Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.3.3
3.3.3 Het beginsel van loyale samenwerking resulteert in concrete verplichtingen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397306:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verhoeven 2011, p. 42-43; Temple Lang 2008A, p. 78-79; Temple Lang 2008B, p. 1517; Temple Lang 2001, p. 91.
Zie hieromtrent Kahl 2007, p. 433.
Verhoeven wijst in dat kader op HvJEG 19 februari 1991, C-374/89 (Commissie/België), Jur. 1991, p.1-367, r.o. 15-16, waar België weliswaar uitsluitend wegens een schending van artikel 5 EG-verdrag (thans artikel 4, derde lid, VEU) wordt veroordeeld, maar moet worden aangenomen dat ook artikel 155 EG-verdrag (oud) van betekenis is waarin was bepaald dat de Commissie tot taak heeft de naleving van de Europese Verdragen en het secundaire Europese recht te verzekeren. Verhoeven wijst voorts op HvJEG 26 oktober 2006, C-371/04 (Commissiefitalië),Jur. 2006, p.1-10257, waarin de klacht van de Commissie dat Italië artikel 10 EG (thans artikel 4, derde lid, VEU) heeft geschonden niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat de Commissie verzuimd had deze schending op te nemen in de aan Italië gezonden aanmaningsbrief. Advocaat-generaal Sharpston had in haar conclusie wel gesuggereerd Italië uitsluitend wegens een schending van het beginsel van loyale samenwerking te veroordelen (zie punt 40). Zie Verhoeven 2011, p. 43. Zie ook Temple Lang 2008A, p. 78; Temple Lang 2001, p. 85.
Verhoeven 2011, p. 42-43; Temple Lang 2008A, p. 80; Temple Lang 2008B, p. 1519; Kahl 2007, p. 453.
HvJEG 4 maart 2004, C-344/01 (Duitsland/Commissie), Jur. 2004, p. 1-2081, r.o. 79; HvJEG 16 oktober 2003, C-339/00 (Ierland/Commissie), Jur. 2003, p. 1-11757, r.o. 71.
Temple Lang 2008B, p. 1489. Zie ook Kahl 2007, p. 437.
HvJEG 21 september 1983, gevoegde zaken 205/82-215/82 (Deutsche Milchkontor), Jur. 1983. p. 2633. Zie hieromtrent ook Kahl 2007, p. 439.
Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 29.
Zie Temple Lang 2008A, p. 93; Temple Lang 2001, p. 88.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 8 februari 1973, 30/72 (Commissie/Italië), Jur. 1973, p. 161, r.o. 11. Het ging in deze zaak om de premieregeling voor het rooien van fruitbomen. Zie voorts Temple Lang 2008A, p. 89-90; Temple Lang 2008B, p. 1485; Temple Lang 2001, p. 88.
HvJEG 13 juli 1972, 48/71 (Commissie/Italië), Jur. 1972, p. 529, r.o. 7.
HvJEG 13 januari 2004, C-453/00 (Ktihne & Heitz), Jur. 2004, p. 1-837, AB 2004, 58, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, JB 2004/42, m.nt. N. Verheij, NJ 2004, 125, m.nt. M.R. Mok. Zie hieromtrent ook Kahl 2007, p. 447.
HvJEG 13 januari 2004, C-453/00 (Ktihne & Heitz), Jur. 2004, p. 1-837, AB 2004, 58, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, JB 2004/42, m.nt. N. Verheij, NJ 2004, 125, m.nt. M.R. Mok, r.o. 24; HvJEG 19 september 2006, gevoegde zaken C-392/04 en C-422/04 (i-21&Arcor), Jur. 2006, p. 1-8559, AB 2006, 411, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, JB 2006/288, m.nt. N. Verheij; NJ 2007, 19, m.nt. M.R. Mok, r.o. 51.
