen zonder winstgerechtigden niet tot gevolg dat de maatschappelijke kosten niet aftrekbaar zijn. Dat is zijns inziens pas het geval indien uitgaven worden gedaan die geen verband houden met het behartigen van de maatschappelijke doelstelling waarvoor het lichaam in het leven is geroepen en die via het drijven van een onderneming wordt behartigd. Als criterium zou kunnen worden genomen de redelijk handelende ondernemer van het Cessna-arrest.4 Anders dan Luja is S.A. Stevens derhalve van mening dat maatschappelijke kosten aftrekbaar zijn.
Uit het totaalwinstbeginsel vloeit voort dat voordelen die een verband hebben met de onderneming tot de winst moeten worden gerekend.5 Voor de vraag of kosten en opbrengsten onder de totaalwinst vallen is het van belang dat ze hun oorzaak vinden in de bedrijfsuitoefening van de onderneming. Naar mijn mening dienen maatschappelijke kosten hetzelfde te worden behandeld als zakelijke kosten.6 Als vaststaat dat de kosten een verband hebben met de bedrijfsuitoefening moet vervolgens nog wel worden getoetst aan het Cessnacriterium. Hiervoor geldt dat wanneer de kosten in een zodanige wanverhouding staan tot het nut daarvan dat geen redelijk denkend ondernemer kan volhouden dat die kosten met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming te hebben verkozen en dit is gedaan voor de persoonlijke behoeftebevrediging van de ondernemer/aandeelhouder de kosten niet aftrekbaar zijn. Hiervan zal in de regel bij maatschappelijke kosten niet snel sprake zijn. Het nut kan immers ook een maatschappelijk nut zijn en uit het vliegveldarrest (BNB 2004/274) blijkt mijns inziens dat zakelijke belangen ook publieke/maatschappelijk belangen omvat.7 Ook is van belang dat het totaalwinstbeginsel geen abstract theoretisch, maar vooral een op maatschappelijke behoeften geënt begrip is.8 Jurisprudentie welke is gewezen omtrent de toerekening van voordelen tussen aandeelhouder/vennootschap is daarom niet één op één toepasbaar op de situatie dat een maatschappelijke onderneming uitgaven doet in het kader van het maatschappelijk belang. De maatschappelijke context vraagt om eigen regels en deze ruimte biedt het totaalwinstbeginsel. Ik ben derhalve van mening dat maatschappelijke/publieke kosten aftrekbaar zijn als de kosten verband houden met het behartigen van de publieke doelstelling (lees de bedrijfsuitoefening) van het lichaam.