Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 2 (Voorstel van de wet).
HR, 19-12-2023, nr. 22/01007
ECLI:NL:HR:2023:1768
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-12-2023
- Zaaknummer
22/01007
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Politierecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1768, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑12‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:2121
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:960
ECLI:NL:PHR:2023:960, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑10‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1768
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑09‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0221
NTS 2023/73
Uitspraak 19‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Verkopen van cocaïne en heroïne, art. 2.B Opiumwet. Opsporingsmethode beantwoorden van inkomende oproepen op onder verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoons door politie. Is sprake van vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv? Hof heeft vastgesteld dat onder verdachte drie mobiele telefoons in beslag zijn genomen en dat politie, na inbeslagneming, vier inkomende oproepen op een van die telefoons heeft beantwoord. Anders dan hof heeft overwogen, vormt deze beantwoording niet een onderzoek aan die inbeslaggenomen telefoons zoals aan de orde in HR:2017:584. Bevoegdheid kan daarom niet worden gevonden in wettelijke grondslag voor inbeslagneming. Dit leidt echter niet tot cassatie. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2014:1563 m.b.t. niet specifiek in wet geregelde wijzen van opsporing. Hof heeft geoordeeld dat beantwoorden door politie van inkomende oproepen zoals in deze zaak heeft plaatsgevonden, slechts beperkte inbreuk op persoonlijke levenssfeer van verdachte heeft opgeleverd, dat daarvoor geen tussenkomst van OvJ was vereist en daarom geen sprake is van vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk, gelet op (mede aan het in bewijsmiddel opgenomen p-v van bevindingen ontleende) vaststellingen van hof dat politie niet meer dan vier oproepen heeft beantwoord, waarna kort gesprek met beller plaatsvond waarin beller liet blijken op zoek te zijn naar verdovende middelen, en waarbij opsporingsambtenaar na enkele zinnen zijn functie bekend maakte. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01007
Datum 19 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 maart 2022, nummer 21-004194-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern over het oordeel van het hof dat het beantwoorden door de politie van inkomende oproepen op een van de onder de verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoons, geen vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) vormt.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij op 30 juni 2020 te Utrecht, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren of verstrekken van cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, cocaïne en heroïne verpakt in kleine hoeveelheden en telefoons voorhanden heeft gehad, waarvan de verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] (pagina 14 en verder van het politiedossier), voor zover inhoudend:
Op 30 juni 2020 reed ik omstreeks 16.30 uur in de omgeving van het Kastelenplantsoen en de IJsselsteinlaan [het hof begrijpt: in Utrecht]. Het viel mij op dat de mij bekende harddrugsgebruiker [betrokkene 1] op de hoek van de straat bleef rondhangen. Hij was duidelijk op iets of iemand aan het wachten op de hoek van straat. Nadat mij dit opgevallen was, zag ik een grijze Opel Corsa rijden over het Kastelenplantsoen. Ik zag dat de passagier voorin een opvallend wit trainingspak aan had en een schoudertasje om had. Ik zag dat de Opel Corsa geparkeerd werd tegenover de bushalte op de IJsselsteinlaan. Dat was ongeveer vijftig meter van waar [betrokkene 1] stond. Ik zag dat [betrokkene 1] meteen in hun richting liep. Ik ben even later langs de Opel Corsa gereden en zag dat er niemand in de auto zat. Ik zag vervolgens dat twee jongens aan kwamen lopen en plaatsnamen in de Opel Corsa. Ik besloot beide inzittenden naar hun identiteitsbewijs te vragen.
Ik vorderde van de passagier (met het witte trainingspak) een identiteitsbewijs. Ik zag dat de passagier met het witte trainingspak uitstapte en wegliep. Ik liep snel naar hem toe en vroeg hem nogmaals naar zijn identiteitsbewijs. Ik hoorde dat hij zei: “Ik ga deze thuis even pakken. Ik heb deze niet bij me.” Ik zag dat hij een tasje om zijn schouder had. Ik zei hem: “Wat heb je dan in dat tasje zitten als je geen identiteitsbewijs bij je hebt? Laat eerst even zien dat in je tasje geen legitimatiebewijs zit en dan mag je het halen.” Ik hoorde hem zeggen: “Waarom wil je in mijn tasje kijken?” Ik zei hem: “Om te kijken of je daar je identiteitsbewijs in hebt zitten. En ik denk dat je daar drugs in hebt zitten, dus ik wil er wel even in kijken.” Vervolgens zag ik dat de verdachte in het witte trainingspak hard wegrende in de richting van de Hofnarlaan. Ik zag dat hij die straat in rende. Ik ben op mijn motor gesprongen en zette de achtervolging in. Ik ben de verdachte in het witte trainingspak even kwijt geweest op het moment waarop hij de Hofnarlaan in rende. Echter, ik zag dat twee medewerkers van Handhaving mij de Hofnarlaan in wezen. Daar zag ik de jongen aan het einde van de straat rennen en de Herautsingel in rennen. Ik bleef hem achtervolgen en heb hem op de hoek aangesproken en gezegd dat hij moest blijven staan. Ik besloot hem aan te houden. Even later stond ik met de verdachte met het witte trainingspak bij mijn motor. Ik zag dat hij zijn schoudertasje nog om had. De verdachte in het witte trainingspak is door collega’s overgebracht [het hof begrijpt op basis van pagina 35 van het politiedossier: naar het politiebureau aan de Kroonstraat in Utrecht]. Hier legitimeerde hij zich met een paspoort als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] [het hof begrijpt: de verdachte].
Ik ben met de motor de looproute van de verdachte teruggereden en zag op de hoek van Hofnarlaan en de Herautsingel een collega met twee medewerkers van Handhaving in de bosjes zoeken. Het had de hele middag geregend, maar zij troffen een zwart lederen mapje aan dat geheel droog was. Hierin zaten onder meer zeven bolletjes met inhoud, twee zakjes met inhoud en een koffiefilter met inhoud. Het mapje heb ik in beslag genomen.