Zie het antwoord op de derde prejudiciële vraag in HvJEG 20 september 1988, 190/87 (Moorman), Jur. 1988, p. 4689. Uit de arresten HvJEG 4 december 1974, 41/74 (Van Duyn), Jur. 1974, p. 1337, r.o. 12 en HvJEG 19 januari 1982, 8/81 (Becker), Jur. 1982, p. 53, r.o. 25 blijkt dit nog niet expliciet. Zie ook Kahl 2007, p. 438; Temple Lang 2001, p. 88.
HvJEG 6 oktober 1970, 9/70 (Grad), Jur. 1970, p. 825, r.o. 9. Zie ook HvJEG 10 november 1992, C-156/91 (Hansa Fleisch), Jur. 1992, p. 1-5567, r.o. 13.
HvJEG 19 november 1991, gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90 (Francovich), Jur. 1991, p. 1-5357, r.o. 36. Zie hieromtrent ook Jans e.a. 2011, p. 339.
HvJEG 17 mei 1990, C-158/89 (Weingut Dietz-Matti), Jur. 1990, p. 1-2013, r.o. 12; HvJEG 28 maart 1984, gevoegde zaken 47/83 en 48/83 (Van Miert), Jur. 1984, p. 1721; HvJEG 5 mei 1981, 804/79 (CommissieNerenigd Koninkrijk), Jur. 1981, p. 1045.
HvJEG 28 maart 1984, gevoegde zaken 47/83 en 48/83 (Van Miert), Jur. 1984, p. 1721, r.o. 23.
HvJEG 4 oktober 1979, 141/78 (Frankrijk/Verenigd Koninkrijk), Jur. 1979, p. 2941, r.o. 8. Anders dan Temple Lang stelt, kan ik in deze uitspraak niet terugvinden dat het Verenigd Koninkrijk betoogde dat de Resolutie geen bindende kracht had. Zie Temple Lang 2008B, p. 1486.
Zie Senden 2004, p. 355-356.
HvJEG 13 maart 2007, C-432/05 (Unibet), Jur. 2007, p. 1-2271, r.o. 38, AB 2007, 301, m.nt. H. de Waele en R.J.B. Schutgens, NJ 2007, 376, m.nt. M.R. Mok; HvJEG 14 december 1995, C-312/93 (Peterbroeck), Jur. 1995, p.1-4599, r.o. 12; HvJEG 19 juni 1990, C-213/89 (Factortame), Jur. 1990, p. 1-2433, r.o. 19; HvJEG 4 oktober 1979, 33/77 (Rewe), Jur. 1976, p. 1989, r.o. 5; HvJEG 9 maart 1978, 106/77 (Simmenthal), Jur. 1978, p. 629, r.o. 21 en 22. Zie ook Temple Lang 2008A, p. 76; Temple Lang 2008B, p. 1505 e.v.; Kahl 2007, p. 448; Temple Lang 2006, p. 477 e.v.; Widdershoven 2005, p. 16; Temple Lang 2001, p. 88; Temple Lang 1997, p. 3-7.
Zie hieromtrent Kahl 2007, p. 452-453.
Zie de mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door de nationale rechterlijke instanties, Pb. 2009, C 85/1.
Het leerstuk van EU-conforme interpretatie komt uitgebreid aan de orde in paragraaf 3.2.2.3. Zie over de relatie van dit leerstuk met het beginsel van loyale samenwerking Kahl 2007, p. 448; Temple Lang 2001, p. 88.
HvJEG 29 november 1989, C-281/87 (Commissie/Griekenland), Jur. 1989, p. 4015, r.o. 17; HvJEG 17 januari 1980, gevoegde zaken 95/79 en 96/79 (Kefer), Jur. 1980, p. 103, r.o. 8; HvJEG 18 oktober 1979, 5/79 (Buys), Jur. 1979, p. 3203, r.o. 18, HvJEG 11 november 1979, gevoegde zaken 16/79-20/79 (Danis), Jur. 1979, p. 3327, r.o. 10. Hoewel niet in al deze arresten expliciet wordt verwezen naar het beginsel van loyale samenwerking moet worden aangenomen dat deze rechtspraak daarop berust. Dit volgt uit HvJEG 18 oktober 1979, 5/79 (Buys), Jur. 1979, p. 3203, r.o. 30 waarin het Hof overweegt dat de lidstaat met het toepassen van een nationale regeling op producenten die onder een gemeenschappelijke marktordening vallen, inbreuk maakt op het beginsel van artikel 5 EEG (thans artikel 4, derde lid, VEU) omdat zij de doelstellingen of de werking van deze marktordening in gevaar brengt.
