Zie artikel 23 Overleveringswet.
Rb. Amsterdam, 25-09-2025, nr. 13/351549-24
ECLI:NL:RBAMS:2025:8496
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
25-09-2025
- Zaaknummer
13/351549-24
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2025:8496, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 29‑10‑2025; (Eerste en enige aanleg)
ECLI:NL:RBAMS:2025:7088, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 25‑09‑2025; (Eerste en enige aanleg)
Uitspraak 29‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Pools vv-EAB. Detentieomstandigheden Polen. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is verstreken zonder dat er informatie is ontvangen die een wijziging van omstandigheden inhoudt. De rechtbank geeft geen gevolg aan het EAB en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/351549-24
Datum uitspraak: 29 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 21 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1.
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 september 2024 door the Circuit Court in Białystok III Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[De opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting 11 september 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 september 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.2.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak
Bij tussenuitspraak van 25 september 20253.heeft de rechtbank het onderzoek heropend en vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon sprake is van een individueel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling, omdat met de aanvullende informatie over zijn detentieomstandigheden in Polen het eerder vastgestelde algemene reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling niet is weggenomen. Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW is de beslissing over de overlevering aangehouden, omdat een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het individuele gevaar alsnog kan worden uitgesloten. De rechtbank heeft hier een redelijke termijn van dertig dagen aan verbonden en heeft geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen, geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB.
Zitting 29 oktober 2025
De behandeling van de vordering is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 29 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Het dossier bevat een schriftelijke verklaring van de opgeëiste persoon van 29 oktober 2025 waarin hij afstand doet van zijn recht om bij de behandeling ter zitting aanwezig te zijn. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 25 september 2025
Bij deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van het feit, de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW en over de toetsing aan artikel 11 OLW in combinatie met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 7 van de tussenuitspraak van 25 september 2025. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 8 oktober 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…) Pursuant to the regulations of Article 112 § 1 of the Executive Penal Code, a convicted prisoner exercises his right to rest, which is indispensable to keep healthy, especially the right to go for at least one-hour walk and to sleep 8 hours a day. Walks are available for inmates outdoors and they last an hour.
Notwithstanding, with the consent of the administrative authority, an inmate is allowed visits and to use a pay phone, as well to consult with a psychologist and a supervisor (when needed) or to participate in cultural and educational activities.
Except for a walk, the above activities are not usually cyclical, hence it is impossible to estimate an average daily time span during which an inmate spends his time outside the residential cell.
It is also worth mentioning that no penitentiary actions are taken towards temporary arrested prisoners which are intended to eliminate causes of committed crimes in view of the presumption of innocence. Therefore, the offer of activities for such a group of inmates is limited which has a direct bearing on the time spent outside the residential cell."
In aanvulling hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 21 oktober 2025 de volgende informatie verstrekt:
“(…) Pursuant to the regulations of Article 135 § 2 of the Executive Penal Code, in each custodial institution there is a lending library with books and the press available for the convicted and there is a possibility to use audio-visual devices in day rooms and residential cells. When using the devices, the convict must not disturb the established order in the penal institution.
In the Detention Centre in Białystok, using the book collection of the penal institution is organised in the following manner: books are brought to a residential cell on the basis of the order placed by an inmate. An inmate does not leave his residential cell.
In the Detention Centre in Białystok there are no separate social rooms or sport facilities where an inmate may spend his time every day.
Temporarily arrested prisoners may participate in cultural and educational activities in common rooms situated in the residential divisions for approximately 2 hours a week. Sports activities take place in the common rooms within the above timeframes.
Pursuant to the regulations of Article 112 § 1 of the Executive Penal Code, a convicted prisoner exercises his right to rest, which is indispensable to keep healthy, especially the right to go for at least one-hour walk and to sleep 8 hours a day. Walks are available for inmates outdoors and they last an hour.
Notwithstanding, with the consent of the administrative authority, an inmate is allowed visits and to use a pay phone, as well to consult with a psychologist and a supervisor. The above activities are not usually cyclical, hence it is impossible to estimate an average daily time span during which an inmate will spend his time outside the residential cell.
Pursuant to the regulations of Article 73 of the Executive Penal Code, the Director arranges the internal agenda of a penal institution, in which he specifies, inter alia, times dedicated to sleep, work, studying, cultural and educational activities, sports activities and individual activities of a temporarily arrested person, times and a place of meals provided by the administration of a detention centre, times, a place and the manner of walks and baths, days, times, a place and the agenda of visits, the rules of using a payphone, days, times and a place of worship, religious meetings and religion classes.
The administration of the Detention Centre in Białystok may not grant an absolute guarantee that a temporarily arrested person will be able to spend at least 2 hours daily outside the residential cell.”
Stanpunten van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de nadere aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten nog altijd geen garantie bevat dat de opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel zal verblijven. In de aanvullende informatie wordt slechts vermeld dat activiteiten voor ongeveer twee uur per week worden aangeboden. Bovendien staat niet vast dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk aan de activiteiten zal kunnen deelnemen. Daarnaast vinden alle activiteiten plaats binnen de cel, aangezien er geen gemeenschappelijke ruimtes zijn die dagelijks kunnen worden gebruikt. De rechtbank moet daarom geen gevolg geven aan het EAB.
De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat zich binnen de in de tussenuitspraak van 11 september 2025 gestelde redelijke termijn geen wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De aanvullende informatie van 8 en 21 oktober 2025 is onvoldoende. De rechtbank overweegt daartoe als volgt
In de tussenuitspraak van 11 september 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat, als de Poolse autoriteiten niet kunnen garanderen dat de opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven, de rechtbank informatie nodig heeft waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, wat de duur van die activiteiten is, én de omstandigheden waarvan deelname en duur afhankelijk zijn.