De verdachte had in totaal drie telefoons bij zich. Het betrof twee Nokia-telefoons en een iPhone. Ik zag dat tijdens de insluiting de volgende berichten binnenkwamen op de telefoon [het hof begrijpt op basis van pagina 18 en 19 van het politiedossier: op een van de Nokia-telefoons]: “Kom je nou nog?” en “Ik bel iemand a” [het hof begrijpt dat het bericht onvolledig is weergegeven en dat de strekking ervan is dat de afzender iemand anders zal bellen]. Ik heb een kort onderzoek ingesteld op één van de telefoons en daarbij zag ik direct de volgende berichten: “Ok mop 50 voor gram” en "Nee zeg hem hou 50 in je hand snel snel bij de deur”.
3. Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 2] (pagina 33 en verder van het politiedossier), voor zover inhoudend:
Op 30 juni 2020 is verdachte [verdachte] aangehouden omdat hij verdacht werd van handelen in dan wel het aanwezig hebben van harddrugs. Op 30 juni 2020 kwam de verdachte aan bij het politiebureau aan de Kroonstraat in Utrecht. Bij de fouillering van de verdachte kwamen een iPhone en twee Nokia-telefoons naar voren.
Op woensdag 1 juli 2020, omstreeks 08.10 uur, hoorde ik een van de Nokia-telefoons af gaan. Ik nam de telefoon op en zei: “Hallo. Wat moet je?” Ik hoorde vervolgens de persoon zeggen: “Ik wil een bolletje wit, voor veertig euro”. Nadat ik mij bekendmaakte als politieambtenaar hoorde ik haar zeggen: “Goed dat jullie het zeggen. Dan moet ik ergens anders drugs gaan halen.”
Op woensdag 1 juli 2020, omstreeks 10.58 uur, hoorde ik een van de Nokia-telefoons af gaan. Ik nam de telefoon op en zei: “Ja, hallo”. Ik hoorde een persoon zeggen: “Ik moet weer wat hebben, hetzelfde als vorige keer”. Ik zei tegen de persoon: “Wat moet je hebben?” Ik hoorde de persoon zeggen: “Eén bolletje bruin”.
Op woensdag 1 juli 2020, omstreeks 14.45 uur, hoorde ik een van de Nokia-telefoons af gaan. Ik nam de telefoon op met: “Hallo”. Ik hoorde dat de persoon aan de telefoon zei: “Ik wil één donkere en we hebben tien euro contant.”
2.3.1
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte daar onder meer het volgende verweer gevoerd:
“15. Daarnaast is wat mij betreft de politie zijn boekje te buiten gegaan door de telefoons op te nemen en gesprekken aan te gaan over het kopen van drugs. Ook hiervoor zie ik geen toestemming van de officier van justitie, dan wel van de rechter-commissaris.
16. De verdediging meent dat hier geen sprake is van een bevoegdheid uit het Wetboek van Strafvordering. De verbalisant heeft de in beslag genomen telefoons opgenomen, welke hij vervolgde met korte gesprekken. Dit is gedaan zonder gebruik te maken van een bijzondere opsporingsbevoegdheid zoals pseudo (ver–)koop, en zonder het daarvoor vereiste bevel van de officier van justitie, al dan niet met een machtiging van de rechter-commissaris. Het handelen van de verbalisant is naar de mening van de verdediging dan ook onrechtmatig geweest. De verdediging meent, dan ook dat sprake is van een vormverzuim dat in wat de verdediging betreft dient te leiden tot bewijsuitsluiting van het proces-verbaal, dan wel in elk geval strafvermindering. Er is immers door de verbalisant gehandeld zonder daarvoor geldende bevoegdheid, dan wel toestemming, waardoor artikel 6 EVRM is geschonden. Daarnaast is sprake van een schending van artikel 8 EVRM.”
2.3.2
Het hof heeft dat verweer verworpen en daarover het volgende overwogen:
“Het hof stelt vast dat aan de Nokia-telefoons het volgende onderzoek is verricht.
a. De politie heeft een aantal inkomende berichten gelezen. Het gaat in totaal om vier berichten, die konden worden gelezen zonder de pincode van de telefoon in te voeren.
b. De politie heeft een aantal inkomende oproepen beantwoord. Het ging in totaal om vier oproepen, waarbij telkens een gesprek plaatsvond met de beller. Na enkele zinnen maakte de verbalisant zichzelf bekend als politieambtenaar.
Met betrekking tot het door de politie verrichte onderzoek aan de Nokia-telefoons is het hof van oordeel dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Naar het oordeel van het hof heeft dit onderzoek slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte opgeleverd, waardoor de wet hiervoor geen voorafgaande tussenkomst van de officier van justitie vereiste.1 [voetnoot 1: ECLI:NL:HR:2017:584].”
2.4.1
Het hof heeft vastgesteld dat onder de verdachte drie mobiele telefoons in beslag zijn genomen en dat de politie, na die inbeslagneming, vier inkomende oproepen op een van die telefoons heeft beantwoord. Anders dan het hof heeft overwogen, vormt deze beantwoording van inkomende oproepen niet een onderzoek aan die inbeslaggenomen telefoons, zoals aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584. De bevoegdheid hiertoe kan daarom niet worden gevonden in de wettelijke grondslag voor inbeslagneming. Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld.
2.4.2
Dit leidt echter om de volgende redenen niet tot cassatie. Het door een opsporingsambtenaar beantwoorden van inkomende oproepen op een inbeslaggenomen telefoon is niet in de wet geregeld. Voor zo’n niet specifiek in de wet geregelde wijze van opsporing moet worden aangenomen dat opsporingsambtenaren op grond van artikel 3 Politiewet 2012 en artikel 141 en 142 Sv alleen bevoegd zijn haar in te zetten op een wijze die een beperkte inbreuk maakt op de grondrechten van burgers en die niet zeer risicovol is voor de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing (vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1563).
