Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.3.1
2.3.1 §953 BGB
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644965:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
D. 22, 1, 25, 1 (Julianus) wordt als de basis voor §953 BGB genoemd (zie MüKoBGB/Oechsler BGB §953 Rn. 1): “(…) quoniam in percipiendis fructibus magis corporis ius ex quo percipiuntur quam seminis, ex quo oriuntur aspicitur: et ideo nemo umquam dubitavit, quin, si in meo fundo frumentum tuum severim, segetes et quod ex messibus collectum fuerit meum fieret” “(…) Want bij het trekken van vruchten wordt meer gelet op het recht ten aanzien van de zaak waarvan ze getrokken worden dan op het recht ten aanzien van het zaad waaruit ze ontstaan. Daarom heeft niemand er ooit aan getwijfeld dat, als ik uw graan op mijn grond heb ingezaaid, de gewassen alsmede hetgeen uit de oogst bijeengebracht is, mijn eigendom worden.”
Heck (1994), p. 263-264.
Mugdan III, p. 201-202; Staudinger/C Heinze (2020) §953 BGB Rn 4; MüKoBGB/Oechsler BGB §953 Rn. 1-3.
§152 Teilentwurf zum Sachenrecht von Johow (1880): “Bestandtheile einer Sache, insbesondere deren Erzeugnisse und die sonstige Ausbeute aus derselben, gehören auch nach der Trennung dem Eigenthümer der Sache, sofern nicht ein Anderer gemäβ den §§152-155 das Eigenthum an derselben erwirbt.”
Jakobs/Schubert (1985), p. 666 en p. 644.
Mugdan III, p. 199 (Mot III 358); Schlimpert (2015), p. 302. De regel beoogt duidelijkheid te verschaffen over wie eigenaar is van het afgescheiden bestanddeel: “Die Überlegenheit dieses Prinzips liegt vor allem in der Eindeutigkeit der Rechtszuordnung, ist doch die Ursächlichkeit von Produktionsbeiträgen für den Erzeugungsvorgang regelmäßig sehr viel schwerer zu ermitteln als das Eigentum an der Muttersache (MüKoBGB/Oechsler BGB §953 Rn 1).”
MüKoBGB/Oechsler BGB §953 Rn 7. Zie ook Bundesfinanzhof (BFH) 16 mei 2018 – VI R 45/16 ECLI:DE:BFH:2018:U.160518.VIR45.16.0: “Denn der Eigentümer eines land- bzw. forstwirtschaftlich genutzten Grundstücks erhält nicht nur die Gebrauchsvorteile des Grundstücks, sondern er wird auch Eigentümer der erzeugten und weiter zu verwertenden Früchte i.S. von §99 Abs. 1 BGB, falls er nicht einem anderen die Aneignung gestattet hat (§§953, 956 BGB).”
Zie ook: BGH 3 juni 1958, Az.:5 StR 179/58. In dat arrest bepaalde het BGH dat een gouden “tandenbrug” die met geweld uit iemands (G) mond is gehaald na afscheiding ook aan G toebehoorde. Het BGH moest zich buigen over de vraag of sprake was van diefstal. Voor diefstal was vereist dat een “fremde bewegliche Sache” in de zin van §242 Strafgesetzbuch was weggenomen. Ofschoon onderdelen van het menselijk lichaam, waaronder ook begrepen de (kunstmatige) tanden, geen zaken zijn, oordeelde het Hof dat privaatrechtelijke regels uit het zakenrecht hierop van toepassing waren. Door de afscheiding is de “goldene Brücke” een zelfstandige zaak geworden. Een vraag die het BGH moest beantwoorden, was of deze gouden tandenbrug een zaak was zonder eigenaar (res nullius) of dat ze direct na de afscheiding in de eigendom viel van G. In het eerste geval kon geen sprake zijn van diefstal. G had dan ten hoogste een Aneignungsrecht op de zaak. Hij zou daarmee de eigendom verkrijgen pas als hij de gouden brug in zijn bezit had. Het Hof besloot echter, mede met een verwijzing naar Von Jhering en Dernburg, dat de gouden tanden vanaf het ogenblik van de afscheiding direct in de eigendom van G vielen en dat geen bezitsverkrijging hiervoor nodig was. Dit volgde volgens de BGH onder meer uit het systeem van de wet, waarin §953 BGB bepaalt dat de afscheiden bestanddelen in eigendom toebehoren aan de eigenaar van de hoofdzaak.
