Einde inhoudsopgave
Circulaire aanpassingen pensioenen en inhoudingen Appa 2024
2 Voorzieningen voor pensioen en waardeoverdracht van Appa-gerechtigden
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2024
- Redactionele toelichting
De datum van afkondiging is de datum van de Staatscourant.
- Bronpublicatie:
23-01-2024, Stcrt. 2024, 1867 (uitgifte: 23-01-2024, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
01-01-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
23-01-2024, Stcrt. 2024, 1867 (uitgifte: 23-01-2024, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Ambtenarenrecht / Pensioen
Verzekeringsrecht / Pensioenrecht
Gedeputeerden, wethouders en dagelijks bestuursleden van de waterschappen bouwen op grond van de Appa pensioenaanspraken op tijdens de functievervulling, maar ook tijdens de uitkeringsperiode na het aftreden. Deze pensioenaanspraken komen ten laste van de begroting van provincie, gemeente of waterschap. In tegenstelling tot deelnemers aan een pensioenfonds zoals het ABP, vindt voor de Appa daarom geen premieafdracht plaats door de provincie, gemeente of waterschap aan een pensioenfonds. De Appa-pensioenen worden namelijk rechtstreeks gefinancierd uit de middelen van provincie, gemeente of waterschap.
Die aanspraken moeten wettelijk verplicht tot uitbetaling komen als betrokken ambtsdrager:
- –
kiest voor waardeoverdracht van de opgebouwde aanspraken na het aftreden;
- –
de pensioengerechtigde leeftijd bereikt waarna het ouderdomspensioen moet worden uitgekeerd;
- –
komt te overlijden waarna de nabestaande recht heeft op een (levenslang) nabestaandenpensioen.
Provincies en gemeenten zijn verplicht op grond van artikel 44, vierde lid, van het Besluit begroting en verantwoording (Bbv) een voorziening in te stellen voor pensioenen van gedeputeerden respectievelijk wethouders. Voor Waterschappen is een soortgelijke verplichting opgenomen in het Waterschapsbesluit. De reden voor deze voorziening is dat deze pensioenverplichtingen voor provincies, gemeenten en waterschappen onvoorspelbaar zijn. Zij kunnen namelijk sterk fluctueren als gevolg van de mogelijkheid voor gewezen ambtsdragers om de gevormde pensioenrechten tussentijds op te eisen via waardeoverdracht. Een onzekere factor is ook het nabestaandenpensioen vóór de pensioengerechtigde leeftijd. Komt de (uitkeringsgerechtigde) ambtsdrager te overlijden, dan ontstaat direct een levenslang recht op een nabestaandenpensioen voor de partner en een tijdelijk recht voor eventuele kinderen. Er zijn dus goede redenen voor provincies, gemeenten en waterschappen om voor dergelijke onvoorspelbare effecten van de Appa-pensioenregeling een toereikende voorziening te treffen.
In de circulaire Wijzigingen Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers van 16 januari 2012, kenmerk 2011-2000577103, is in paragraaf 6 in algemene zin ingegaan op de door de provincies en gemeenten in te stellen voorziening voor pensioenen en waardeoverdracht ten behoeve van hun Appa-gerechtigden. Voor deze voorziening adviseer ik uit te gaan van de opstelsom van de benodigde individuele overdrachtswaarden.
Voor de bij waardeoverdrachten te hanteren rekenrente geldt het volgende.
In artikel 160a van de Appa is geregeld dat het desbetreffende overheidsorgaan op aanvraag van een gewezen politieke ambtsdrager de waarde van de door de aanvrager krachtens de vijfde afdeling van deze wet verkregen pensioenaanspraken overdraagt, overeenkomstig de bepalingen in de Pensioenwet inzake waardeoverdracht. Daarbij zijn de bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwet gestelde regels van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
In het zevende lid van genoemd artikel 71 is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld ten aanzien van de berekening van de overdrachtswaarde, de waarde van met de overdrachtswaarde te verwerven pensioenaanspraken alsmede de in acht te nemen procedures. In hoofdstuk 6 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling zijn deze nadere regels opgenomen. In artikel 25 is de bepaling van de waarde geregeld:
‘De overdrachtswaarde van pensioenaanspraken is ten minste gelijk aan de contante waarde van de over te dragen pensioenaanspraken op de overdrachtsdatum en wordt berekend op basis van het standaardtarief. Onze Minister stelt regels inzake het standaardtarief. Het standaardtarief wordt berekend op basis van marktwaardering.’
De in aanmerking te nemen rente is opgenomen in het tweede en derde lid van artikel 18 van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling:
- 2.
De berekening van het standaardtarief geschiedt op basis van algemeen gebruikelijke actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij van netto tarieven en een marktconforme disconteringsvoet.
- 3.
De in het tweede lid bedoelde disconteringsvoet is de op 1 oktober geldende rente uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde rentetermijnstructuur voor verplichtingen met een looptijd van 25 jaar. De vastgestelde rente geldt voor de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.
Deze rente is voor 2024 vastgesteld op 3,16%. Het percentage is te vinden op de site van de DNB met behulp van deze link. Dit percentage is daarom van toepassing op waardeoverdrachten met een overdrachtsdatum in het kalenderjaar 2024.
Voor de waardering van de ingegane pensioenen wordt u ook geadviseerd hierbij aan te sluiten door toepassing van hetzelfde percentage (3,16%). Een alternatief is aan te haken bij een rente met een kortere gemiddelde duur van bijvoorbeeld 10 jaar; die rente zou dan 3,384% zijn.
Nu de rente ten opzichte van 2023 wederom is gestegen, heeft dit consequenties voor de omvang van de benodigde voorziening. Een vrijval van een deel van de voorziening is bij een stijging van de rente mogelijk. Daar is de volgende kanttekening bij te plaatsen. Het is mogelijk dat in het kader van het nieuwe pensioenstelsel ook de pensioenen van politieke ambtsdragers overgaan van begrotings- naar fondsfinanciering. Daartoe is dan een eenmalige kapitaalstorting op termijn noodzakelijk. De al beschikbare voorziening zou hiervoor kunnen worden aangewend. Het kan daarom raadzaam zijn de eventuele vrijval beschikbaar te houden totdat duidelijk is of de al beschikbare voorziening toereikend is voor een eenmalige kapitaaloverdracht naar een fonds.