Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/VIII.2.3
VIII.2.3 Carolus Borromaeus (1566-1573)
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS385364:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
Canonisatie door Paulus V op 1 november 1610. Feestdag op 4 november.
Aangezien hij op 2 oktober 1538 geboren was, had hij de leeftijd, door het Concilie van Trente gevraagd, niet bereikt: COGD, III, 118: Sessio XXIII, canon XII.
A. Foa, Dandini (Dandino), Girolamo, in: DBI, 32 (1986) 413-423, vooral 422.
MB, I, 288-289, waar blijkt dat geen van beide geestelijken aldaar vermeld wordt.
Ch. Weiss, Papiers d’Etat du cardinal de Granvelle, Parijs 1846, VI, 57.
L. Gachard, Correspondance de Marguerite d’Autriche, duchesse de Parme, avec Philippe II, Brussel 1867, I, 266.
L. Gachard, Correspondance, I, 400.
G. Brom en A. Hensen, Romeinsche bronnen voor den kerkelijk-staatkundigen toestand der Nederlanden in de 16de eeuw, ‘s- Gravenhage 1922 (RGP, GS 52) 125.
G. Brom en A. Hensen, Romeinsche bronnen, ‘s- Gravenhage 1922 (RGP, GS 52) 127.
G. Brom en A. Hensen, Romeinsche bronnen, ‘s- Gravenhage 1922 (RGP, GS 52) 434. Zie ook: W. MacCaffrey, Russell, Francis, second earl of Bedford (1526/7-1585), in: ODNB 48 (2004) 238-241.
J. Houssiau, Contrôleurs ou contrôlés? Les rapports des ecclésiastiques avec le pouvoir au XVIe siècle dans les Pays-Bas, in: Publication du Centre Européen d’Études Bourguignonnes (XIVe – XVIe s.), 38 (1998) 257.
A. Borromeo, Crivelli, Alessandro, in DBI, 31 (1985) 104-107, vooral 104.
Paolo Sevesi, S. Carlo Borromeo, Cardinal Protettore dell’Ordine dei Frati Minori (1564-1572), in: Archivum Franciscanum Historicum 31 (1938) 73-126 en 387-439.
In 1560 werd hij protector, trachtte de conciliedecreten van Trente ingang te doen vinden, maar werd door een broeder van de Umiliati bedreigd.
G. Brom, Archivalia in Italië, RGP, kl. serie, I, 2, 721, nr. 2047.
N. Raponi, Alciati, Francesco, in: DBI, 2 (1960) 65-67.
M. de Certeau, Carlo Borromeo, in: DBI, 20 (1970) 260-269, vooral 262 en 264.
Nu spreken we over de H. Carolus Borromaeus en over San Carlo,1 maar toen was Carolus de zoon van graaf Gilbert en van Margareta de Medici, die de zus was van Pius IV. Zijn oom paus verkoos hem bij zijn eerste consistorie tot kardinaal op 31 januari 1560 en niet veel later tot staatssecretaris. Hij was toen nog geen 22 jaar oud en nog niet tot priester gewijd, want zijn wijding had op 4 september 1563 plaats.2 Op 7 december daaropvolgend werd hij al bisschop gewijd en op 12 mei 1564 was hij aartsbisschop van Milaan.
Ondertussen was Geronimo Dandino tijdens het conclaaf op 4 december 1559 overleden.3 Pius IV benoemde zijn neef meteen voor de vacant geworden abdij van Sint-Martinus te Doornik en vroeg het placet aan.4 Filips II, die sinds de abdicatie van zijn vader op 25 oktober 1555 op de hernieuwing van het indult ’Fervor pure devotionis'wachtte, wilde niet op dit verzoek ingaan en vroeg Antoine Perrenot om advies. De bisschop van Atrecht was van oordeel dat de vorst zich moest verzetten tegen de aantasting van zijn rechten.5
Bijna had Filips II een voorstel van Margareta van Parma om Ranucius Farnese als opvolger van Pacheco te kiezen aangenomen, toen Giovanni Campeggio, nuntius van de paus in Madrid, het voorstel deed om Carolus Borromaeus te verkiezen. Daarover dacht Filips II na. Aangezien Carlo een zo nauwe verwant van de paus was, konden zijn verzoeken bij de paus er alleen maar beter van worden ‘et mesmes au regard de l’indult et confirmation des éveschyés que l’on poursuyt’.6 Toch vroeg Filips II in dezelfde brief van 6 februari 1561 nog het advies van de landvoogdes, alvorens de eindbeslissing te nemen. Zij dacht dat noch Von Waldburg, noch Ranuccio Farnese, kardinaal van Sant’ Angelo in Pescheria, de meest geschikte persoon was. Carolus Borromaeus had volgens haar weinig praktijkervaring. Uiteindelijk vond Filips II het de beste oplossing om nog even te temporiseren, zodat de Nederlanden daardoor geen schade zouden lijden. De talrijke aanbevelingen van de paus voor zijn neef sloten nu een andere kandidaat uit, maar ondertussen was er met alle beraadslagingen een vacature van meer dan één jaar en de besluiteloosheid van Filips II en bezuinigingen zouden deze tijd nog oprekken.7
Als staatssecretaris had Borromaeus op 11 april 1562 aan Alessandro Crivelli, nuntius van de paus in Spanje, geschreven dat de motu proprio-besluiten van negen bisdommen in de Nederlanden waren opgestuurd, zoals Filips II het had gewild. Borromaeus had de zaak voorgesteld in het consistorie, maar van de emolumenten, die toen voor hem waren toegevoegd, wilde hij dat ze teruggingen naar Filips II.8
