Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.5.2.3
4.5.2.3 De concrete rechtsverhouding tussen partijen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367274:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit geldt trouwens ook voor andere vage en open normen. In de Cancun-beschikking (HR 4 april 2014, NJ 2014, 286 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2014/290 m.nt. De Haan) overwoog de Hoge Raad dat in geval van een joint venture-vennootschap het belang van de vennootschap mede wordt bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeel-houders overeengekomen samenwerking.
Zie Maeijer 1984, p. 250 en 256 en Compendium 2013, p. 191 en 192.
Hof Amsterdam (OK) 27 februari 2014, JOR 2014/160 m.nt. Rensen (TICA).
Vgl. enerzijds Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, nr. 325, Asser/Rensen 2:III*, nr. 250 en Van Schilfgaarde/Winter en Wezeman, nr. 42 en anderzijds Compendium 2013 Ondernemingsrecht, par. 43.3 en 8 en Huizink Rechtspersonen, aant. 4.4 bij art. 2:239 BW.
In dezelfde zin Compendium 2013, p. 719 e.v. Anders Handboek 2013, nr. 203 en 203.2. Enigszins – want niet geheel eenduidig – anders Van Schilfgaarde/Winter en Wezeman, nr. 42, meer specifiek p. 161 en p. 163.
Compendium 2013, p. 692 en 693, Buijn en Storm, par. 8.4, Klaassen 2010, p. 57 en 58 en Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II*, nr. 319.
Zie de in de volgende voetnoot genoemde literatuur, alsmede Handboek 2013, nr. 203 en 203.2. Vgl. Van Schilfgaarde/Winter en Wezeman, nr. 42 en Klaassen (Diss.), p. 236, die er voor pleiten om art. 2:107a BW zoveel mogelijk analogisch toe te passen.
Zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa, nr. 235a, Buijn en Storm, p. 495, Compendium 2013, p. 719, ook voor verdere verwijzingen naar rechtspraak.
Zie Hof Amsterdam (OK) 16 november 2005, JOR 2006/5 en 9 oktober 2006, JOR 2007/9 (UMI) en 1 februari 2006, JOR 2006/122 (Van Baarsen Halfweg).
HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. Maeijer, JOR 2007/178 m.nt. Nieuwe Weme (ABN AMRO). In navolging hiervan Hof Amsterdam (OK) 13 mei 2015, ARO 2015/146 (Meromi en Jeemer).
Zie meer uitgebreid par. 4.5.3.
Maeijer en Schreurs, p. 71.
Zo blijkt uit de wetsgeschiedenis van de voorloper van art. 2:15 lid 5 BW (art. 2:11 lid 3 oud BW) Parl. Gesch. Inv. Boek 2, p. 1095. Zie ten aanzien van art. 2:15 BW Maeijer en Schreurs, p. 70, 72 en 74. Een zelfde gedachte formuleert Maeijer (2000, p. 376 en 377) als het om het interpreteren van de statuten en besluiten gaat.
Een ander wezenlijk gezichtspunt voor de toepassing van art. 2:8 BW1 is dat het steeds betrekking heeft op een concrete rechtsverhouding.2
Ten eerste vormt de wijze waarop de rechtsverhouding uitdrukkelijk is vormgegeven door de wet en rechtshandelingen van partijen (zoals het nemen van besluiten en het aangaan van overeenkomsten) een inspiratiebron voor het aanvullen van leemtes. Zo kan soms uit hetgeen partijen welbewust hebben geregeld, worden afgeleid wat rechtens zou moeten zijn ten aanzien van kwesties waaraan zij niet hebben gedacht.