De aanvullende informatie van 8 en 21 oktober 2025 bevat dergelijke informatie niet. Op basis van de aanvullende informatie kan de rechtbank dan ook niet vaststellen hoeveel tijd en onder welke omstandigheden de opgeëiste persoon dagelijks buiten zijn cel zou kunnen verblijven. Voor de opgeëiste persoon is alleen gegarandeerd dat hij één uur per dag kan wandelen en verder kan uit de aanvullende informatie worden afgeleid dat hij daarnaast ongeveer twee uur per week kan deelnemen aan activiteiten. Dit is onvoldoende om het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Er is niet concreet gemaakt welke verdere activiteiten er worden georganiseerd en met name hoe vaak die plaatsvinden, hoelang die duren en welke voorwaarden er zijn voor deelname daaraan, en wat dat concreet voor de opgeëiste persoon betekent.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aanvullende informatie niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. De gegeven redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW is inmiddels verstreken.
De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW en zal op grond van artikel 11, vierde lid, juncto artikel 28, derde lid, OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
5. Slotsom
De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB.
6. Toepasselijke wetsartikelen
Artikel 11 OLW.
7. Beslissing
GEEFT geen gevolg aan het EAB.
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OP de overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 29‑10‑2025
Uitspraak 25‑09‑2025
Inhoudsindicatie
EAB Polen; tussenuitspraak; beroep op artikel 6 OLW verworpen; de rechtbank houdt de beslissing over de overlevering aan o.g.v. artikel 11, tweede lid, OLW
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/351549-24
Datum uitspraak: 25 september 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 21 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1.
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 september 2024 door the Circuit Court in Białystok III Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 september 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.2.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judicial decision on temporary arrest of 12 October 2021 which was issued by the District Court in Białystok, case reference number III Kp 2239/21, in the case of the Białystok-Poludnie District Public Prosecutor's Office in Białystok, case reference number PR Ds. 1848.2021.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.3.
4. Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijk gesteld met een Nederlander, omdat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Daarnaast is er een IND-advies waaruit volgt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht zou kunnen verliezen vanwege het feit in het EAB.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. Zowel qua verblijf als qua inkomen kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. Aan de eerste voorwaarde is dus niet voldaan. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de tweede voorwaarde. Het verweer wordt dan ook verworpen.
6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.4.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.5.
7. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Inleiding
Bij uitspraak van 5 juni 2024 heeft deze rechtbank een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het ‘remand regime’ in Poolse detentie-instellingen terechtkomen, aangenomen.6.Het kernpunt is dat in het remand regime slechts drie m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt.
In de brief van 4 september 2025 van the Deputy Head of the Remand Prison in Białystok staat:
“(..) I hereby inform you that every inmate at the Białystok Remand Prison is entitled to a one-hour walk per day. The Remand Prison in Białystok cannot guarantee that an inmate will be outside of their cell for at least two hours per day, as this depends on the internal regulations in force at our facility. In addition to the one-hour walk, every inmate is entitled to participate in cultural and educational activities, religious services, and visits with educators, psychologists, or doctors. However, this depends on the inmate's wishes and it is uncertain whether it will last at least one hour.”
In de e-mail van 5 september 2025 van de officier van justitie in Białystok staat:
“(…) I would like to kindly inform that:
- I confirm that after his surrender [opgeëiste persoon] will be placed in Białystok,
- I confirm that he will be entitled to at least 1-hour walk a day,
- I cannot guarantee that he will be to spend at least two hours ecery [sic] day outside of his cell. Apart from 1-hour walk a day, he will be able to participate in the activities offered by the prison but it is not certain whether it will last a total of two hours.”
In de brief van 8 september 2025 van the Deputy General Director of the Prison Service staat, voor zover hier van belang:
“(…) the area of the residential cell per convict is no less than 3 m2. (…)”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat met de aanvullende informatie het algemene gevaar niet is weggenomen, omdat niet kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon meer dan één uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Daarom is sprake van een individueel gevaar. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat er nog een wijziging in de omstandigheden komt binnen een redelijke termijn, gelet op de bewoordingen in de aanvullende informatie. Er moet dus geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om aanhouding, omdat niet is uitgesloten dat er nog andere informatie komt die het algemeen gevaar kan wegnemen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat met de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. Hiervoor is het volgende van belang. Voor de opgeëiste persoon is 3 m2 persoonlijke leefruimte gegarandeerd. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld neemt een garantie dat een opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg. De rechtbank heeft er begrip voor dat de Poolse autoriteiten een dergelijke garantie niet onder alle omstandigheden kunnen geven, bijvoorbeeld omdat zich noodsituaties kunnen voordoen in de detentie-instelling die ervoor zorgen dat een dergelijke garantie niet geëffectueerd kan worden. Daarom ziet zij aanleiding om haar rechtspraak op dit punt als volgt te preciseren. Het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 wordt in ieder geval weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Wanneer de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen en de duur van die activiteiten, alsmede de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn. Dergelijke informatie ontbreekt op dit moment, waardoor voor de opgeëiste persoon het bedoelde algemene reële gevaar niet kan worden uitgesloten.
De rechtbank stelt dan ook vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet.
Dit betekent dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van dertig dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op het einde van deze termijn (op 24 oktober 2025) of uiterlijk tien dagen daarna, zodat kan worden nagegaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 13 oktober 2025. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij tevens de beslistermijn verlengen met zestig dagen onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met zestig dagen.
5. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting op 24 oktober 2025 of uiterlijk tien dagen daarna.
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met zestig dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met zestig dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 september 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑09‑2025
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).