2.4.3
Het hof heeft geoordeeld dat het beantwoorden door de politie van inkomende oproepen zoals dat in deze zaak heeft plaatsgevonden, slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte heeft opgeleverd, dat daarvoor geen tussenkomst van de officier van justitie was vereist en dat daarom geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Dat oordeel getuigt, gelet op wat onder 2.4.2 is overwogen, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk, gelet op de – mede aan het in bewijsmiddel 3 opgenomen proces-verbaal van bevindingen ontleende – vaststellingen van het hof dat de politie niet meer dan vier oproepen heeft beantwoord, waarna een kort gesprek met de beller plaatsvond waarin de beller liet blijken op zoek te zijn naar verdovende middelen, en waarbij de opsporingsambtenaar na enkele zinnen zijn functie bekend maakte.
2.5
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2023.
Conclusie 31‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Opnemen van een binnenkomende oproep en het daarop voeren van een telefoongesprek met inbeslaggenomen telefoon, is geen onderzoek aan een inbeslaggenomen voorwerp (ex art. 94 e.v.). Art. 3 Politiewet 2012 en art. 141 Sv, mede gelet op de geringe inbreuk op de privacy van verdachte, kunnen als wettelijke basis dienen voor een dergelijke opsporingsmethode. ’s Hofs oordeel dat het handelen van de opsporingsambtenaar geen voorafgaande tussenkomst van de officier van justitie vereiste geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01007
Zitting 31 oktober 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 18 maart 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem wegens 1 en 2 “de eendaadse samenloop van (onder 1) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en (onder 2) om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een geldboete van € 1.800,-, subsidiair 28 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof ten aanzien van inbeslaggenomen nog niet teruggeven voorwerpen de beslissingen genomen zoals in het arrest vermeld.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt ten aanzien van feit 2 dat het hof ten onrechte, althans op onjuiste en/of ontoereikende gronden heeft verworpen het verweer dat het door de politie verrichte onderzoek met betrekking tot de onder de verdachte inbeslaggenomen telefoons onrechtmatig is en dat de resultaten daarvan ingevolge art. 359a Sv moeten worden uitgesloten van de bewijsvoering dan wel tot strafvermindering dient te leiden.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij op 30 juni 2020 te Utrecht, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren of verstrekken van cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, cocaïne en heroïne verpakt in kleine hoeveelheden en telefoons voorhanden heeft gehad, waarvan de verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten.”
3.3
De door het hof in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, houden in:
“1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] (pagina 14 en
verder van het politiedossier), voor zover inhoudend:
Op 30 juni 2020 reed ik omstreeks 16.30 uur in de omgeving van het Kastelenplantsoen en de IJsselsteinlaan [het hof begrijpt: in Utrecht]. Het viel mij op dat de mij bekende harddrugsgebruiker [betrokkene 1] op de hoek van de straat bleef rondhangen. Hij was duidelijk op iets of iemand aan het wachten op de hoek van straat. Nadat mij dit opgevallen was, zag ik een grijze Opel Corsa rijden over het Kastelenplantsoen. Ik zag dat de passagier voorin een opvallend wit trainingspak aan had en een schoudertasje om had. Ik zag dat de Opel Corsa geparkeerd werd tegenover de bushalte op de IJsselsteinlaan. Dat was ongeveer vijftig meter van waar [betrokkene 1] stond. Ik zag dat [betrokkene 1] meteen in hun richting liep. Ik ben even later langs de Opel Corsa gereden en zag dat er niemand in de auto zat. Ik zag vervolgens dat twee jongens aan kwamen lopen en plaatsnamen in de Opel Corsa. Ik besloot beide inzittenden naar hun identiteitsbewijs te vragen.
Ik vorderde van de passagier (met het witte trainingspak) een identiteitsbewijs. Ik zag dat de
passagier met het witte trainingspak uitstapte en wegliep. Ik liep snel naar hem toe en vroeg
hem nogmaals naar zijn identiteitsbewijs. Ik hoorde dat hij zei: “Ik ga deze thuis even pakken. Ik heb deze niet bij me.” Ik zag dat hij een tasje om zijn schouder had. Ik zei hem: “Wat heb je dan in dat tasje zitten als je geen identiteitsbewijs bij je hebt? Laat eerst even zien dat in je tasje geen legitimatiebewijs zit en dag mag je het halen.” Ik hoorde hem zeggen: “Waarom wil je in mijn tasje kijken?” Ik zei hem: “Om te kijken of je daar je identiteitsbewijs in hebt zitten. En ik denk dat je daar drugs in hebt zitten, dus ik wil er wel even in kijken.” Vervolgens zag ik dat de verdachte in het witte trainingspak hard wegrende in de richting van de Hofnarlaan. Ik zag dat hij die straat in rende. Ik ben op mijn motor gesprongen en zette de achtervolging in. Ik ben de verdachte in het witte trainingspak even kwijt geweest op het moment waarop hij de Hofnarlaan in rende. Echter, ik zag dat twee medewerkers van Handhaving mij de Hofnarlaan in wezen. Daar zag ik de jongen aan het einde van de straat rennen en de Herautsingel in rennen. Ik bleef hem achtervolgen en heb hem op de hoek aangesproken en gezegd dat hij moest blijven staan. Ik besloot hem aan te houden. Even later stond ik met de verdachte met het witte trainingspak bij mijn motor. Ik zag dat hij zijn schoudertasje nog om had. De verdachte in het witte trainingspak is door collega’s overgebracht [het hof begrijpt op basis van pagina 35 van het politiedossier: naar het politiebureau aan de Kroonstraat in Utrecht]. Hier legitimeerde hij zich met een paspoort als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] [het hof begrijpt: de verdachte].
