Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/2.4
2.4 De organisatorische of inrichtings-dimensie van de godsdienstvrijheid
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457608:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de ‘vroege’ periode van het EVRM suggereerde de Commissie in haar rechtspraak dat de godsdienstvrijheid alleen op individuele wijze kon worden uitgeoefend. Deze positie is in de loop van de tijd verlaten. In EHRM 5 mei 1979, nr. 7805/77 (X. en de Scientologykerk v Zweden) werd erkend dat religieuze organisaties klachten konden voeren in naam van hun leden. In EHRM 13 december 2001, nr. 45701/99 (Metropolitan Church of Bessarabia and others v Moldova) bepaalde het EHRM dat art. 9 EVRM in het kader van de inrichtingsvrijheid van religieuze gemeenschappen moest worden geïnterpreteerd in het licht van art. 11 EVRM.
HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 330 (Vrouwelijke diaken).
Gerechtshof Amsterdam 6 september 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6764 (Don Bosco-college).
De organisatorische of inrichtingsdimensie van de godsdienstvrijheid kan van invloed zijn op het juridische begrip van godsdienst. In gevallen waar sprake is van een binnen een organisatorisch verband belijden van godsdienst is niet alleen het grondrechtsobject van de godsdienstvrijheid bepalend voor wat telt als godsdienst(ig), maar ook het grondrechtsobject van de vrijheid van vereniging. Uitingen en gedragingen die religieus geïnspireerd zijn, worden, wanneer ze binnen georganiseerd verband plaatsvinden, in sommige gevallen eerder als godsdienst gekwalificeerd dan wanneer ze buiten een organisatorisch verband plaatsvinden. Dit geldt in Nederland hoofdzakelijk voor uitingen en gedragingen die plaatsvinden binnen kerkgenootschappen en bijzondere scholen.
Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de organisatie en inrichting (artikel 11 EVRM) van een religieuze organisatie begrepen moet worden vanuit de godsdienstvrijheid (artikel 9 EVRM).1 Binnen de Nederlandse rechtsorde heeft dit uitgangspunt ten aanzien van het kerkgenootschap en het bijzonder onderwijs (reeds ver voor de totstandkoming van het EVRM) geleid tot een wettelijke voorziening (in huidige vorm) in artikel 2:2 BW, de inrichtingsvrijheid van het kerkgenootschap en in artikel 23 Grondwet, de inrichtingsvrijheid van het bijzonder onderwijs. Uit artikel 2:2 BW, artikel 23 Grondwet en uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat indien onderwerpen met betrekking tot de organisatie en inrichting van een religieuze gemeenschap, school of kerkgenootschap ingegeven zijn door godsdienst, ze op grond daarvan moeten worden aangemerkt als een godsdienstige uiting of gedraging. Het belijden van godsdienst krijgt daardoor een nadere invulling. De fundering van het statuut van een kerk, school of religieuze gemeenschap in theologische bronnen brengt met zich dat op het oog niet-religieuze onderwerpen zoals de organisatie, lidmaatschap etc. een religieuze dimensie kunnen krijgen.
Een voorbeeld is het organisatietype van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), dat geldt als een uitvloeisel van de protestantse theologie. In tegenstelling tot de hiërarchische episcopale organisatievorm van de Rooms-Katholieke Kerk is in de Nederlandse Hervormde Kerk onder invloed van het calvinisme gekozen voor een presbyteriaal-synodale structuur. Deze keuze is terug te leiden op het zich afzetten van de protestanten tegen een theologie die een onderscheid maakt tussen geestelijken en leken. In plaats daarvan geldt voor protestanten het leidende beginsel van sola scriptura: iedereen kan de Bijbel lezen en interpreteren onafhankelijk van de kerkelijke traditie. Het is daarom niet te gewaagd om te stellen dat deze organisatievorm net als bidden en de eredienst voortvloeit uit de godsdienstige leer en daarmee een godsdienstige uiting is.
Een ander voorbeeld is het maken van onderscheid door een kerkgenootschap. De wetgever erkent in artikel 3 van de AWGB expliciet dat de antidiscriminatiebepalingen niet van toepassing zijn op de rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen en op het geestelijke ambt. Zo is het maken van onderscheid naar sekse bij het beroepen van een voorganger (vb. predikant of pastoor) of diaken door een kerkgenootschap – onder een aantal voorwaarden – toegestaan.2 De uitzonderingsbepalingen vloeien voort uit de erkenning van het feit dat voor sommige kerkgenootschappen het maken van onderscheid kan zijn ingegeven door godsdienst. Met andere woorden, de wetgever erkent dat het maken van onderscheid in concrete omstandigheden een godsdienstige uiting of gedraging kan zijn. Het maken van onderscheid op grond van godsdienst door een bijzondere school bij de aanstelling van leerkrachten, personeel en bij de selectie van leerlingen kan om dezelfde reden als dat een kerkgenootschap onderscheid maakt, worden gekwalificeerd als een godsdienstige gedraging. Dit vloeit voort uit artikel 23 Grondwet en de artikelen 5 lid 2 onder b en 7 lid 2 AWGB. Bijzondere scholen hebben onder voorwaarden (en in veel mindere mate dan het kerkgenootschap) een bepaalde autonomie bij het aanstellen van leerkrachten, personeel en bij de selectie van leerlingen. Te denken valt aan het weigeren van een leerling met een hoofddoek omdat dit indruist tegen de katholieke grondslag van een school.3 Indien een andere rechtspersoon of een openbare school een dergelijk onderscheid zou maken bij het aanstellen van een docent zou dit niet worden gezien als een godsdienstige gedraging maar als verboden discriminatie. Artikel 23 Grondwet garandeert bijzondere scholen tevens een bepaalde autonomie in de keuze voor de leermiddelen. De ratio van deze autonomie is eveneens de godsdienstige grondslag van deze scholen. Voor een bijzondere school kan de keuze voor de leermiddelen ingegeven zijn door godsdienst. Zo kan een bijzondere school tot op zekere hoogte ervoor kiezen om bepaalde leerboeken niet aan te schaffen indien de inhoud op gespannen voet staat met de godsdienstige grondslag van de school.
Met de inrichtings- en organisatievrijheid van religieuze gemeenschappen stuiten we in het kader van dit onderzoek op een complexe materie. De inrichtings- en organisatievrijheid van religieuze gemeenschappen vormt een uitbreiding van de problematiek van het begrip van godsdienst. Want met de inrichtings- en organisatievrijheid van religieuze gemeenschappen doet zich het opmerkelijke verschijnsel voor dat de betekenis van godsdienst wordt ‘verdubbeld’: op het oog niet-religieuze zaken kunnen een religieuze betekenis krijgen.