Een voorbeeld: de TICA-beschikking3 ziet op de situatie waarin de statuten van een coöperatie voorschreven dat voor een ontbindingsbesluit een ledenbesluit met een versterkte meerderheid was vereist. Daarnaastbepaalden de statuten dat het bestuur de goedkeuring van de ledenvergadering nodig had om een besluit te nemen om een indirecte deelneming te vervreemden. Een dergelijk besluit kon met een gewone meerderheid worden genomen. Op een gegeven moment werd een besluit voorgelegd aan de ledenvergadering dat er tussenin lag. Strikt genomen ging het om de verkoop van een kleindochtervennootschap, maar omdat daarin de enige onderneming van de coöperatie en haar raison d’ étre was ondergebracht, zou dat feitelijk neerkomen op het einde van de coöperatie. Het was ook de bedoeling om de verkoopopbrengst uit te keren aan de leden en dus niet te investeren in een nieuwe onderneming. De ondernemingskamer werd in het kader van een eerste fase verzoek verzocht het desbetreffende besluit te kwalificeren. Daarbij introduceerde de ondernemingskamer de term “materieel liquidatiebesluit”. Deze term kwam niet voor in de statuten, maar is wel bekend uit de rechtsliteratuur over de reikwijdte van de bestuursbevoegdheid.4 Vervolgens oordeelde de ondernemingskamer dat een dergelijk besluit gelijk stond aan een ontbindingsbesluit en derhalve dat een versterkte meerderheid was vereist. Welbeschouwd oordeelde de ondernemingskamer derhalve dat, omdat de leden hadden bepaald dat voor de ontbinding van de coöperatie een versterkte meerderheid was vereist, dit ook nodig was voor een besluit dat weliswaar niet dezelfde rechtsgevolgen als een ontbindingsbesluit had, maar feitelijk wel min of meer tot hetzelfde resultaat leidde, althans een formeel ontbindingsbesluit min of meer onafwendbaar maakte.
Ten tweede kunnen toepasselijke wettelijke regelingen over aanpalende kwesties een indicatie zijn van de in Nederland levende rechtsovertuigingen terzake.
Een voorbeeld: ten aanzien van de NV is in art. 2:107a BW vastgelegd dat het bestuur de goedkeuring voor bepaalde ingrijpende bestuursbesluiten nodig heeft. Voorafgaand aan de invoering van art. 2:107a BW is erover nagedacht om een dergelijke bepaling ook voor de BV in te voeren, maar daarvan heeft de wetgever indertijd welbewust afgezien. De reden daarvoor is dat de wetgever dit aan de aandeelhouders van de BV zelf overlaat of zij een dergelijke bepaling in de statuten willen opnemen. Dat impliceert dat deze kwestie tot de bestuursbevoegdheid behoort.5
In de literatuur wordt daar echter tegenover gesteld dat uit het systeem van het vennootschapsrecht voortvloeit dat de aandeelhoudersvergadering zeggenschap heeft over de structuur c.q. identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming.6 Dit wordt afgeleid uit het feit dat de bevoegdheid om de statuten te wijzigen en de vennootschap te ontbinden dwingendrechtelijk aan de aandeelhoudersvergadering is toegekend. Daarom wordt bepleit dat ook bij de BV het bestuur de goedkeuring voor bepaalde ingrijpende aandeelhoudersbesluiten nodig heeft.7 Die goedkeuringsbevoegdheid zou dan op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kunnen worden gebaseerd.8
Dit voorbeeld toont echter eveneens aan dat verschillend gedacht kan worden over wat de redelijkheid en billijkheid vereist. Nadat de desbetreffende opvatting in de literatuur aanvankelijk navolging in lagere rechtspraak kreeg,9 toonde de Hoge Raad zich kritisch.10 De Hoge Raad kent meer gewicht toe aan de door het handelsverkeer vereiste rechtszekerheid omtrent de bevoegdheid van het bestuur met betrekking tot transacties.
Ten derde is de concrete rechtsverhouding van invloed op de toepassing van art. 3:12 BW. Zo bepaalt de rechtsverhouding deels welke rechtsovertuigingen van toepassing zijn. Een voorbeeld daarvan (sector specifieke governance codes) is reeds gegeven in de laatste alinea van par. 4.5.2.2. Voorts behoort het vertrouwensbeginsel tot de algemeen erkende rechtsbeginselen. Een partij mag er daarom in beginsel op vertrouwen dat de vormgeving van de rechtspersoon wordt gerespecteerd.11 Het belang dat aan de rechtszekerheid moet worden gehecht, wisselt echter naar gelang meer partijen betrokken zijn bij de rechtsverhouding. Dat blijkt uit het feit dat de wetgever veel belang hecht aan de rechtszekerheid in het rechtspersonenrecht12 omdat in het algemeen de belangen van velen betrokken zijn bij rechtspersonen.13 Dat impliceert dat er (iets) soepeler met de regels kan worden omgesprongen, als er maar een paar personen bij de vennootschap zijn betrokken.