Ik ben met de motor de looproute van de verdachte teruggereden en zag op de hoek van Hofnarlaan en de Herautsingel een collega met twee medewerkers van Handhaving in de bosjes zoeken. Het had de hele middag geregend, maar zij troffen een zwart lederen mapje aan dat geheel droog was. Hierin zaten onder meer zeven bolletjes met inhoud, twee zakjes met inhoud en een koffiefilter met inhoud. Het mapje heb ik in beslag genomen.
De verdachte had in totaal drie telefoons bij zich. Het betrof twee Nokia-telefoons en een iPhone. Ik zag dat tijdens de insluiting de volgende berichten binnenkwamen op de telefoon [het hof begrijpt op basis van pagina 18 en 19 van het politiedossier: op een van de Nokia- telefoons]: "Kom je nou nog?” en "Ik bel iemand a” [het hof begrijpt dat het bericht onvolledig is weergegeven en dat de strekking ervan is dat de afzender iemand anders zal bellen]. Ik heb een kort onderzoek ingesteld op één van de telefoons en daarbij zag ik direct de volgende berichten: "Ok mop 50 voor gram” en "Nee zeg hem hou 50 in je hand snel snel bij de deur”.(…)
3. Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 2] (pagina 33 en
verder van het politiedossier), voor zover inhoudend:
Op 30 juni 2020 is verdachte [verdachte] aangehouden omdat hij verdacht werd van handelen in dan wel het aanwezig hebben van harddrugs. Op 30 juni 2020 kwam de verdachte aan bij het politiebureau aan de Kroonstraat in Utrecht. Bij de fouillering van de verdachte kwamen een iPhone en twee Nokia-telefoons naar voren.
Op woensdag 1 juli 2020, omstreeks 08.10 uur, hoorde ik een van de Nokia-telefoons af gaan. Ik nam de telefoon op en zei: "Hallo. Wat moet je?” Ik hoorde vervolgens de persoon zeggen: "Ik wil een bolletje wit, voor veertig euro". Nadat ik mij bekendmaakte als politieambtenaar hoorde ik haar zeggen: ‘Goed dat jullie het zeggen. Dan moet ik ergens anders drugs gaan halen.”
Op woensdag 1 juli 2020, omstreeks 10.58 uur, hoorde ik een van de Nokia-telefoons af gaan. Ik nam de telefoon op en zei: "Ja, hallo". Ik hoorde een persoon zeggen: "Ik moet weer wat hebben, hetzelfde als vorige keer”. Ik zei tegen de persoon: "Wat moet je hebben?" Ik hoorde de persoon zeggen: "Eén bolletje bruin".
Op woensdag 1 juli 2020, omstreeks 14.45 uur, hoorde ik een van de Nokia-telefoons af gaan. Ik nam de telefoon op met: "Hallo". Ik hoorde dat de persoon aan de telefoon zei: "Ik wil één donkere en we hebben tien euro contant." (…)”
3.4
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de aan het hof overgelegde pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houdt, voor zover van belang, in:
“(…)
12. Ten aanzien van de ingekomen berichten merk ik op dat de foto’s in het dossier laten zien dat de politie in de telefoons zijn geweest. En dit zonder toestemming van de officier van justitie.
13. Verbalisant [verbalisant 1] stelt weliswaar in zijn pv op pagina 16 van het dossier dat de berichten binnen zijn gekomen en dat hij na kort onderzoek direct een bericht zag “Ok Mop 50 voor gram” en “nee zeg hem hou 50 in je hand snel snel bij de deur”. De verbalisant schrijft vervolgens dat hij geen onderzoek heeft gedaan, omdat zijn expertise daar niet ligt.
14. Uit de foto’s blijkt dat de politie in de telefoons zijn geweest, welke vergrendeld was met een pincode, zonder toestemming. Zo kunnen de berichten op pagina 17 en 20 niet anders naar voren komen, dan dat men in de telefoons zijn geweest. De foto, waarin te zien is “Opties” en “Terug” krijg je niet zonder dat je in de telefoon bent, dus voorbij de pincode, en de berichten aanklikt. Het gaat hier om een smartphone, en dan geldt het zgn. smartphone arrest, HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584.
15. Daarnaast is wat mij betreft de politie zijn boekje te buiten gegaan door de telefoons op te nemen en gesprekken aan te gaan over het kopen van drugs. Ook hiervoor zie ik geen toestemming van de officier van justitie, dan wel van de rechter-commissaris.
16. De verdediging meent dat hier geen sprake is van een bevoegdheid uit het Wetboek van Strafvordering. De verbalisant heeft de in beslag genomen telefoons opgenomen, welke hij vervolgde met korte gesprekken. Dit is gedaan zonder gebruik te maken van een bijzondere opsporingsbevoegdheid zoals pseudo (ver-)koop, en zonder het daarvoor vereiste bevel van de officier van justitie, al dan niet met een machtiging van de rechter-commissaris. Het handelen van de verbalisant is naar de mening van de verdediging dan ook onrechtmatig geweest. De verdediging meent dan ook dat sprake is van een vormverzuim dat in wat de verdediging betreft dient te leiden tot bewijsuitsluiting van het proces-verbaal, dan wel in elk geval strafvermindering. Er is immers door de verbalisant gehandeld zonder daarvoor geldende bevoegdheid, dan wel toestemming, waardoor artikel 6 EVRM is geschonden. Daarnaast is sprake van een schending van artikel 8 EVRM.
(…).”
3.5
Het hof heeft ten aanzien van het door de raadsvrouw gevoerde verweer het volgende overwogen:
“De raadsvrouw heeft bepleit dat het hof de verdachte integraal zal vrijspreken. Het hof is van oordeel dat dit verweer wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen.
