Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.2
6.2 Materieel toepassingsgebied; art. 1 Vo-BIIbis
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS430544:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een afwijkende opvatting in de buitenlandse literatuur, bijv. U.P. Gruber, IPRax 2005, p. 293.
Wetsvoorstel 29 676.
Zie P. Vlas & F. Ibili, 'Het wetsvoorstel beëindiging huwelijk zonder rechterlijke tussenkomst en vormgeving voortgezet ouderschap vanuit het 1PR bezien', in: M.V. Antokolskaia (red.), Herziening van het echtscheidingsrecht. Administratieve echtscheiding, mediation, voortgezet ouderschap, Amsterdam: SWP 2006, p. 248-265.
Handelingen 12005/06, 32, p. 1482-1483.
Zie M. Sumampouw, 'Ouderlijke verantwoordelijkheid onder de Verordening Brussel II', NIPR 2002, p. 2-3.
Vgl. art. 1 lid 2 HKbV 1996. Het begrip 'kind' wordt door de verordening niet gedefinieerd. In art. 3 lid 1 Uitvoeringswet internationale kinderbescherming heeft de Nederlandse wetgever de leeftijdsgrens op 18 jaar gesteld. Dezelfde leeftijdsgrens is te vinden in art. 2 HKbV 1996.
Art. 2 lid 9 Vo-BlIbis definieert het gezagsrecht als: 'de rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de zorg voor de persoon van een kind, in het bijzonder het recht de verblijfplaats van het kind te bepalen'.
Volgens art. 2 lid 10 Vo-BlIbis omvat het omgangsrecht: `(...) in het bijzonder het recht om een kind voor een beperkte tijd mee te nemen naar een andere plaats dan zijn gewone verblijfplaats'.
Vgl. art. 3 HKbV 1996.
Het gaat om kwesties omtrent familierechtelijke betrekkingen, adoptie, geslachtsnaam en voornaam van het kind, handlichting, onderhoudsverplichtingen, trusts en erfopvolging en maalregelen genomen ten gevolge van door kinderen begane strafbare feiten (vgl. art. 4 HKbV 1996).
De Vo-Brussel Ilbis geeft regels voor de rechtsmacht en de erkenning en tenuitvoerlegging in burgerlijke zaken betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk (ik spreek hierna kortheidshalve slechts over de echtscheiding) en de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid (art. 1 lid 1 sub a en b). De vraag rijst wat onder het begrip 'echtscheiding' moet worden verstaan. Valt hieronder ook de ontbinding van een huwelijk tussen echtparen van gelijk geslacht? In Nederland wordt deze vraag overwegend positief beantwoord, te meer nu het Nederlandse recht slechts één huwelijksbegrip kent: het huwelijk tussen twee personen van verschillend of van gelijk geslacht (art. 1:30 lid 1 BW).1 Helaas hebben de opstellers van de verordening zich over dit probleem niet uitgelaten. In verband met de rechtszekerheid is het vanuit Nederland bezien wenselijk dat de Brusselse wetgever of het HvJ EG een einde maakt aan de twijfel op dit punt. Mocht de ontbinding van een huwelijk tussen personen van gelijk geslacht niet onder de verordening blijken te vallen, dan wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter bepaald volgens art. 4 lid 1 Rv.
In het algemeen wordt aangenomen dat de Vo-Brussel Bbis niet ziet op de ontbinding van geregistreerde partnerschappen. Het Nederlandse commune recht geeft hiervoor een regeling in art. 4 lid 4 Rv (jo. art. 1:80c lid 2 BW, als het de ontbinding langs administratieve weg betreft). Op basis van deze bepaling wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in het verzoek tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap beoordeeld via art. 3, 4en 5 Vo-BI:Ibis, met dien verstande dat de Nederlandse rechter altijd rechtsmacht heeft als het geregistreerd partnerschap in Nederland is aangegaan. Het wetsvoorstel beëindiging huwelijk zonder rechterlijke tussenkomst en vormgeving van het voortgezet ouderschap2 heeft in Nederland de vraag doen rijzen of de ontbinding van een huwelijk door de Nederlandse ambtenaar van de burgerlijke stand onder de Vo-Brussel Bbis gebracht zou kunnen worden. Naar valt aan te nemen zal een administratieve echtscheidingsbeslissing onder het echtscheidingsbegrip uit de Vo-BILIbis kunnen worden gebracht, indien de ontbinding niet is gebaseerd op de enkele wilsovereenstemming van partijen (zoals het wetsvoorstel aanvankelijk nog beoogde) maar op een constitutieve beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand (zoals in de laatste versie van het wetsvoorstel).3 Deze discussie lijkt voorlopig echter van de baan te zijn, omdat het wetsvoorstel op 20 juni 2006 door de Eerste Kamer is verworpen.4
Wat valt onder het begrip 'ouderlijke verantwoordelijkheid'? Onder de Vo-Brussel II werd dit begrip niet nader uitgelegd, zodat onduidelijkheden konden bestaan omtrent de reikwijdte van dit begrip (bijvoorbeeld met betrekking tot het omgangsrecht).5 De Vo-Brussel Bbis maakt goeddeels een einde aan deze onduidelijkheid. Art. 2 lid 7 van de verordening definieert de ouderlijke verantwoordelijkheid als 'alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind' .6 Dit omvat met name (a) het gezagsrecht7 en het omgangsrecht,8 (b) voogdij, curatele en overeenkomstige rechtsinstituten, (c) de aanwijzing en de taken van enige persoon of enig lichaam, belast met de zorg voor de persoon of het vermogen van het kind, of die het kind vertegenwoordigt of bijstaat, (d) de plaatsing van het kind in een pleeggezin of in een inrichting en (e) de maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer of de instandhouding van dan wel de beschikking over het vermogen van het kind (art. 1 lid 2).9Art. 1 lid 3 Vo-BIIbis sluit een aantal onderwerpen uitdrukkelijk van het materiële toepassingsgebied uit.10