HvJEG 18 maart 1986, 85/85 (Commissie/I3elgie), Jur. 1986, p. 1149, r.o. 22; HvJEG 2 februari 1977, 50/76 (Amsterdam Bulb BV), Jur. 1977, p. 137, r.o. 8. Het verbod om door toepassing van nationaal recht het nuttig effect van het Europese recht te ontnemen heeft het Hof ontwikkeld in mededingingszaken. Zie HvJEG 16 november 1977,13/77 (INNO), Jur. 1977, p. 2115, r.o. 31; HvJEG 21 september 1988, 267/86 (Van Eycke), Jur. 1988, p. 4769, r.o. 16; HvJEG 17 november 1993, C-185/91 (Betij), Jur. 1993, 1-5801, r.o. 14; HvJEG 9 juni 1994, C-153/93 (Delta Schiffahrts- und Speditionsgesellschaft), Jur. 1994, p. 1-2517, r.o. 14; HvJEG 5 oktober 1995, C-96/94 (Centro Servizi Spediporto), Jur. 1995, p. 1-2883, r.o. 20, en HvJEG 19 februari 2002, C-35/99 (Arduino), Jur. 2002, p. 1-1529, r.o. 34.
Uit het beginsel van loyale samenwerking in combinatie met bepalingen van Europees recht of algemene rechtsbeginselen is door het Hof van Justitie een aantal concrete verplichtingen afgeleid die gelden voor de lidstaten en hun organen indien zij het Europese recht uitvoeren. Deze concrete verplichtingen zijn zowel positief als negatief van aard. Het beginsel van loyale samenwerking is geen zelfstandige bron van verplichtingen.1 Weliswaar worden uit het beginsel verplichtingen afgeleid die niet expliciet in het Europese recht zijn neergelegd,2 er bestaat voor de desbetreffende verplichting altijd ook een grondslag in een bepaling of algemeen beginsel van Europees recht ook á wordt deze niet altijd met zoveel woorden genoemd.3 Het beginsel van loyale samenwerking kan voorts niet dienen als zelfstandige bevoegdheidsgrondslag.4
Voorop staat dat uit het beginsel van loyale samenwerking voortvloeit dat de lidstaten alle dienstige maatregelen moeten treffen om de draagwijdte en de doeltreffendheid van het Europese recht te waarborgen.5 Lidstaten zijn verplicht om volledig effect aan het Eu-recht te geven.6 Voor zover geen gemeenschappelijke Europese regels bestaan, zijn de lidstaten op grond van het beginsel van loyale samenwerking gehouden nationaal recht toe te passen.7 In dat kader heeft het Hof van Justitie onder verwijzing naar het beginsel van loyale samenwerking uitgemaakt dat indien nationale uitvoeringsorganen het Europese recht handhaven met behulp van het nationale recht, behalve aan de eisen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, ook aan de eisen van afschrikkendheid en evenredigheid moet zijn voldaan.8 Ook de verplichting voor nationale uitvoeringsorganen om zich te houden aan de algemene Europese rechtsbeginselen vindt haar grondslag in het beginsel van loyale samenwerking.9 Voorts berust de verplichting voor de lidstaten om met Europees recht strijdig nationaal recht aan te passen dan wel buiten toepassing te laten onder meer op het beginsel van loyale samenwerking.10 Sterker nog, lidstaten zijn verplicht alle maatregelen te nemen om de volledige doorwerking van het Europese recht te vergemakkelijken.11 Uit het arrest Kühne en Heitz volgt evenwel dat nationale bestuursorganen slechts onder bepaalde strikte voorwaarden op grond van het beginsel van loyale samenwerking zijn gehouden om in rechte onaantastbare besluiten die in strijd blijken te zijn met het Eu-recht te heroverwegen.12 Dit vindt zijn oorzaak in het ook op Eu-niveau erkende rechtszekerheidsbeginsel, waaruit onder meer volgt dat het Eu-recht niet vereist dat een bestuursorgaan in beginsel moet terugkomen op een besluit dat in rechte onaantastbaar is geworden.13
