ECLI:NL:HR:2017:584
Hof Arnhem-Leeuwarden, 18-03-2022, nr. 21-004194-20
ECLI:NL:GHARL:2022:2121
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
18-03-2022
- Zaaknummer
21-004194-20
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2022:2121, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 18‑03‑2022; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2023:1768
Uitspraak 18‑03‑2022
Inhoudsindicatie
Het hof legt een taakstraf van tachtig uur en een geldboete van € 1.800,- op voor het aanwezig hebben van 7,66 gram cocaïne en 3,24 gram heroïne, welke partijen verdovende middelen bestemd waren voor de verkoop.
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004194-20
Uitspraak d.d.: 18 maart 2022
TEGENSPRAAK (art. 279 Sv)
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland (zittingsplaats Utrecht) van 3 november 2020 met parketnummer 16-171210-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
in de BPR ingeschreven op het adres [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht door zijn raadsvrouw, mr. S. Schilder.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen omdat het hof op een aantal punten anders zal beslissen dan de politierechter.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 30 juni 2020 te Utrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7,66 gram cocaïne en/of 3,24 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 30 juni 2020 te Utrecht, in elk geval in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen cocaïne en/of heroïne verpakt in kleine hoeveelheden en/of een hoeveelheid chartaal geld en/of meerdere telefoons, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
De raadsvrouw heeft bepleit dat het hof de verdachte integraal zal vrijspreken. Het hof is van oordeel dat dit verweer wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen.
De resultaten van het onderzoek aan de Nokia-telefoons
De raadsvrouw heeft bepleit dat het onderzoek dat, zonder tussenkomst van de officier van justitie, aan de in beslag genomen Nokia-telefoons is verricht, onrechtmatig is. Dit brengt mee dat sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dat de resultaten van dit onderzoek niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde, aldus de raadsvrouw.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.
Het hof stelt vast dat aan de Nokia-telefoons het volgende onderzoek is verricht.
De politie heeft een aantal inkomende berichten gelezen. Het gaat in totaal om vier berichten, die konden worden gelezen zonder de pincode van de telefoon in te voeren.
De politie heeft een aantal inkomende oproepen beantwoord. Het ging in totaal om vier oproepen, waarbij telkens een gesprek plaatsvond met de beller. Na enkele zinnen maakte de verbalisant zichzelf bekend als politieambtenaar.
Met betrekking tot het door de politie verrichtte onderzoek aan de Nokia-telefoons is het hof van oordeel dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Naar het oordeel van het hof heeft dit onderzoek slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte opgeleverd, waardoor de wet hiervoor geen voorafgaande tussenkomst van de officier van justitie vereiste.1.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in zijn onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op of omstreeks 30 juni 2020 te Utrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7,66 gram cocaïne en/of 3,24 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, (een) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 30 juni 2020 te Utrecht, in elk geval in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren of verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, cocaïne en/of heroïne verpakt in kleine hoeveelheden en/of een hoeveelheid chartaal geld en/of meerdere telefoons voorhanden heeft gehad, waarvan de verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feiten.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van (onder 1) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en (onder 2) om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 180 uren.
De raadsvrouw heeft, voor het geval het hof toekomt aan het opleggen van een straf, opgemerkt dat de verdachte slechts één keer eerder is veroordeeld voor een Opiumwet-misdrijf. Verder kan de verdachte binnenkort starten met een baan als koerier.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Het gebruik van harddrugs gaat gepaard met grote gezondheidsrisico’s en regelmatig ook met maatschappelijke teloorgang. Verder komt het veel voor dat (verslaafde) harddrugsgebruikers die verdovende middelen proberen te bekostigen door middel van diefstal of andere vermogensdelicten, waardoor de samenleving schade wordt toegebracht.
Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 januari 2022 blijkt dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde al eens onherroepelijk was veroordeeld voor een Opiumwet-misdrijf. Kennelijk heeft die veroordelingen de verdachte er niet van weerhouden opnieuw in de fout te gaan.
Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten voor de straftoemeting ontwikkeld, met als doel het bevorderen van een consistent landelijk straftoemetingsbeleid. Deze oriëntatiepunten kunnen dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de op te leggen straf. Het oriëntatiepunt voor het bezit van maximaal tien tot vijftig gram harddrugs is een taakstraf van tachtig uren. Als strafverzwarende omstandigheid neemt het hof in aanmerking dat de cocaïne en heroïne die de verdachte in het bezit had, bestemd waren voor de verkoop.
Alles overziende zal het hof de verdachte veroordelen tot een taakstraf van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, en een geldboete van € 1.800.- De financiële draagkracht van de verdachte verzet zich niet tegen deze geldboete, aangezien het hof zal beslissen dat het in beslag genomen geldbedrag zal worden teruggegeven aan de verdachte.
In beslag genomen voorwerpen
Ten aanzien van de telefoons en het etui zal het hof beslissen tot verbeurdverklaring. Naar het oordeel van het hof gaat het om voorwerpen waarmee het onder 2 bewezenverklaarde is begaan. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, stelt het hof vast dat de telefoons werden gebruikt als zogenoemde ‘dealertelefoons’, oftewel telefoons waarmee de verdachte contact had van (potentiële) afnemers van verdovende middelen.
Ten aanzien van de verdovende middelen zal het hof beslissen tot onttrekking aan het verkeer. Naar het oordeel van het hof gaat om voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Voor de cocaïne en heroïne geldt dat het gaat om voorwerpen met betrekking tot welke het onder 1 en 2 bewezenverklaarde is begaan. Voor de andere verdovende middelen geldt dat deze bij gelegenheid van het onderzoek naar het onder 1 en 2 bewezenverklaarde feit zijn aangetroffen en dat deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.
Ten aanzien van het geldbedrag van € 1.846,25 zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte niet is tenlastegelegd dat hij cocaïne of heroïne heeft verkocht en dat niets erop wijst dat het geldbedrag is verkregen door middel van een van de bewezenverklaarde feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.800 (duizend achthonderdeuro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 (achtentwintig) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen:
– twee telefoons (goednummer: G2653607) en
– een etui (G2654228).
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen:
– cocaïne (goednummer: G2653599) en
– heroïne (goednummer: G2653600) en
– hasjiesj (goednummer: G2653602) en
– verdovende middelen (goednummer: G2653603).
Gelast de teruggave aan de verdachte van het volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp: € 1846,25.
Aldus gewezen door
mr. R.M. Maanicus, voorzitter,
mr. J.D. den Hartog en mr. O.O. van der Lee, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D. van der Geld, griffier,
en op 18 maart 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑03‑2022