Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/5.5.2
5.5.2 Rechter-commissaris
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708301:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor een kort overzicht, zie bijvoorbeeld Kortmann, TvI 2003, afl. 6.
Deze taak volgt expliciet uit artikel 122 Fw, zie Vriesendorp, Justitiële verkenningen 2000, afl. 2, p. 57. Ook in andere gevallen spelen rechters-commissarissen in de praktijk een bemiddelende rol. Frima en De Vos stellen bijvoorbeeld dat het horen van bestuurders voordat de rechter-commissaris een machtiging tot procederen afgeeft vaak wordt gebruikt om tot een schikking te komen. Zie Frima & De Vos, FIP 2019/258.
Anders dan bij de surseance van betaling, waarin die adviserende taak expliciet blijkt uit artikel 223a Fw.
Van Galen, Ondernemingsrecht 2021/119; Vriesendorp, Justitiële verkenningen 2000, afl. 2, p. 57. Zie ook Udo, TvI 1999, afl. 8, p. 184. Onder deze adviserende rol versta ik ook het optreden als gesprekspartner of ‘sparring-partner’.
Aldus Van Delden & Bauw, TvI 2004/51. Dit lijkt ook te volgen uit Van Galen, Ondernemingsrecht 2021/119, hoewel de artikel 69-procedure onderdeel uitmaakt van de toezichthoudende taak volgens Van Galen & De Clerck 2020, p. 233.
Vergelijk Verstijlen 1998, p. 372-373.
Kortmann, TvI 2003, afl. 6.
Tromp, WPNR 2001, afl. 6463, p. 914; Beukelman, TvI 2001, afl. 5. Zie ook de reactie van INSOLAD op het Consultatiedocument betreffende het insolventierecht van 28 februari 2022, par. 31-33 (https://www.internetconsultatie.nl/consultatieinsolventie).
Voor een (al wat ouder) overzicht zij verwezen naar Van Galen 2006, p. 142-145.
Dit punt is meermaals gemaakt door Van Galen. Zie bijvoorbeeld Van Galen, WPNR 2001, afl. 6463, p. 908; Van Galen 2006, p. 143 en Van Galen, Ondernemingsrecht 2021/119. Zie verder Van Apeldoorn 2009, p. 136-139; Van Delden & Bauw, TvI 2004/51 en Vriesendorp, Justitiële verkenningen 2000, afl. 2, p. 61 en 62 en De Baar & Slooter, FIP 2022/155, par. 4.3.
HR 20 januari 2006, NJ 2006/74 (Bennink Bolt/Huizing q.q. c.s.), r.o. 3.5.
Rechtbank Midden-Nederland 15 oktober 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5153, r.o. 3.6.1. Zie ook de conclusie van A-G Valk voor HR 19 februari 2021, RI 2021/31 (Vidrea Retail), par. 4.28.
Zie bijvoorbeeld Lidén, Gräns & Juslin, Psychology, Crime & Law (vol. 25) 2019, afl. 3, waarin wordt geconcludeerd dat rechters een verdachte eerder schuldig verklaren wanneer zij die verdachte zelf in voorarrest (‘pretrial detention’) hebben gezet dan wanneer een college dat heeft gedaan.
Vgl. Vriesendorp, die de beslissing op een artikel 69-verzoek vergelijkt met de bezwaarschriftprocedure in het bestuursrecht in Vriesendorp, Justitiële verkenningen 2000, afl. 2, p. 63. Overigens blijft het dan naar mijn mening geschillenbeslechting.
Mulder, TvI 2005/41.
De rechter-commissaris heeft in faillissement een uitgebreid takenpakket.1 Het takenpakket van de rechter-commissaris kan volgens Wessels onderverdeeld worden in toezichthoudende, rechtsprekende, rechtscheppende, voorlichtende en organisatorische taken.2 Daaraan kan worden toegevoegd dat de rechter-commissaris ook de taak heeft om als bemiddelaar op te treden.3 Verder heeft de rechter-commissaris als taak het adviseren van de curator. Deze adviserende taak blijkt niet direct uit de Faillissementswet,4 maar wordt in de praktijk wel vervuld door rechters-commissarissen in faillissement.5 Het beslissen op artikel 69-verzoeken is enerzijds onderdeel van de rechtsprekende taak,6 maar geeft ook gelegenheid aan de rechter-commissaris om handen en voeten te geven aan zijn toezichthoudende taak.7
Op de positie van de rechter-commissaris is veel kritiek, variërend van het hebben van te weinig tijd8 tot het hebben van te weinig expertise9 om alle taken uit te voeren.10 Een belangrijk punt van kritiek in het kader van artikel 69 Fw is dat de rechter-commissaris door zijn betrokkenheid bij het faillissement en zijn werkrelatie met de curator onvoldoende onafhankelijk en onpartijdig een artikel 69-verzoek kan beoordelen.11 Naar het oordeel van de Hoge Raad is dit punt van kritiek niet terecht. De betrokkenheid bij het faillissement leidt er op zichzelf niet toe dat vrees voor de partijdigheid van de rechter-commissaris objectief te rechtvaardigen is.12 Ook de werkrelatie tussen de rechter-commissaris en de curator leidt in de rechtspraak niet tot de conclusie dat sprake is van vooringenomenheid.13
Als een rechter-commissaris in een eerder stadium heeft ingestemd met een bepaald onderdeel van het beleid van de curator of hierover advies heeft gegeven, is de kans groot dat een artikel 69-verzoek dat een andere route bepleit wordt afgewezen. Niet alleen omdat de rechter-commissaris al over het onderwerp heeft nagedacht, maar ook omdat rechters niet verstoken blijven van de zogenaamde confirmation bias die ertoe leidt dat mensen geneigd zijn te beslissen in overeenstemming met eerdere oordelen.14 Problematisch is dat naar mijn mening niet, omdat een artikel 69-verzoek voor de rechter-commissaris aanleiding geeft te reflecteren op dit eerdere oordeel en het oordeel te motiveren.15 Een belangrijk voordeel van de artikel 69-procedure is dat deze snel en laagdrempelig is, niet in de laatste plaats juist omdat de rechter-commissaris is betrokken bij het faillissement. Door de geschillenbeslechting in eerste aanleg aan een ander op te dragen of de rechter-commissaris meer op afstand te plaatsen, wordt dit voordeel tenietgedaan. Van belang is wel dat de procedure in hoger beroep een onafhankelijke rechtsgang is.16