Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.3.7.1
3.3.7.1 De benoeming van een trustee ter vervanging van een andere trustee of uitbreiding van een groep trustees
1
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717280:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Gelet op het feit dat de Curaçaose wetgever geen rekening heeft gehouden met de trust die is ingesteld bij uiterste wilsbeschikking, dient in deze paragraaf mede onder ‘trustakte’ de uiterste wil te worden verstaan.
Zie voor een oplossing hiervoor paragraaf 4.3.12.
Men denke aan de situatie waarin de trustee overlijdt en de opvolgende trustee het trustfonds moet verkrijgen of de situatie waarin verplichtingen en/of schulden in het kader van de functie van de trustee moeten worden overgenomen.
Vgl. ook: D.W. Aertsen, De trust. Beschouwingen over invoering van de trust in het Nederlandse recht (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2004, p. 218-220.
In het voorgaande is reeds de situatie uiteengezet waarin de insteller op het moment van de instelling van de trust een trustee benoemt en de trustee vervolgens door middel van een overdracht ten titel van trust of een eenzijdige verklaring van trust de trustgoederen verkrijgt. Een trustee kan echter ook op een later tijdstip worden aangesteld, wanneer een bestaande trustee wordt vervangen of de groep der trustees wordt uitgebreid. In casu wordt er gesproken van een opvolging of toetreding van een trustee.
Het Curaçaose trustrecht verplicht de insteller – ingevolge art. 3:130 lid 2 sub c BWC – een voorziening te treffen ter verzekering dat niet een binnen Curaçao wonende of gevestigde trustee komt te ontbreken. Daarenboven kan op grond van art. 3:144 lid 5 BWC in de trustakte worden bepaald dat de insteller of protector naar eigen goeddunken de trustee al dan niet kan vervangen. Hieruit kan worden afgeleid dat de benoeming van nieuwe trustees gedurende het bestaan van de trust in ieder geval kan plaatsvinden krachtens een benoemingsbeding in de trustakte c.q. uiterste wil, waarbij de insteller de vrijheid heeft om te bepalen aan wie deze benoemingsbevoegdheid wordt toegekend. Ook blijkt uit art. 3:144 lid 7 BWC dat de rechter – op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve – de bevoegdheid heeft om nieuwe trustees te benoemen.2
Hetgeen in casu opvalt is dat het onduidelijk is of er aan de benoeming van een trustee gedurende het bestaan van de trust vormvoorschriften zijn verbonden, zoals wel het geval is bij de eerste benoeming van de trustee. Daarnaast is het bevreemdend dat de Curaçaose wetgever niet in een wettelijke bevoegdheid inzake een opvolgende benoeming heeft voorzien.3
Vindt er een opvolging of toetreding van een trustee plaats, dan wordt ingevolge art. 3:145 lid 1 BWC het trustfonds of een aandeel hierin van rechtswege verkregen en geschiedt de verkrijging derhalve onder algemene titel.4 Dit impliceert dat zowel de goederen die deel uitmaken van het trustfonds als de schulden die de voorgaande trustee in het kader van zijn functie heeft gemaakt, overgaan op de nieuwe trustee. Anders dan bij een eenzijdige verklaring van trust is er in het onderhavige geval echter wél sprake van een vermogensverschuiving van de ene (defungerende) trustee naar de opvolgende c.q. toetredende trustee, zodat er in dit specifieke geval gesproken kan worden van een eigendomsovergang.
Ingeval een trustee op enig moment ontbreekt, wordt de opvolgende trustee geacht het trustfonds onder algemene titel te hebben verkregen vanaf het tijdstip van defungeren van de laatste trustee.5 Door het gebruik van de bewoordingen ‘wordt geacht’ kan worden opgemaakt dat de Curaçaose wetgever aan de benoeming in het voornoemde geval terugwerkende kracht heeft toegekend. Hoewel een toelichting op dit punt in de memorie van toelichting ontbreekt, is het toekennen van terugwerkende kracht zonder meer noodzakelijk, teneinde te voorkomen dat in het tijdsbestek tussen het defungeren van de voormalige trustee en de benoeming van de nieuwe trustee, de trust geen rechthebbende heeft met alle negatieve consequenties voor de werking en het bestaan van de trust tot gevolg.
Het blijkt overigens dat de Curaçaose wetgever uit praktische overwegingen en omwille van de rechtszekerheid heeft gekozen voor een verkrijging onder algemene titel. Zonder een dergelijke bepaling zouden er moeilijkheden6 kunnen rijzen ten aanzien van de overdracht bij iedere opvolging of toetreding en zou op deze wijze de praktische werking van de trust in het rechtsverkeer belemmerd worden.7