Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen
Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/1.4:1.4 Opbouw van het onderzoek en de vaststelling van de discussiepunten
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/1.4
1.4 Opbouw van het onderzoek en de vaststelling van de discussiepunten
Documentgegevens:
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS400617:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Mijns inziens merkt Van Hoecke terecht op dat het importeren van regels en oplossingen uit het buitenland wellicht niet werkt, vanwege een verschil in context.1 Alvorens een antwoord kan worden gegeven op de vraag welke rechtsregels uit de Duitse winstbelasting van lichamen aanbevelenswaardig zijn voor de Nederlandse winstbelasting van lichamen, moet mijns inziens derhalve het (fiscale) krachtenveld worden geschetst en getoetst worden of een Duitse rechtsregel überhaupt wel zou kunnen worden ingepast in de Nederlandse vennootschapsbelasting. Met andere woorden, in welk (fiscaal) perspectief kan de Nederlandse vennootschapsbelasting worden geplaatst en in welk (fiscaal) perspectief de Duitse winstbelasting van lichamen. Doel van dit hoofdstuk (hoofdstuk 2) is dus onder meer om recht te doen aan het feit dat bestaande juridische regelingen zijn ingebed in een ruimer geheel en niet zonder meer (door alleen naar de afzonderlijke regeling te kijken) kunnen worden geïmplementeerd in een andere jurisdictie.2 In hoofdstuk 2 ga ik in op demografische, staatsrechtelijke en bestuurlijke gegevens over beide landen (hoofdstuk 2.2), economische factoren (hoofdstuk 2.3), maatschappelijke ontwikkelingen (hoofdstuk 2.4), culturele invloeden (hoofdstuk 2.5), politieke invloeden (hoofdstuk 2.6), Europese fiscale ontwikkelingen (hoofdstuk 2.7), internationale fiscale ontwikkelingen (hoofdstuk 2.8), het ontstaan en toetsing van fiscale wetgeving (hoofdstuk 2.9), uitvoering van fiscale wetgeving (hoofdstuk 2.10) en andere rechtsgebieden (hoofdstuk 2.11).
Als het (fiscale) krachtenveld is geschetst, vindt er vervolgens een rechtsvergelijkend onderzoek plaats naar de rechtsregels in de Nederlandse vennootschapsbelasting in vergelijking met rechtsregels in de Duitse winstbelasting van lichamen ten aanzien van de volgende leerstukken: winstbelasting van lichamen (algemeen), geschiedenis, rechtsgronden, relatie met Gewerbesteuer en inkomstenbelasting (hoofdstuk 3); subjectieve belastingplicht (hoofdstuk 4); fiscale winstbegrip (hoofdstuk 5); verliesverrekening (hoofdstuk 6); financiering, onzakelijke lening en renteaftrekbeperkingen (hoofdstuk 7); deelnemingsvrijstelling, cfc-wetgeving en compartimenteren (hoofdstuk 8); concerngedachte, fiscale eenheid en Organschaft (hoofdstuk 9); reorganisatiefaciliteiten, fusie en splitsing (hoofdstuk 10).
Hoofdstuk 3 tot en met 10 zijn als volgt opgebouwd: in de inleiding geef ik aan welk leerstuk en welke rechtsregels ik onderzoek en wat ik niet nader onderzoek. Vervolgens komt het gedeelte waarin ik de hoofdzaken van het desbetreffende leerstuk in Nederland uiteenzet. In deelparagrafen ga ik achtereenvolgens in op de historische ontwikkeling, ratio, huidige kenmerken en huidige discussiepunten/ervaringen. Uit een analyse van wetgeving, parlementaire stukken, jurisprudentie en literatuur heb ik in ieder hoofdstuk de meest conceptuele / fundamentele discussiepunten vastgesteld. Mijns inziens ligt het voor de hand hier bij aan te sluiten, omdat daarmee de kern (oorsprong) van een leerstuk nader wordt onderzocht. Een onderzoek naar discussiepunten op detailniveau is mijns inziens minder geschikt, aangezien het grotere geheel (waarin de rechtsregel is ingebed) dan mogelijk uit het oog wordt verloren. Bovendien is de kans groter dat rechtsregels op detailniveau in de toekomst zullen wijzigen. Een enkele keer is de afweging geweest een discussiepunt te benoemen vanwege een bij mij van tevoren bekend Duits (mogelijke interessant) leerstuk dat we in Nederland niet kennen (bijvoorbeeld in hoofdstuk 3 de Gewerbesteuer en in hoofdstuk 10 het Umwandlungsteuergesetz). Ik heb de volgende discussiepunten vastgesteld:
Hoofdstuk 3: Winstbelasting
Een eenduidige rechtsgrondslag voor de winstbelasting van lichamen.
