Einde inhoudsopgave
Besluit activiteiten leefomgeving - Nota van toelichting
§ 3.4.9 Rubberindustrie en kunststofindustrie
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Artikel 3.134 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
Dit artikel geeft aan dat het verrichten van bepaalde handelingen met kunststof, elastomeren en polyesterhars milieubelastende activiteiten zijn waarvoor de hoofdstukken 2 tot en met 5 gelden. Via de combinatie van dit artikel met artikel 3.1 is het lozen vanuit deze activiteiten een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk waarvoor deze hoofdstukken gelden.
De rijksoverheid stelt regels aan deze activiteiten ter uitvoering van Europese regelgeving en om een gelijk speelveld en gelijk beschermingsniveau te waarborgen. De regels bestaan vooral uit een nationale uitwerking van passende preventieve maatregelen en beste beschikbare technieken.
De nadelige gevolgen voor het milieu die deze activiteiten kunnen veroorzaken zijn vooral verontreiniging van de bodem, verontreiniging van de lucht, lozingen, het gebruik van energie en de externe veiligheid door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen.
Het gaat in Nederland om circa 500-600 bedrijven. De veruit grootste groep betreft de polyesterharsverwerkende industrie. Onder de rubberindustrie en kunststofverwerkende bedrijven vallen bedrijven die kunststof spuitgieten, extruderen, thermovormen, blazen en schuimen. Daarnaast betreft het producenten van kunststofcomposiet, recyclingbedrijven en bedrijven in de rubberindustrie, lijmindustrie en kitindustrie. Enkele bedrijven in de branche voeren daarnaast bepaalde grafische processen uit. De belangrijkste activiteiten die onder het toepassingsbereik vallen zijn verwerken van rubber, thermoplastische kunststof en polyesterhars en het wegen of mengen van rubbercompounds.
Een ippc-installatie voor oppervlaktebehandeling van kunststoffen valt onder categorie 2.6 van de richtlijn. De volledige tekst van deze categorie in de richtlijn is ‘oppervlaktebehandeling van metalen of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, als de inhoud van de gebruikte behandelingsbaden meer dan 30 m3 bedraagt’. Binnen de in deze paragraaf aangewezen activiteit valt alleen het deel dat over het behandelen van kunststoffen gaat. Het deel dat over de behandeling van metalen gaat, valt onder paragraaf 3.4.4.
Door de toevoeging van functioneel ondersteunende activiteiten in het tweede lid omvat de aanwijzing het hele bedrijf. Functioneel ondersteunende activiteiten zijn activiteiten die ten dienste staan van de kernactiviteiten en dit ook mogelijk maken. Functioneel ondersteunen is breed bedoeld en omvat naast technische ondersteuning van de kernactiviteit ook facilitaire voorzieningen zoals een centrale persluchtvoorziening of een laboratorium, facilitaire diensten zoals onderhoud, administratie of beveiliging, en faciliteiten voor personeel en bezoekers zoals een kantine, showroom of parkeerterrein.
Artikel 3.135 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 5.1, tweede lid, van de wet]
Op grond van de richtlijn industriële emissies is voor deze activiteit een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vereist. Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden waaraan moet worden voldaan.
Een ippc-installatie voor oppervlaktebehandeling van kunststoffen valt onder categorie 2.6 van de richtlijn. De volledige tekst van deze categorie in de richtlijn is ‘oppervlaktebehandeling van metalen of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, als de inhoud van de gebruikte behandelingsbaden meer dan 30 m3 bedraagt’. Binnen de in deze paragraaf aangewezen activiteit valt alleen het deel dat over het behandelen van kunststoffen gaat. Het deel dat over de behandeling van metalen gaat, valt onder paragraaf 3.4.4.
Op grond van het tweede lid is een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam vereist als er sprake is van het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van deze activiteit.
Artikel 3.136 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 5.1, tweede lid, van de wet]
Dit artikel wijst het blazen of schuimen met synthetische blaasmiddelen aan als geval waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. De vergunning beoordeelt het vrijkomen van de blaasmiddelen.
Artikel 3.137 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling) [artikel 5.1, tweede lid, van de wet]
Dit artikel wijst twee specifieke activiteiten aan als geval waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Dit zijn activiteiten genoemd in bijlage II bij de mer-richtlijn waarvoor een mer-beoordeling nodig is. Om zo dicht mogelijk aan te sluiten op de richtlijn is aangesloten bij het exploiteren van ‘een andere milieubelastende installatie’. Dit begrip is bijlage I bij de wet gedefinieerd als een vaste technische eenheid waarin een milieubelastende activiteit, anders dan een activiteit als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn industriële emissies, wordt verricht en ook andere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die met die activiteit rechtstreeks samenhangen, in technisch verband staan, en gevolgen kunnen hebben voor de emissies en verontreiniging. Zie paragraaf 5.2.1 van de algemene toelichting voor een verdere toelichting over het installatiebegrip.
Artikel 3.138 (algemene regels)
Dit artikel geeft aan welke paragrafen met regels gelden voor een bedrijf dat valt binnen de rubberindustrie en kunststofindustrie. De paragrafen over het eindonderzoek bodem en het PRTR-verslag implementeren Europese regels. De regels voor het eindonderzoek bodem (paragraaf 5.2.1) gelden voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie. De verplichting geldt dus niet voor het hele bedrijf met functioneel ondersteunende activiteiten, maar alleen voor de ippc-installatie. Voor een nadere toelichting op de consequenties van het PRTR-verslag wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij paragraaf 5.3.1. Paragraaf 5.4.4 geeft algemene eisen voor emissies in de lucht, maar geldt niet voor de activiteiten in het eerste lid, omdat de daar aangewezen paragrafen al specifieke eisen aan emissies stellen.
Artikel 3.139 (gegevens en bescheiden)
Artikel 3.139 regelt dat degene die de milieubelastende activiteit verricht vier weken van tevoren gegevens en bescheiden moet verstrekken aan het bevoegd gezag. Dit geldt ook als deze gegevens en bescheiden wijzigen. Deze informatieverplichting is iets anders dan een melding in de zin van artikel 4.4 van de wet; het daaruit voortvloeiende verbod om te starten met de activiteit is dan ook niet van toepassing.
Uit artikel 2.18 volgt welke algemene gegevens verstrekt moeten worden. Naast die algemene gegevens gaat het om:
- —
De begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Dit gaat om de volledige in artikel 3.134 aangewezen activiteit, dus de gehele rubberindustrie en kunststofindustrie, met inbegrip van de ondersteunende activiteiten, bedoeld in het tweede lid. De bedoelde begrenzing is waar de locatie van het geheel aan activiteiten begint en ophoudt. Deze begrenzing kan bijvoorbeeld op een kaartje worden ingetekend.
- —
De verwachte datum van het begin van de activiteit. Degene die de activiteit gaat verrichten moet laten weten wanneer de kernactiviteit daadwerkelijk verricht zal worden. Het gaat hier om de verwachte datum van het begin van de activiteit; een dag vertraging in de planning leidt dus niet tot een overtreding van deze bepaling.
Het verstrekken van gegevens en bescheiden kan zowel elektronisch als per post; zie daarvoor afdeling 14.1 van het Omgevingsbesluit en de toelichting daarop.