Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/3.4.4
3.4.4 Artikel 6:236 en 6:237 BW, reflexwerking
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS499915:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De ‘lijst’ in artikel 6:236 BW is niet uitputtend.
Artikel 6:235 BW bepaalt dat op artikel 6:233 (en 6:234) BW geen beroep kan worden gedaan door een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:360 BW (onder meer de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij, de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) of door een partij die vijftig of meer werknemers heeft. Deze partijen zijn aangewezen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW).
Rb. Almelo (ktr.) 27 november 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BY4498.
Hof Arnhem-Leeuwarden 27 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8057.
Deze wet is ingetrokken op 13 juni 2014, toen de Europese richtlijn consumentenrechten werd geïmplementeerd. De regels uit de voornoemde richtlijn zijn terecht gekomen in afdeling 2B van titel 5 van boek 6 BW en in titel 1 van Boek 7 BW. Naast de Colportagewet zijn afdeling 9A van titel 1 van Boek 7 BW en afdeling 4.2.5 in de Wft vervallen.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 5 juni 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX5838, NJF 2012/369. Waar de kantonrechter had geoordeeld dat reflexwerking moest worden toegekend, omdat sprake was van een kleine zelfstandige zonder personeel die bij het aangaan van de overeenkomst een met een consument vergelijkbare positie had ingenomen, was het hof strikter. Het hof overwoog dat een kleine ondernemer niet gelijk te stellen is aan een particulier, en dat derhalve geen beroep kon worden gedaan op de bescherming van de Colportagewet.
Hof Arnhem-Leeuwarden 27 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8057.
Rb. Rotterdam 31 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2550.
Zoals aangestipt, bevat artikel 6:236 BW een uitwerking van de vraag wat moet worden verstaan onder een ‘onredelijk bezwarend beding’ en artikel 6:237 BW geeft hier een vermoeden van ten aanzien van een consument. Artikel 6:236 BW geeft in feite ‘gesloten normen’ ter (gedeeltelijke1) invulling van de open norm die is opgenomen in artikel 6:233 sub a BW. Het laatstgenoemde artikel, dat de open norm bevat, verliest daarmee echter niet zijn waarde c.q. is daardoor niet een volledig gesloten norm geworden. Het artikel blijft met name van belang wanneer een bepaalde algemene bepaling niet genoemd wordt in artikel 6:236 of 6:237 BW. Bovendien kan uitsluitend een consument een beroep doen op artikel 6:236 en 6:237 BW, daar waar van de doelgroep van artikel 6:233 BW door artikel 6:235 BW (grotere) ondernemingen2 worden uitgesloten.
In de vorige zin is aangegeven dat uitsluitend een consument een beroep op artikel 6:236 en 6:237 BW toekomt. Dat weerhoudt kleine ondernemingen er niet van om nog wel eens een indirect beroep op reflexwerking van artikel 6:236 en 6:237 BW te doen indien zij zich geconfronteerd zien met een (in hun ogen) onredelijk bezwarend beding. Een enkele keer slaagt dit ook.
De reflexwerking leidt ertoe dat kleine partijen die zich niet op professioneel niveau bezig houden met het sluiten van overeenkomsten, een beding in de algemene voorwaarden kunnen vernietigen, mede omdat het betreffende beding voorkomt in artikel 6:236 of 6:237 BW. Een voorbeeld van een kwestie waarbij een beroep op reflexwerking aan de orde kwam, is een uitspraak van de kantonrechter te Almelo3, gevolgd door een arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden op 27 oktober 20154. De kantonrechter overweegt:
“4.2 Vaststaat dat gedaagde sub 2 c.s. de overeenkomst heeft gesloten in het kader van een bedrijf, omdat de door Proximedia aangeboden goederen en diensten in het kader van de bedrijfsvoering van gedaagde sub 2 c.s. worden gebruikt. Gedaagde sub 2 c.s. kan dus niet gekwalificeerd worden als particulier in de zin van de Colportagewet. Het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem en het Gerechtshof Arnhem, hebben bij arrest van 11 oktober 2011 (LJN BU3275) respectievelijk 31 januari 2012 (LJN BV3776) geoordeeld dat geen ruimte bestaat om ter bescherming van kleine ondernemers reflexwerking toe te kennen aan de beschermende bepalingen van de Colportagewet, zodat het beroep van gedaagde sub 2 c.s. op de (reflexwerking van de) Colportagewet niet opgaat. De kantonrechter sluit zich daarbij aan, zodat het beroep van gedaagde sub 2 c.s. op de Colportagewet wordt verworpen.