Staudinger/C Heinze (2020) §946 BGB Rn 7.
Johow (1880), §6-12, p. 51; Jakobs/Schubert (1985), p. 644.
Staudinger/C Heinze (2020) §953 BGB Rn 3.
Schlimpert (2015), p. 302; Palandt/Bassenge BGB §953, p. 1589.
Voor het pandrecht kent het BGB een soortgelijke regeling, zie §1212 BGB.
Schlimpert (2015), p. 328.
Mugdan III, p. 366.
Schlimpert stelt dat niet uit de aard van het zakelijke recht volgt dat het afscheiden van een bestanddeel voor derden geen invloed heeft. Deze aard (Rechtsnatur) bepaalt volgens hem welke zakelijke rechten mogelijk zijn op een zaak. Een vuistpandrecht is alleen mogelijk op roerende zaken en erfdienstbaarheden of Grundpfandrechte op percelen grond. Hij ziet §1120 BGB dan ook niet als een uitvloeisel van de natuur van het zakelijke recht, maar als een artikel met constitutieve werking. Zie: Schlimpert (2015), p. 328.
MüKoBGB/Lieder BGB §1120 Rn 17-22.
Schlimpert (2015), p. 302-303.
Wordt een wezenlijk bestanddeel van de hoofdzaak afgescheiden, dan luidt de hoofdregel dat de eigenaar van de samengestelde zaak ook de eigenaar van de afgescheiden onderdelen is, of zoals §953 BGB stelt:
“Erzeugnisse und sonstige Bestandteile einer Sache gehören auch nach der Trennung dem Eigentümer der Sache, soweit sich nicht aus den §§954 bis 957 ein anderes ergibt.”
De regel is afgeleid uit het Romeinse recht1 en vertolkt het “Prinzip des Kontinuitätserwerb”.2 Dit beginsel houdt in dat het eigendomsrecht van een zaak op de afgescheiden bestanddelen blijft voortbestaan.3 De eerste commissie die over het eerste ontwerp van het BGB moest oordelen, merkte in de protocollen over de voorloper van §953 BGB, §1524 uit het voorontwerp Sachenrecht, opgesteld door Johow, het volgende op:
“Die Vorschrift des Entwurf will nach den Motiven S. 823, 824 die Regel hervorheben, daβ die einfache Thatsache der Abtrennung, mögen nun die abgetrennten früheren Bestandtheile unter den Begriff der Früchte fallen oder nicht, an den Rechten nichts ändert, welche vor der Abtrennung an den nunmehr abgetrennten Bestandtheilen bestanden, indem die Rechte am Ganzen auf die Bestandtheile sich erstreckten. Diese Regel, welche auch für jedes andere Recht an der Sache gilt, spricht der Entwurf, trotz der Selbstverständlichkeit ihres Inhalts, für das Eigentum um deswillen aus, damit die im Nachfolgenden zu gebenden Ausnahmen von der Regel als solche um so klarer hervortreten.”5
En in de Motive bij §953 BGB staat:
“Aus dem Begriffe des dinglichen Rechtes ergibt sich, daβ eine körperliche Zertheilung der Sache an dem Rechtsbestande nichts ändert.”6
Het eigendomsrecht van de eenheidszaak wordt naar Duits recht gecontinueerd op de losgemaakte zaak bij wijze van rechtsdeling. Net als de zaak splijt ook het eigendomsrecht.7 Het afgesplitste recht komt op het afgescheiden bestanddeel te rusten.8 Kenmerkend voor deze Kontinuitätserwerbe is dus, dat de zakenrechtelijke verhoudingen na de afscheiding niet veranderen.9 De continuïteit van zakelijke rechten geldt niet alleen bij de afscheiding van wezenlijke bestanddelen, maar ook bij die van onwezenlijke bestanddelen indien de rechten van de hoofdzaak zich ook uitstrekken tot deze zaken.10