De resultaten van het onderzoek aan de Nokia-telefoons
De raadsvrouw heeft bepleit dat het onderzoek dat, zonder tussenkomst van de officier van justitie, aan de in beslag genomen Nokia-telefoons is verricht, onrechtmatig, is. Dit brengt mee dat sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dat de resultaten van dit onderzoek niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde, aldus de raadsvrouw.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.
Het hof stelt vast dat aan de Nokia-telefoons het volgende onderzoek is verricht.
a. De politie heeft een aantal inkomende berichten gelezen. Het gaat in totaal om vier berichten, die konden worden gelezen zonder de pincode van de telefoon in te voeren.
b. De politie heeft een aantal inkomende oproepen beantwoord. Het ging in totaal om vier oproepen, waarbij telkens een gesprek plaatsvond met de beller. Na enkele zinnen maakte de verbalisant zichzelf bekend als politieambtenaar.
Met betrekking tot het door de politie verrichtte onderzoek aan de Nokia-telefoons is het hof van oordeel dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Naar het oordeel van het hof heeft dit onderzoek slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte opgeleverd, waardoor de wet hiervoor geen voorafgaande tussenkomst van de officier van justitie vereiste. Voetnoot 1”Voetnoot 1: ECLI:NL:HR:2017:584.
3.6
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, nu het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het onderzoek door de politie met betrekking tot de onder de verdachte inbeslaggenomen telefoons wordt gelegitimeerd door het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd (artikel 94 Sv e.v.). De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat er geen expliciete wettelijke basis bestond voor het handelen van de politie, die zich zonder als zodanig kenbaar te maken, inkomende oproepen heeft beantwoord en vervolgens met de inbeslaggenomen telefoons gesprekken heeft gevoerd met verschillende bellers, zodat dat onderzoek onrechtmatig is. Daartoe wordt aangevoerd dat dit politieoptreden geen betrekking had op een onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoons, teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens, maar dat de telefoon wordt ingezet om nieuwe – nog niet bestaande – (belastende) gegevens te genereren.
3.7
Het hof heeft vastgesteld dat (I) de opsporingsambtenaar een viertal inkomende berichten heeft gelezen zonder dat een pincode van de telefoon ingevoerd diende te worden, en (II) de opsporingsambtenaar vier inkomende oproepen heeft beantwoord, waarbij telkens een gesprek plaatsvond met de beller en de verbalisant die zichzelf na enkele zinnen bekend maakte als politieambtenaar. Op basis van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat dit onderzoek slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte heeft opgeleverd, waardoor de wet hiervoor geen voorafgaande tussenkomst van de officier van justitie vereiste. Het hof komt vervolgens tot het oordeel dat met betrekking tot het door de politie verrichtte onderzoek aan de Nokia-telefoons geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
3.8
Na het aanhalen van de relevante wettelijke bepalingen die zien op de bevoegdheid tot inbeslagneming, zoals neergelegd in artikel 94, 95, 96 en 104 van het Wetboek van Strafvordering, overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584 (het zogenaamde Smartphone-arrest):
“2.5 Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.
2.6.
Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.
(...)
2.8
Mede gelet op het vooralsnog ontbreken van een daarop toegesneden wettelijke regeling verdient het volgende opmerking. De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar. In zo een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen - waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken - dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Daarbij valt - in het licht van art. 8 EVRM - aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn.”
3.9
Het wetsvoorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering1.bevat op dit punt niet een wezenlijk andere regeling dan het voornoemde beoordelingskader van de Hoge Raad. In het wetsvoorstel vormt de nadere normering van het onderzoek aan inbeslaggenomen gegevensdragers en geautomatiseerde werken een belangrijke vernieuwing. In het nieuwe Boek 2 is de door de Hoge Raad aangedragen koers in het onder 3.8 genoemde Smartphone-arrest nader vormgegeven in het nieuwe artikel 2.7.38 (regeling voor onderzoek aan digitale-gegevensdragers en geautomatiseerde werken). Deze nieuwe regeling brengt een driedeling aan wat betreft de bevoegde autoriteit waarbij het criterium van stelselmatigheid bepalend is welke autoriteit bevoegd is. Blijkens artikel 2.7.38 geschiedt stelselmatig (een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer) onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken op bevel van de officier van justitie. In geval van ingrijpende stelselmatig (op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn) onderzoek na machtiging van de rechter-commissaris. Ook in het nieuwe Wetboek van Strafvordering biedt – blijkens de memorie van toelichting2.– de algemene beslagbevoegdheid van opsporingsambtenaren een toereikende wettelijke basis, slechts als de met het onderzoek samenhangede inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd. Een andere belangrijke vernieuwing in het voorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering is de regeling in artikel 2.7.39. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van het algehele nieuwe wetsvoorstel is die regeling alvast opgenomen in artikel 556 Sv, via de Innovatiewet.3.Hierin is de bevoegdheid geregeld tot het kennisnemen van nieuwe gegevens/berichten na inbeslagname van het apparaat (smartphone). Deze regeling houdt in dat de officier van justitie in het belang van het onderzoek na inbeslagneming van een geautomatiseerd werk kan bevelen dat een opsporingsambtenaar gedurende een periode van drie dagen na de inbeslagneming kennisneemt van gegevens of gegevens vastlegt die ten tijde van de inbeslagneming nog niet op het inbeslaggenomen apparaat stonden. Als voorbeeld in de memorie van toelichting wordt gegeven de inbeslagneming van een smartphone waarbij de opsporing ervoor kan kiezen om de smartphone aan te laten staan en zo de verbinding van de smartphone in stand houdt. Hierdoor kunnen er na het moment van inbeslagneming berichten binnenkomen op de smartphone die voor de opsporing in sommige gevallen direct zichtbaar zijn.4.