[…]
4.4 Gedaagde sub 2 c.s. heeft voldoende onderbouwd gesteld dat op het moment van sluiten van de overeenkomst zij een kleine zelfstandige was. Gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3 woonden en werkten op hetzelfde adres als waar het bedrijf gevestigd is, hadden geen personeel in dienst, en de door Proximedia aangeboden diensten hangen niet onmiddellijk samen met de door gedaagde sub 2 c.s. bedrijfsmatig ondernomen activiteiten en liggen buiten het gebied van hun eigenlijke professionele activiteit, namelijk het runnen van een familiecamping. Gelet op het vorenstaande is gedaagde sub 2 c.s. materieel niet of nauwelijks van een consument te onderscheiden en komt hen via de open norm van artikel 6:233a BW de bescherming toe van de zogenaamde zwarte en grijze lijst.”
Waarna in hoger beroep het hof oordeelt:
“5.3 De grief slaagt. Het toepassingsgebied van de artikelen 6:236 en 6:237 BW is beperkt tot overeenkomsten met personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Het begrip ‘handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ omvat mede overeenkomsten die weliswaar ten behoeve van het beroep of bedrijf van de wederpartij van de gebruiker zijn gesloten, maar niet verschillen van overeenkomsten die ook door particulieren plegen te worden aangegaan. Het begrip ‘consument’ dient derhalve strikt te worden opgevat. Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] in dit geval niet als consument handelde, aangezien hij de overeenkomst met Proximedia is aangegaan ten behoeve van zijn telefoonwinkel.
5.4. Het voorgaande sluit niet uit dat de bedoelde artikelen via de open norm van artikel 6:233 onder a BW een zekere mate van reflexwerking kunnen uitoefenen. Dit zal met name ook het geval kunnen zijn bij transacties die nauwelijks van consumententransacties zijn te onderscheiden.”
Dat reflexwerking mogelijk is ten aanzien van artikel 6:236 en 6:237 BW (bedoeld voor consumenten), is opvallend indien de vergelijking wordt getrokken met rechtspraak aangaande de Colportagewet5. Daarin werd een streng onderscheid tussen een particulier en een (kleine) ondernemer gehanteerd.6
Het voornoemde arrest van hof Arnhem-Leeuwarden7, waarvan zojuist een citaat is gegeven over het beroep op reflexwerking ten aanzien van artikel 6:236 en 6:237 BW, behandelt ook het beroep op de reflexwerking ten aanzien van de Colportagewet die is bedoeld ter bescherming van particulieren:
“5.13. [geïntimeerde] heeft de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd op grond van de reflexwerking van artikel 24 van de Colportagewet. Met betrekking tot de toepasselijkheid c.q. de reflexwerking van de Colportagewet overweegt het hof als volgt. Vast staat dat [geïntimeerde] de overeenkomst heeft gesloten in het kader van zijn bedrijf, omdat de door Proximedia aangeboden goederen en diensten in het kader van de bedrijfsvoering van [geïntimeerde] worden gebruikt. [geïntimeerde] kan dus niet worden gekwalificeerd als ‘particulier’ als genoemd in artikel 1 lid 1, aanhef en onder d van de Colportagewet. Het hof ziet geen ruimte om ter bescherming van kleine ondernemers dit begrip ‘particulier’ zo ruim uit te leggen dat daaronder ook wordt begrepen een natuurlijke persoon die handelt in het kader van zijn beroep of bedrijf. In de wetsgeschiedenis van de Colportagewet is voor een zo ruime uitleg geen steun te vinden. Zo wordt in de wetgeschiedenis vermeld dat overeenkomsten tussen ondernemers buiten de werkingssfeer van de regeling vallen (Advies van de SER, bijlage bij de MvT, nr. 4, onder V). Een amendement dat onder meer tot doel had om ook personen die niet als particulier optreden (meer in het bijzonder personen die een groep particulieren vertegenwoordigen) te beschermen tegen misbruiken bij colportage is verworpen (amendement Terlouw, nr. 12). Uit een en ander volgt dat het beroep van [geïntimeerde] op de (reflexwerking van de) Colportagewet niet kan slagen.”