Ook het recht van een justitiabele om zich tegenover een lidstaat te beroepen op een onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige bepaling van een richtlijn die niet of niet naar behoren is omgezet, vindt onder meer zijn oorsprong in het beginsel van loyale samenwerking.14 Volgens het Hof van Justitie volgt uit de dwingende werking die een richtlijn heeft en de samenwerkingsverplichting van artikel 5 EEG (thans artikel 4, derde lid, VEU) dat de lidstaat tot welke een richtlijn is gericht, zich niet kan onttrekken aan de verplichtingen die de richtlijn hem oplegt. Voormelde jurisprudentie is ook relevant voor Europese besluiten, nu particulieren aan daarin neergelegde bepalingen die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn eveneens rechten kunnen ontlenen.15
Voorts dient ook de grondslag voor de in paragraaf 3.2.2.4 besproken lidstaataansprakelijkheid voor schendingen van het Eu-recht onder meer te worden gevonden in het beginsel van loyale samenwerking.16
Het beginsel van loyale samenwerking speelt ook een rol indien de Europese wetgever 'stil zit'. In het kader van de uitvoering van de gemeenschappelijke marktordeningen heeft het Hof van Justitie meermalen overwogen dat er in beginsel geen bezwaar tegen bestaat dat een lidstaat bij het stilzitten van de gemeenschapswetgever nationale maatregelen handhaaft of vaststelt, die ertoe strekken, op zijn grondgebied de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening te verwezenlijken.17 Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn dergelijke maatregelen echter niet te beschouwen als behorende tot de eigen bevoegdheid van de lidstaten. Zij moeten worden gezien als uitvloeisel van de verplichting tot samenwerking ter verwezenlijking van de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening, die indien de Europese wetgever stilzit krachtens het loyaliteitsbeginsel op de lidstaten rust.18 Verder heeft het Hof van Justitie in het arrest van 4 oktober 1979 op grond van het beginsel van loyale samenwerking aangenomen dat lidstaten aan een resolutie van de Raad - soft law - zijn gebonden.19 Het verdient opmerking dat het in de specifieke zaak ging om een resolutie waarin het beginsel van loyale samenwerking nader werd uitgewerkt.20 Er bestaat op grond van het beginsel van loyale samenwerking derhalve voor de lidstaat geen algemene verplichting om in overeenstemming met soft law te handelen.
Van belang is verder dat het Hof van Justitie uit het beginsel van loyale samenwerking voor de nationale rechter de verplichting heeft afgeleid zorg te dragen voor rechterlijke bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Europese recht ontlenen.21 Op de nationale rechter rust voorts een verplichting om samen te werken met de Europese Commissie. Daarbij moet niet alleen worden gedacht aan het Eu-mededingingsrecht, maar ook aan het staatssteunrecht.22 In staatssteunzaken is de nationale rechter bevoegd om inlichtingen te vragen bij de Europese Commissie.23 Ten slotte is de nationale rechter op grond van het beginsel van loyale samenwerking verplicht om elk nationaal recht zoveel mogelijk Eu-conform uit te leggen.24
Wat betreft de negatieve verplichting die is neergelegd in artikel 4, derde lid, VEU heeft het Hof van Justitie bepaald dat nationale maatregelen niet mogen interfereren met de uitvoering van Eu-recht indien sprake is van een uitputtende Europese regeling.25 Voorts moeten zij elke maatregel vermijden die in strijd is met het Europese recht, dan wel het nuttig effect van het Europese recht ongedaan kan maken.26