Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/7.3.4.1:7.3.4.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/7.3.4.1
7.3.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495900:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen).
EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2008, 25 (m.nt. Alkema), § 54.
Zie het slot van § 7.3.3.1 hiervoor.
Zie § 7.3.2.2 hiervoor.
Vgl. Van Kempen, noot onder EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007), nr. 3, p. 368 e.v.
Zie nader § 7.4.3 hierna.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In § 111 van het arrest in de zaak Jalloh overweegt het EHRM onder verwijzing naar Funke en J.B. (waarin art. 3 EVRM niet speelde), dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting weliswaar primair is gericht op het afleggen van een verklaring, maar dat het meermaals een ruimere betekenis aan het nemo tenetur-beginsel heeft toegekend in zaken waarin de gedwongen afgifte van ‘real evidence’ in het geding was.1 Nadien overweegt het in O’Halloran en Francis dat Jalloh niet is behandeld als een zaak die binnen de ‘real evidence’-uitzondering van § 69 van het Saunders-arrest valt, maar juist als een zaak die moet worden bezien in de bredere betekenis die het aan dat begrip heeft toegekend in Funke en J.B., met als doel daaronder zaken te brengen waarin dwang ter verkrijging van materiaal aan de orde is.2 Hierop sluit aan het in Jalloh gemaakte onderscheid tussen Saunders-materiaal en ‘real evidence’. Naast het direct belastende karakter van het bolletje cocaïne steunt dat onderscheid op twee andere aspecten, te weten de mate van geweld die tegen de klager werd gebruikt en – in het verlengde daarvan – de schending van art. 3 EVRM in die zaak.3
Kennelijk moet de betekenis van de verkrijgingswijze van het materiaal voor de toepasselijkheid van het niet-meewerkrecht, worden gezocht in de mate van dwang die daarvan op de verdachte uitgaat.
Saunders-criterium is niet absoluut
Tot aan Jalloh werd algemeen aangenomen dat het EHRM in § 69 van het Saunders-arrest, naast forensisch materiaal ook fysiek materiaal uitsluit van nemo tenetur-bescherming, althans wanneer de afgifte ervan geen ‘verklarend’ karakter heeft (vgl. Funke en J.B. (a contrario)).4 Vgl. Van Kempen die opmerkt dat het Hof zijn overweging in Saunders dat (wilsonafhankelijk) materiaal buiten het toepassingsbereik van het recht tegen gedwongen zelfbelasting valt, in Jalloh deels lijkt te hebben herroepen of althans lijkt te hebben genuanceerd.5 Niet elk materiaal dat ‘may be obtained from the accused through the use of compulsory powers but which has an existence independent of the will of the suspect’, is toelaatbaar als bewijs tegen hem. Het onderscheid tussen wilsonafhankelijk en wilsafhankelijk materiaal is kennelijk niet absoluut, dat wil zeggen niet doorslaggevend voor de gelding van het niet-meewerkrecht. Dat onderscheid kan worden ‘overruled’ door de verkrijgingswijze c.q. de mate van dwang die bij de verkrijging van het materiaal op de verdachte wordt uitgeoefend.6
Blijft de – hierna te beantwoorden – vraag of de schending van het niet-meewerkrecht in de zaken Funke en J.B. (enkel) kan worden verklaard door de onzekerheid over het bestaan van de van klagers gevorderde documenten en in Jalloh vanwege de schending van art. 3 EVRM, of dat er meer aan de hand is.