Ondertussen mocht de kardinaal-diaken van Sint-Martinus op de berg, gewoonlijk Borromaeus genoemd, als speciaal door de paus gedelegeerd commissaris, het pallium van de nieuwe aartsbisschop van Utrecht, Frederik van Toutenburg, aan zijn procurator aanbieden. Het was hem toegekend in het consistorie van 9 oktober 1562. Deze ceremonie werd op plechtige wijze georganiseerd in de private kapel van Borromaeus te Rome op 20 oktober.9
Op 15 december 1562 schreef de staatssecretaris aan Alessandro Crivelli dat er in de Nederlanden wel 30.000 personen waren, die aan Elisabeth I gevraagd hadden om een legeraanvoerder te sturen. Indien geen orde op zaken werd gesteld, kwam er revolutie in de Nederlanden. Francis Russell, Earl of Bedford, zou de naar Engeland uitgewekenen aanvoeren. Deze uitgewekenen hadden veel vertrouwen in de Gentenaar Jan Utenhove.10
De procedure van de protector in spe verliep niet soepel, want in 1562 bleek dat de nieuwe bisdommen en de protectie van de Nederlanden tot het takenpakket van Giovanni Battista Cicada, kardinaal van San Clemente behoorden, in afwachting dat Filips II een beslissing zou nemen ten aanzien van Carolus Borromaeus.11 In 1565 nog heeft Giovanni Battista Cicada zich ingezet voor de benoeming van Gilbert d’Oignies, bisschop van Doornik.12 Daarover was Carolus Borromaeus ontstemd.13 Een jaar later blijkt uit een brief van kardinaal Granvelle dat kardinaal Borromaeus terecht protector is.14
Op 13 april 1565 had Francisco Pacheco de Toledo, opvolger van Pedro Pacheco de Villena als kardinaal-protector van Spanje, aan Filips II geschreven om de kandidatuur van Carolus Borromaeus te steunen voor de taak van protector van de Nederlanden. In die brief had hij de constante zorg van Carolus voor de nieuwe bisdommen in de Nederlanden benadrukt. Ook kardinaal Alexander Crivelli, die op 12 maart 1565 kardinaal was geworden en die toen pauselijk nuntius in Spanje was, had in dezelfde zin geschreven.15 In deze laatste aanbeveling moge ten overvloede duidelijk zijn dat de paus zelf de kandidatuur van zijn neef nog uitdrukkelijk genegen was, want het is bekend dat deze Milanezen elkaar door dik en dun steunden.16 Na een interludium van verschillende jaren werd Carolus Borromaeus, die al protector was van de Franciscanen,17 van de katholieke Zwitserse cantons, van Portugal en van de orde van de Umiliati,18 uiteindelijk ook aangesteld als protector van de Nederlanden. Op 7 april 1566 schreef Carolus Borromaeus vanuit Milaan aan de nuntius in Spanje en hij vroeg hem om Filips II te bedanken, omdat hij ‘la protettione di Fiandra’ had gekregen.
Ondertussen was paus Pius V (1566-1572) aangetreden en werden de decreten van het Concilie van Trente stipter opgevolgd. De spanning tussen de vorsten, die hun eigen voordeel nastreefden en van de Kerk vooral gunstige regelingen op kerkelijk en financieel vlak verwachtten, en de paus en zijn onmiddellijke omgeving, die daartegen steeds meer weerstand boden, plaatste de indulten19 en de kerkelijke belastingen van de cruzada’s, subsidio’s en escusado’s (de drie gratiën) buitenspel.
Toch stellen we vast dat ondertussen de gewone gang van zaken verder ging en dat de benoeming van een nieuwe bisschop in Antwerpen nog licht wierp op de functie van kardinaal-protector van Carolus Borromaeus. Hieronder volgt een uittreksel uit de notities van het Consistorie op 13 maart 1570. Referendaris was kardinaal Antoon Granvelle voor de zieke kardinaal van San Clemente, Luigi Cornaro. Deze laatste placht in de afwezigheid van Borromaeus, kardinaal-protector van de Nederlanden (Belgiae protectore), als referendaris op te treden.
Zijne Heiligheid ontsloeg Frans Sonnius, bisschop van ’s-Hertogenbosch, van de verplichting, waaraan genoemde kerken moesten voldoen, en op voorstel van Filips II verplaatste hij hem naar de kathedraal van Antwerpen. Deze bisschopszetel was vacant door het overlijden van Filips Nigri. Sonnius nu was een uitstekende kracht, aanbevolen door zijn leeftijd, kennis en morele integriteit en hij had volgens de besluiten van het Concilie van Trente de ‘professio fidei’ afgelegd.20
Uit de briefwisseling van Filips II met zijn ambassadeur te Rome blijkt ook dat een kardinaal-protector een substituut had.21 De substituut van Carolus Borromaeus was kardinaal Francesco Alciati. Hij was verwant aan de beroemde jurist, Andreas Alciato en was op 12 maart 1565 kardinaal geworden. Hij nam regelmatig taken over van Carolus Borromaeus als kardinaal-protector. Later zou Alciati vice-kardinaal-protector worden van Portugal, protector van Ierland en van de Kartuizers.22
Pius V stak zijn wantrouwen tegen kardinalen, die afhankelijk waren van vorsten, niet weg. Carolus kreeg meer afkeer van Spaanse praktijken, te grote inmenging van de Staat in de Kerk of van vermenging van publieke orde en geloof.23 Op 9 februari 1573 schreef Filips II aan Luis de Zuñiga y Requesens, dat kardinaal Carolus Borromaeus afzag van zijn taak als protector van de Nederlanden te Rome en dat Orsini hem zou opvolgen.24