Anders dan naar Romeins recht herleeft het eigendomsrecht van vóór de verbinding niet. Dat eigendomsrecht is definitief tenietgegaan.11 Met andere woorden, het BGB kent, anders dan het Romeinse recht, geen slapende eigendomsrechten (dominium dormiens).12 Is een venster door de verbinding een wezenlijk bestanddeel geworden van een gebouw, dan behoort het na de afscheiding tot de eigendom van de grondeigenaar. Indien het gebouw aan verschillende personen in mede-eigendom toebehoorde, komt het afgescheiden deel eveneens toe aan de mede-eigenaren.13 Ook beperkte rechten die op de eenheidszaak rusten, komen op de afgescheiden onderdelen te rusten.14 Deze continuïteitsgedachte van zakelijke rechten na afscheiding is in het BGB onder andere terug te zien in de artikelen omtrent de hypotheek (§§1120-1122 BGB),15 waarin is bepaald dat het hypotheekrecht zich ook uitstrekt tot de losgemaakte bestanddelen of vruchten, mits deze nog steeds in de eigendom vallen van de schuldenaar. De regel uit §1120 BGB stelt niet de zaakseenheid voorop, maar de eigendomseenheid. De afgescheiden bestanddelen worden, ondanks de afscheiding, gezien als bestanddelen van de verhypothekeerde zaak. De continuïteitsgedachte van §1120 BGB botst in dit geval met de gedachte dat een hypotheekrecht slechts op een onroerende zaak kan rusten.16 Het Kontinuitätsprinzip gaat voor:
“Die hier fraglichen Bestandtheile können freilich nach ihrer Trennung von dem Grundstücke, weil sie durch dieselbe zu beweglichen Sachen werden, nicht mehr den Normen des Immobilienrechtes unterworfen, zB. nicht durch Auslastung veräußert oder durch Hypothekenbestellung verpfändet werden. Dieser Schluß nöthigt aber nicht, die weitere Konsequenz zu ziehen, daß die an dem Grundstücke bestehenden Rechte Dritter an den von demselben getrennten Bestandtheilen nicht fortdauern. Vielmehr folgt aus der Natur der dinglichen Rechte, daß die Thatsache der Trennung auf dieselben ohne Einfluß ist [vet JCTF], gleichviel, ob die getrennten Bestandtheile unter den Begriff der Früchte fallen oder nicht.”17
Uit de aard van zakelijke rechten volgt dat de afscheiding geen invloed heeft op zakelijke rechten van derden.18 De grenzen van het Kontinuitätsprinzip zijn bereikt, wanneer een afgescheiden bestanddeel aan een buitenstaander te goeder trouw is overgedragen en is geleverd. Vanaf dat ogenblik strekt het hypotheekrecht zich niet langer uit tot deze zaken, ongeacht of de afscheiding van de bestanddelen (of vruchten) tegen of in overeenstemming met de wil van de hypotheekhouder is geschied. Het rechtgevolg treedt in omdat de regels omtrent derdenbescherming (§§932 BGB) dit voorschrijven. Deze regels begrenzen dus het continuïteitsprincipe. Als zonnepanelen die integraal met het dak zijn verbonden tegen de wil van de hypotheekhouder afgescheiden en verkocht worden, dan verkrijgt de verkrijger deze onbelast, behalve als hij te kwader trouw is ten aanzien van het hypotheekrecht.19
In bepaalde gevallen verlangt het handelsverkeer, naast de hierboven genoemde rechtszekerheid voor derden, dat de afgescheiden bestanddelen onbelast zijn. Met name in die gevallen waarin vruchten worden afgescheiden. Een boer is bijvoorbeeld bevoegd om zijn oogst te verkopen zonder dat hij last heeft van het hypotheekrecht dat is gevestigd op zijn grond. Hier is ook de hypotheekhouder bij gebaat, aangezien de boer met de opbrengst (een deel van) zijn schuld kan afbetalen.
Tot slot is de hoofdregel van §953 BGB alleen van toepassing, als de afscheiding van duurzame aard is. Een tijdelijke afscheiding heeft geen rechtsgevolgen.20 Een machine die ter reparatie uit de fabriek is gehaald, blijft ondanks de afscheiding een wezenlijk bestanddeel van de fabriek. Aan deze fictie komt pas een einde als de tijdelijke afscheiding verandert in een duurzame afscheiding, bijvoorbeeld doordat de machine wordt verkocht aan een ander. Op de hoofdregel van §953 BGB bestaan uitzonderingen, waarvan enkele hieronder worden besproken.