3.10
Het Smartphone-arrest en de daarmee corresponderende bepalingen in het nieuwe Wetboek van Strafvordering en de Innovatiewet hebben echter geen betrekking op het hierboven onder II genoemde opnemen van een binnenkomende oproep en het daarop voeren van een telefoongesprek met de inbeslaggenomen telefoon. En juist daarop is de klacht in het middel gericht. Met de steller van het middel meen ik dat het door de politie voeren van gesprekken met personen die bellen naar een inbeslaggenomen telefoon, geen onderzoek is aan (of in) een inbeslaggenomen voorwerp zoals dat besloten is in de bevoegdheid tot inbeslagneming ex artikel 94 Sv, in verbinding met de artikelen 95 en 96 Sv, teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens. De onderhavige zaak wordt hierdoor gekenmerkt dat bij de opsporing informatie wordt verkregen met gebruikmaking van een inbeslaggenomen telefoon. Dat geschiedde immers doordat de opsporingsambtenaar inkomende oproepen heeft beantwoord en vervolgens met de inbeslaggenomen telefoon gesprekken heeft gevoerd met verschillende bellers, waarbij aan die bellers vragen zijn gesteld. Voor een dergelijke opsporingsmethode bestaat geen specifieke wettelijke grondslag.
3.11
In zijn arrest van 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0199 heeft de Hoge Raad overwogen dat, blijkens de wetsgeschiedenis, aan de wettelijke regeling van de bijzondere opsporingsbevoegdheden (Stb. 1999, 245) in het Wetboek van Strafvordering de gedachte ten grondslag ligt dat opsporingsmethoden die zeer risicovol zijn voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing, dan wel die een inbreuk maken op grondrechten en vrijheden van burgers, een voldoende specifieke wettelijke basis behoeven. Daarmee hangt samen dat, zoals door de wetgever eveneens onder ogen is gezien, de regeling van opsporingsmethoden niet uitputtend behoeft te zijn. Gelet hierop moet voor een niet specifiek in de wet geregelde wijze van opsporing als in die zaak aan de orde, worden aangenomen dat de opsporingsautoriteiten op grond van artikel 3 Politiewet 2012 en artikel 141 Sv alleen bevoegd zijn haar in te zetten indien zij geen disproportionele inbreuk maakt op grondrechten van burgers en die niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing.5.In het bijzonder kan de toepassing van een opsporingsmethode jegens de gebruiker van een smartphone onrechtmatig zijn indien zij in verband met de duur, intensiteit en frequentie ervan geschikt is om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene.6.In andere gevallen biedt de globale taakomschrijving van de politie in artikel 3 Politiewet en artikel 141 Sv daarvoor een toereikende wettelijke grondslag.7.
3.12
Bij de beoordeling daarvan in de onderhavige zaak is van belang dat in de gegeven omstandigheden het handelen van de politie, inhoudende het beantwoorden van in totaal vier inkomende oproepen en vervolgens met de inbeslaggenomen telefoons gesprekken voeren met de bellers, waarbij de opsporingsambtenaar zichzelf na enkele zinnen als zodanig bekend heeft gemaakt, slechts een beperkte inbreuk maakt op het persoonlijk leven van de verdachte. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking de kennelijke beperkte duur en frequentie van het handelen van de politie. Evenmin zie ik dat de gewraakte opsporingsmethode zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing – van op pseudo-(ver)koop lijkende handelingen van de opsporingsambtenaar is in dit geval geen sprake. Het oordeel van het hof dat het handelen van de opsporingsambtenaar geen voorafgaande tussenkomst van de officier van justitie vereiste geeft naar ik meen dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en levert tevens een toereikende verwerping op van het verweer.
4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑10‑2023
Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3 (Memorie van toelichting), p. 365-367.
Wet van 22 juni 2022 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering terbevordering van innovatie van verschillende onderwerpen in het kader van de modernisering van het Wetboek vanStrafvordering (Innovatiewet Strafvordering), Stb 2022, 276.
Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3 (Memorie van toelichting), p. 577.
HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0199.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1569.
Vgl. HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0328 ([…]).
Beroepschrift 02‑09‑2022
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
van: mr. N. van Schaik
inzake:
[verdachte], requirant van cassatie van het te zijnen laste door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zp. Arnhem, op 18 maart 2022, onder parketnummer 21-004194-20, gewezen arrest.
Middel
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van artikel 6 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en/of artikel 350 en/of artikel 358 en/of artikel 359 en/of artikel 359a Sv jo. artikel 415 Wetboek van Strafvordering (Sv),
doordat het Hof bij de verwerping van het ten aanzien van feit 2 gevoerde rechtmatigheidsverweer, dat volgens de verdediging tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans doordat de verwerping van dit verweer niet (zonder meer) begrijpelijk is dan wel ontoereikend gemotiveerd is.
Immers is het Hof bij de verwerping van bedoeld verweer (kennelijk) uitgegaan van de opvatting dat het door de verdediging gewraakte politieoptreden met betrekking tot de onder requirant in beslag genomen telefoons gelegitimeerd wordt door het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd (artikel 94 e.v.). Die opvatting is echter onjuist, althans niet zonder meer begrijpelijk. Het door de verdediging gewraakte politieoptreden had immers geen, althans niet exclusief, betrekking op onderzoekaande in beslag genomen telefoons, in de zin van het raadplegen van gegevens die waren opgeslagen op die telefoons. Het verweer zag mede toe op het feit dat de politie, zonder zich als zodanig kenbaar te maken, inkomende oproepen heeft beantwoord en vervolgens met het oog op bewijsgaring middels de inbeslaggenomen telefoons gesprekken heeft gevoerd met verschillende bellers, waarbij aan die bellers (sturende) vragen zijn gesteld. Voor een dergelijke vorm van opsporing biedt artikel 94 e.v. geen legitimering.
