Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/2.2.1
2.2.1 Doeleinden en strekking enquêterecht
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368502:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 m.nt. Maeijer (OGEM). Inzake KPNQwest bevestigde de Hoge Raad dit oordeel HR 26 juni 2009, NJ 2011, 210 m.nt. Van Veen, JOR 2009, 192 m.nt. Van Mierlo onder JOR 2009/193, r.o. 3.2.1 t/m 3.2.5.
Timmerman ziet deze doelstellingen als een uitwerking van de redelijkheid en billijkheid. Zie onder 4.15 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 18 november 2005, NJ 2006, 173, m.nt. Maeijer, JOR 2005, 295 m.nt. Brink (Unilever).
HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 m.nt. Maeijer (OGEM). Inzake KPNQwest bevestigde de Hoge Raad dit oordeel HR 26 juni 2009, NJ 2011, 210 m.nt. Van Veen, JOR 2009, 192 m.nt. Van Mierlo onder JOR 2009/193, r.o. 3.2.1 t/m 3.2.5.
Nu (onmiddellijke) voorzieningen het onderwerp van dit onderzoek betreffen, zullen dergelijke enquêtes buiten beschouwing blijven, behoudens enige uitzonderingen.
HR 4 februari 2005, NJ 2005, 127 m.nt. Maeijer, JOR 2005/58 m.nt. Van den Ingh (Landis), r.o. 3.3.4.
HR 6 december 2013, NJ 2014, 167 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2014/65 m.nt. Holtzer (Fortis), r.o. 4.4.3.
HR 11 april 2014, NJ 2014, 296 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2014/259 m.nt. Olden (Slotervaartziekenhuis).
Zie hierover Assink in zijn noot bij de Slotervaartziekenhuis-beschikking (Ars Aequi, 20140732, p. 741 e.v.).
Zie de Fortis-beschikking.
Dat dit niet alleen tot de strekking van het enquêterecht behoort, maar tevens tot de doelstellingen blijkt reeds uit HR 1 maart 2002, NJ 2002, 296 m.nt. Maeijer, JOR 2002/79 m.nt. Van den Ingh, Ondernemingsrecht 2002, 29 m.nt. Timmerman (Zwagerman-I).
Zie de Landis-beschikking.
Zie par. 5.3.3.1.
HR 18 november 2005, NJ 2006, 173, m.n.t Maeijer, JOR 2005, 295 m.nt. Brink (Unilever). Deze overweging werd bevestigd HR 26 juni 2009, NJ 2011, 210 m.nt. Van Veen, JOR 2009, 192 m.nt. Van Mierlo onder JOR 2009/193 (KPNQwest), zie r.o. 3.2.2. Vgl. HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 m.nt. Maeijer (OGEM) waarin de Hoge Raad reeds overwoog dat een verzoeker-aandeelhouder geen vermogensrechtelijk belang bij een enquêteverzoek hoeft te hebben.
Zie Hof Amsterdam (OK) 16 november 2012, ARO 2012/161 (Royal T-Stick Europe), r.o. 3.4.
In de OGEM-beschikking1 omschreef de Hoge Raad de doeleinden van het enquêterecht als volgt:2
“Bij de beoordeling van deze middelen moet worden vooropgesteld dat de wetgever blijkens de ontstaansgeschiedenis van de regeling van het enquêterecht, zoals deze is neergelegd in Boek 2 BW, als doeleinden van een enquête niet slechts heeft beschouwd de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, maar tevens de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid, terwijl bovendien van de mogelijkheid van de instelling van een enquête een preventieve werking zou kunnen uitgaan.”
De enquêteprocedure kent derhalve twee aspecten: (i) een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon, alsmede de mogelijkheid dit te beoordelen en (ii) het in verband daarmee treffen van maatregelen (dat wil zeggen: (onmiddellijke) voorzieningen).
Uit de OGEM-beschikking3 blijkt tevens dat een enquêteprocedure niet noodzakelijkerwijs hoeft uit te draaien op sanering of herstel van gezonde verhoudingen. In voorkomende gevallen kan de ondernemingskamer volstaan met het oordeel dat sprake is van wanbeleid (en daaraan voorafgaand dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen). In die gevallen zal de enquêteprocedure kunnen worden gevoerd zonder dat (onmiddellijke) voorzieningen worden getroffen. Dergelijke enquêtes zijn vooral gericht op het vaststellen wie verantwoordelijk is voor blijkend wanbeleid.4
In de Landis-5, Fortis-6 en Slotervaartziekenhuis-beschikkingen7 rept de Hoge Raad niet (alleen) over de doeleinden van het enquêterecht, maar tevens over de strekking daarvan. Het doel en de strekking van het enquêterecht lijken evenwel dicht bij elkaar te liggen en zijn moeilijk te onderscheiden.8 De enquêteregeling strekt er, aldus de Hoge Raad, toe om het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap te beoordelen en gezonde verhoudingen tussen aandeelhouders, bestuur en commissarissen van een vennootschap te stimuleren.9 Onder het stimuleren van gezonde verhoudingen tussen aandeelhouders moet mede worden verstaan dat een minderheid van aandeelhouders of certificaathouders wordt beschermd tegen (mogelijk) machtsmisbruik door de meerderheid.10
De strekking van het enquêterecht brengt daarnaast mee dat het bij de toepassing daarvan uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid.11 Met dat laatste lijkt te worden bedoeld dat men bij de toepassing van het enquêterecht zich niet te veel mag blindstaren op de (civielrechtelijke) kwalificatie van de feiten en omstandigheden die in het kader van een enquêteprocedure centraal staan. Het is nodig – zoals het EHRM het formuleerde buiten de context van de enquêteprocedure – “to look behind the appearances and investigate the realities of the situation”.12 Als bijvoorbeeld een partij strikt genomen geen certificaathouder is, maar deze partij wel een aanspraak heeft op certificaten (al dan niet naar buitenlands recht) die hem op één lijn stellen met een certificaathouder, dan dient deze partij als certificaathouder te worden aangemerkt, althans als het gaat om de vraag of deze partij ontvankelijk is (zie hierover ook par. 2.6.2.3).
In de Unilever-beschikking13 begrensde de Hoge Raad de doeleinden en strekking van het enquêterecht. Anders dan de dagvaardingsprocedure voor de rechtbank dient de enquêteprocedure niet voor het beslechten van vermogensrechtelijke geschillen:
“Tot de doeleinden van het enquêterecht, zoals deze de wetgever voor ogen stonden, behoort niet de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard, noch het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. Wanneer het gaat om een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden, kan een enquêteverzoek niet worden toegewezen. Indien het verzoek niets inhoudt dat op die doeleinden betrekking heeft, zal dat verzoek niet-ontvankelijk zijn. Indien het wel op die doeleinden gerichte stellingen inhoudt, maar deze stellingen niet aannemelijk zijn, zal het verzoek weliswaar – indien ook overigens is voldaan aan hetgeen daartoe vereist is – ontvankelijk zijn, maar moeten worden afgewezen.”
Bij dit oordeel dient de kanttekening te worden gemaakt dat het feit, dat een verzoeker tot een enquête met zijn verzoek ook andere doeleinden heeft dan de doeleinden waarom het enquêterecht draait, niet afdoet aan zijn ontvankelijkheid.14 Tevens kan aan vermogensrechtelijke bepalingen betekenis toekomen bij het toepassen van het enquêterecht mits dit aansluit op inhoud, doel en strekking van de enquêteregeling. Dat zelfde geldt voor de toepassing van andere civielrechtelijke normen, alsmede strafrechtelijke en bestuursrechtelijke normen.