Een ander voorbeeld van een dergelijke kwestie betreft de uitspraak van Rechtbank Rotterdam op 31 maart 20168, waarin het standpunt aan de orde komt dat sprake is van ‘een kleine ondernemer die gelijk te stellen is met een particulier’. Het betreft een eenmanszaak. Aanvankelijk werd door de wederpartij een beroep gedaan op de bescherming van de Colportagewet via de reflexwerking, maar dat argument heeft de wederpartij gedurende de procedure laten vallen. Vastgehouden werd aan de reflexwerking van artikel 6:236 en 6:237 BW. Het beding dat ter discussie stond luidt:
“7.1 De onderhavige overeenkomst wordt gesloten voor een onherroepelijk en niet reduceerbare periode van 24 MAANDEN.(…) De Abonnee kan evenwel besluiten de overeenkomst te ontbinden, mits de betaling van een ontbindingsvergoeding gelijk aan 40% van de nog niet vervallen maandelijkse bijdragen voor de nog lopende periode wordt voldaan. In alle andere gevallen van vervroegde contractbreuk door een handeling of een overtreding door De Abonnee, is deze ook gehouden om aan Real Gen, bij wijze van forfaitaire vergoeding een som te betalen die gelijk is 40% van de nog niet vervallen maandelijkse bijdragen voor de nog lopende periode. Bij vervroegde ontbinding dient dit door Abonnee te worden aangekondigd aan Real Gen via een aangetekende brief. (…)”
Volgens de wederpartij is deze bepaling in strijd met 6:233 sub a BW, (mede) in verband met artikel 6:236 sub b BW (beperken bevoegdheid tot ontbinding) en 6:237 sub i BW (betalen geldsom bij beëindigen overeenkomst) en moet voor haar als eenmanszaak aan deze bepalingen reflexwerking toekomen.
Rechtbank Rotterdam stelt zich strikt op bij het beoordelen van dit standpunt van de wederpartij:
“4.8 […] Het toepassingsgebied van de wel aan de orde zijnde artikelen 6:236 en 6:237 BW is beperkt tot overeenkomsten met natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, anders gezegd tot consumententransacties. Het begrip consument dient strikt te worden opgevat. Vaststaat dat [gedaagde] de overeenkomst heeft gesloten in het kader van haar bedrijf. [gedaagde] kan dan ook niet worden aangemerkt als consument in voornoemde zin. Dit sluit niet uit dat de bedoelde artikelen via de open norm van artikel 6:233 onder a BW een zekere mate van reflexwerking kunnen uitoefenen – zoals door [gedaagde] is bepleit – maar dit ligt alleen voor de hand bij transacties die nauwelijks van consumententransacties zijn te onderscheiden, bijvoorbeeld een overeenkomst die weliswaar wordt gesloten in de uitoefening van een beroep of bedrijf maar naar inhoud ligt buiten het gebied van de eigenlijke professionele activiteit. Dat doet zich hier niet voor; de door Real Gen aangeboden goederen en diensten zouden immers in het kader van de bedrijfsvoering van [gedaagde] worden gebruikt. Het enkele feit dat [gedaagde] een kleine zelfstandige is, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om reflexwerking aan te nemen.”
Ook met de open norm van artikel 6:233a BW redt de wederpartij het in dit geval niet:
“4.9. Ook getoetst aan (uitsluitend) de open norm van artikel 6:233 onder a BW, ziet de kantonrechter geen grond voor vernietiging van artikel 7.1 van de algemene voorwaarden. Het vooraf bij het aangaan van de overeenkomst bedingen van een vergoeding bij vroegtijdige beëindiging kan in zijn algemeenheid niet als onredelijk worden bestempeld, te minder nu het hier gaat om partijen die handelden in de uitoefening van een beroep of bedrijf en geen aanspraak wordt gemaakt op het totaal aan resterende maandbedragen maar (slechts) op 40% daarvan.”
Kortom: reflexwerking wordt niet snel aangenomen. De enige doelgroep van artikel 6:236 en 6:237 BW is de consument, en andere partijen kunnen slechts in bijzondere gevallen een indirect beroep op deze artikelen doen.