Het bestreden arrest, in het bijzonder de bewezenverklaring van feit 2, is hierdoor onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting:
1.
Requirant wordt in deze zaak onder .1 vervolgd wegens het voorhanden hebben van enkele grammen cocaïne en heroïne en onder .2 voor het voorhanden hebben van een vermeende dealertelefoon (strekkende tot voorbereiding c.q. bevordering van dealeractiviteiten). Ten aanzien van dat tweede feit heeft de raadsvrouw onder meer het volgende verweer gevoerd:
‘Feit 2
- 8.
De verdediging meent dat niet bewezen kan worden verklaard dat cliënt zich schuldig zou hebben gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van de handel in drugs.
(…)
- 12.
Ten aanzien van de ingekomen berichten merk ik op dat de foto's in het dossier laten zien dat de politie in de telefoons zijn geweest. En dit zonder toestemming van de officier van justitie.
- 14.
Uit de foto's blijkt dat de politie in de telefoons zijn geweest, welke vergrendeld was met een pincode, zonder toestemming. Zo kunnen de berichten op pagina 17 en 20 niet anders naar voren komen, dan dat men in de telefoons zijn geweest. De foto, waarin te zien is ‘Opties’ en ‘Terug’ krijg je niet zonder dat je in de telefoon bent, dus voorbij de pincode, en de berichten aanklikt. Het gaat hier om een smartphone, en dan geldt het zgn. smartphone arrest, HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584.
- 15.
Daarnaast is wat mij betreft de politie zijn boekje te buiten gegaan door de telefoons op te nemen en gesprekken aan te gaan over het kopen van drugs. Ook hiervoor zie ik geen toestemming van de officier van justitie, dan wel van de rechter-commissaris.
- 16.
De verdediging meent dat hier geen sprake is van een bevoegdheid uit het Wetboek van Strafvordering. De verbalisant heeft de in beslag genomen telefoons opgenomen, welke hij vervolgde met korte gesprekken. Dit is gedaan zonder gebruik te maken van een bijzondere opsporingsbevoegdheid zoals pseudo (ver-)koop, en zonder het daarvoor vereiste bevel van de officier van justitie, al dan niet met een machtiging van de rechtercommissaris. Het handelen van de verbalisant is naar de mening van de verdediging dan ook onrechtmatig geweest. De verdediging meent, dan ook dat sprake is van een vormverzuim dat in wat de verdediging betreft dient te leiden tot bewijsuitsluiting van het proces-verbaal, dan wel in elk geval strafvermindering. Er is immers door de verbalisant gehandeld zonder daarvoor geldende bevoegdheid, dan wel toestemming, waardoor artikel 6 EVRM is geschonden. Daarnaast is sprake van een schending van artikel 8 EVRM.’
2.
Het Hof heeft als volgt gerespondeerd op dit rechtmatigheidsverweer van de verdediging (citaat inclusief voetnootverwijzing):
‘De resultaten van het onderzoek aan de Nokia-telefoons
De raadsvrouw heeft bepleit dat het onderzoek dat, zonder tussenkomst van de officier van justitie, aan de in beslag genomen Nokia-telefoons is verricht, onrechtmatig, is. Dit brengt mee dat sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dat de resultaten van dit onderzoek niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde, aldus de raadsvrouw.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.
Het hof stelt vast dat aan de Nokia-telefoons het volgende onderzoek is verricht.
- a.
De politie heeft een aantal inkomende berichten gelezen. Het gaat in totaal om vier berichten, die konden worden gelezen zonder de pincode van de telefoon in te voeren.
- b.
De politie heeft een aantal inkomende oproepen beantwoord. Het ging in totaal om vier oproepen, waarbij telkens een gesprek plaatsvond met de beller. Na enkele zinnen maakte de verbalisant zichzelf bekend als politieambtenaar.
Met betrekking tot het door de politie verrichtte onderzoek aan de Nokia-telefoons is het hof van oordeel dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Naar het oordeel van het hof heeft dit onderzoek slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte opgeleverd, waardoor de wet hiervoor geen voorafgaande tussenkomst van de officier van justitie vereiste. 1.’
3.
Zoals het Hof terecht overweegt komt het verweer van de raadsvrouw erop neer dat het onderzoek dat aan de in beslag genomen telefoons is verricht, onrechtmatig is geweest, en dat dit meebrengt dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, zodat de resultaten van dit onderzoek niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde. Voorts heeft het Hof onderkend dat de raadsvrouw dit verweer heeft gegrond op twee van elkaar te onderscheiden onrechtmatigheden, namelijk:
- (a)
het lezen van inkomende berichten op de telefoon en
- (b)
het beantwoorden van inkomende oproepen, waarbij telkens een gesprek met de beller plaatsvond.
4.
In reactie op het verweer — of eigenlijk dus: de verweren — van de raadsvrouw, overweegt het Hof dat het onderzoek aan de telefoon ‘slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte opgeleverd, waardoor de wet hiervoor geen voorafgaande tussenkomst van de officier van justitie vereiste’. Daarbij verwijst het Hof naar het Smartphone-arrest.2. In dat arrest ging het om de vraag onder welke omstandigheden de met artikel 94 Sv gegeven algemene bevoegdheid een toereikende basis vormt voor het doen van onderzoek aan een in beslaggenomen smartphone. Uw Raad oordeelde in dit verband dat als ‘het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens’, de grondslag van artikel 94 Sv voldoende legitimatie biedt. Maar als ‘dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen’.3. In zoverre komt de verwerping van het onder (a) bedoelde verweer — het door de politie bekijken van een aantal berichten in de onder requirant in beslag genomen telefoons — op mij begrijpelijk en overigens ook toereikend gemotiveerd over.
5.