Een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting en de Thesaurierungsbegünstigung.
Een grotere rol voor gemeentelijke belasting en de Gewerbesteuer.
Hoofdstuk 4: Subjectieve belastingplicht
De aanknopingspunten voor de subjectieve belastingplicht van onbeperkt binnenlands belastingplichtigen.
Het onderscheid tussen beperkte en onbeperkte belastingplicht.
Hoofdstuk 5: Fiscaal winstbegrip
Het hanteren van een “rule-based principe’’ of een “principle-based principe’’.
Het meer aansluiten van het fiscale winstbegrip bij het commerciële winstbegrip.
Hoofdstuk 6: Verliesverrekening
Verliesverrekeningstermijnen en Mindestbesteuerung.
Het afschaffen van de houdster – en financieringsverliesregeling.
De regeling ter voorkoming van de handel in verlieslichamen en de Mantelkaufregelung.
Hoofdstuk 7: Financiering en renteaftrekbeperkingen
Een wettelijke bepaling inzake de onzakelijke lening.
Het hanteren van specifieke of generieke renteaftrekbeperkingen en de Duitse earningsstrippingregeling (Zinsschranke).
Hoofdstuk 8: Deelnemingsvrijstelling
Een eenduidige rechtsgrondslag voor de deelnemingsvrijstelling, waarbij ik ook inga op CFC-regelgeving.
Compartimentering.
Hoofdstuk 9: Fiscale eenheid
Een mogelijk alternatief voor het fiscale eenheidsregime, de Organschaft.
Hoofdstuk 10: Reorganisatiefaciliteiten
De implementatie van de Fusierichtlijntekst in de nationale wet.
Claimhandhaving; fiscale indeplaatstreding.
Een reorganisatiewet (Umwandlungssteuergesetz).
De huidige discussiepunten toets ik aan mijn in hoofdstuk 1.3.2.4 besproken toetsingskader, namelijk aan de i. fiscaal-beleidsanalytische toets, ii. fiscaal-juridische toets, iii. fiscaal-wetstechnische toets en iv. internationale/Europese fiscale ontwikkelingentoets. Ik zal met name ingaan op de toetsen waaraan niet of in mindere mate wordt voldaan. Tevens zal ik nadrukkelijk ingaan op reeds aangegane oplossingsrichtingen en mijn eigen zienswijze weergeven. Dan volgt een uiteenzetting van de hoofdzaken van het desbetreffende leerstuk in Duitsland, waarbij ik zoveel mogelijk eenzelfde hoofdstukindeling aanhoud als bij de Nederlandse uiteenzetting. Tot slot volgt een conclusie/beschouwing waarin ik de verschillen en overeenkomsten tussen de Nederlandse en Duitse rechtsregel nader schets en ik antwoord geef op de vraag of Duitsland rechtsregels of een aanpak heeft die ten aanzien van de geformuleerde discussiepunten aanbevelenswaardig zouden kunnen zijn voor Nederland. Daarbij analyseer ik of de Duitse rechtsregel mogelijk wel een oplossing biedt voor de geconstateerde Nederlandse discussiepunten en beoordeel ik of de Duitse rechtsregel voldoet aan de in hoofdstuk 1.3.2.4 overige besproken toetsen uit mijn toetsingskader. Op het moment dat ik tot de conclusie kom dat een Duitse rechtsregel niet aanbevelenswaardig is, is een vervolgvraag hoe de Nederlandse rechtsregel dan wel ingevuld zou moeten worden. Alhoewel het opstellen van een dergelijke blauwdruk van een nieuwe vennootschapsbelasting het bestek van mijn onderzoek te buiten gaat, geef ik op hoofdlijnen wel mijn zienswijze hierover weer in de desbetreffende hoofdstukken. Ik sluit ieder hoofdstuk af met een schematische weergave waarin ik in een samenvatting alle relevante overeenkomsten en verschillen tussen de desbetreffende Nederlandse en Duitse rechtsregels / het leerstuk weergeef.
In hoofdstuk 11 volgt een samenvatting en conclusie met een antwoord op de vraag welke rechtsregels (leerstukken/gedachten) uit de Duitse winstbelasting van lichamen aanbevelenswaardig zijn voor de Nederlandse vennootschapsbelasting.