Het onder (b) bedoelde verweer van de raadsvrouw gaat echter over heel iets anders. De politie heeft namelijk niet alleen op de telefoon opgeslagen berichten geraadpleegd, maar heeft tevens inkomende oproepen beantwoord en gesprekken gevoerd met de bellers. De inhoud van een aantal van deze gesprekken, die is vervat in een proces-verbaal van bevindingen, is door het Hof als bewijsmiddel gebezigd (bewijsmiddel 3). Hieruit blijkt dat de betreffende politieagent (sturende) vragen aan de bellers heeft gesteld, zoals ‘Wat moet je hebben?’, zulks zonder zich vooraf als agent kenbaar te maken. Die vragen zijn door de bellers ook beantwoord (met antwoorden als: ‘Ik wil een bolletje wit, voor veertig euro’ of ‘Eén bolletje bruin’).
6.
In de hiervoor onder randnummer 2 weergegeven overwegingen van het Hof ligt kennelijk als zijn oordeel besloten dat (ook) voor dit handelen de wettelijke basis wordt gevormd door het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd (artikel 94 e.v.). Dat oordeel getuigt echter van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet begrijpelijk. Het door de politie voeren van gesprekken met mensen die inbellen op vermeende dealertelefoons, is immers geen onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens.4. Het inbeslaggenomen voorwerp wordt dan immers als middel ingezet in een poging om nieuwe — nog niet bestaande — (belastende) gegevens te genereren.
7.
Met de raadsvrouw in hoger beroep stel ik vast dat aan het door haar gewraakte politieoptreden geen BOB-bevel ten grondslag lag. Ik denk echter dat van zo een wettelijke grondslag hier ook geen sprake kon zijn. De door de raadsvrouw genoemde methode van pseudokoop was hier immers niet aan de hand; de politie probeerde niets te kopen van de mensen die inbelden op de inbeslaggenomen telefoons.
8.
Wel begrijp ik dat de raadsvrouw zich in dit verband (impliciet) afvroeg of hier mogelijk sprake is geweest van de niet wettelijk gereguleerde opsporingsmethode van pseudoverkoop — een methode die erop neerkomt dat politie welbewust illegale goederen op de markt brengt zonder die in beslag te nemen (in dit geval drugs). In HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:298, strandde een cassatieklacht over de inzet van dit opsporingsmiddel bij gebrek aan feitelijke grondslag: in het veroordelend arrest in die zaak was door het Hof namelijk vastgesteld dat aan de verdachte niets was overhandigd en dat bij politie ook nooit de intentie aanwezig is geweest daadwerkelijk tot verkoop van — in dat geval — handgranaten over te gaan. Dat ligt in de onderhavige zaak in zoverre anders dat Hof zich bij de verwerping van het gevoerde rechtmatigheidsverweer beperkt heeft tot vaststellingen omtrent het onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoons. Toch gaat het mij te ver om de suggestie hoog te houden dat de politie mogelijk wel van plan was om de bellers drugs te gaan leveren. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit bewijsmiddel 3 blijkt dat de betreffende agent zich op enig moment tijdens de gesprekken wel alsnog als zodanig kenbaar heeft gemaakt. Een pseudoverkoop lijkt daarmee van de baan.
9.
Dat neemt echter niet weg dat voor het gewraakte handelen van de politie een expliciete wettelijke basis ontbreekt. Dit handelen zou daarom slechts door artikel 3 Politiewet 2012 gelegitimeerd kunnen worden, zolang daarbij tenminste geen ernstige en/of stelselmatige inbreuk op grondrechten is gemaakt en dat handelen niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing.5.
10.
Dat het in casu gewraakte handelen van de politie die toets kan doorstaan, waag ik zeer te betwijfelen. Bedoeld handelen schuurt natuurlijk aan alle kanten met het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en de integriteit van het opsporingsapparaat.
11.
In de eerste plaats in relatie tot de bellers, die door de politie immers misleid zijn tot het doen van — mede voor zichzelf — belastende uitlatingen. Daarmee is door de politie het nemo tenetur-beginsel evident geweld aangedaan.
12.
Maar ook voor de positie van requirant als subject van het dan al tegen hem lopende onderzoek, roept deze handelswijze principiële vragen op. Vragen waarvan de antwoorden het recht op een fair trial raken en de integriteit van het opsporingsapparaat in twijfel kunnen trekken. Hoe betrouwbaar is immers een ‘getuige’ die tijdens het afleggen van zijn ‘verklaring’ niet weet dat hij die hoedanigheid heeft? Hoe wordt verzekerd dat de verdachte zijn ondervragingsrecht kan uitoefenen ten aanzien van getuigen wiens identiteit niet (vooraf) door de politie is vastgesteld? En zet de politie met de gewraakte handelswijze de verdediging niet bewust op achterstand, nu tijdens het heimelijk ‘politieverhoor’ de getuigen/verdachten immers geen cautie kregen, maar zich tijdens een eventueel verhoor bij de rechter-commissaris zo'n beetje integraal kunnen verschonen?
13.
Deze vragen hebben uiteraard een wat retorisch karakter en adstrueren tenminste dat het Hof het verweer van de raadsvrouw (‘onderdeel (b)’) niet slechts had kunnen verwerpen. En omdat de resultaten van het gewraakte handelen van de politie in belangrijke mate aan het bewijs van feit 2 bijdragen, heeft requirant ook belang bij onderhavige middel. Het bestreden arrest kan derhalve niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, aldaar kantoorhoudende aan de Catharijnesingel 70 (3511 GM), die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie.
Utrecht, 2 september 2022
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑09‑2022
HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584.
Ibid, rov. 2.6.
Zoals bedoeld in HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076 en het al genoemde HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584.
Zie onder meer HR 1 juli 2014, NJ 2015/114, m.nt. Van Kempen.