Het aanvankelijk onbeperkt ingestelde cassatieberoep is op 21 maart 2024 partieel ingetrokkenen voor zover het betreft de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep ter zake van het onder 3 en 4 ten laste gelegde.
HR, 02-12-2025, nr. 23/01388
ECLI:NL:HR:2025:1813
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-12-2025
- Zaaknummer
23/01388
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1813, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑12‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1025
ECLI:NL:PHR:2025:1025, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 23‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1813
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑03‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0382
Sdu Nieuws Insolventierecht 2025/182
INS-Updates.nl 2025-0253
Uitspraak 02‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Faillissementsfraude. Feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk begaan door rechtspersonen door rechten van schuldeisers te verkorten, geen deugdelijke administratie te voeren en goederen aan boedel te onttrekken, art. 341.a.1 (oud) en 341.a.4 (oud) Sr. 1. Bewijsklacht “ter bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers van rechtspersoon”. Heeft verdachte, door geen deugdelijke administratie te voeren, bewust aanmerkelijke kans aanvaard dat rechten van schuldeisers van vennootschap A door een vanaf september 2009 dreigend faillissement van deze rechtspersoon zouden worden verkort? 2. Bewijsklacht “ter bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers van rechtspersoon onttrekken van goederen aan boedel”. Heeft verdachte, o.m. door onverschuldigd geldbedragen over te boeken, bewust aanmerkelijke kans aanvaard dat rechten van schuldeisers van vennootschap B na faillissement van vennootschap A zouden worden verkort? Ad 1. In art. 341 (oud) Sr gebruikte bewoordingen “ter bedrieglijke verkorting van rechten van zijn schuldeisers” brengen tot uitdrukking dat verdachte het opzet moet hebben gehad op verkorting van rechten van schuldeisers, dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is en dat daarom voor bewijs van opzet ten minste is vereist dat handeling van verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van rechten van schuldeisers heeft doen ontstaan. Niet of onvoldoende voeren van administratie doet niet z.m. aanmerkelijke kans op verkorting van rechten van schuldeisers ontstaan (vgl. HR:2017:166). Art. 341.a.1 (oud) Sr beoogt o.m. alle handelingen te treffen die in staat van faillissement verklaarde heeft verricht ter bedrieglijke verkorting van rechten van zijn schuldeisers, waardoor wat onder bereik en beheer van curator in faillissement behoorde te komen, buiten zijn bereik en beheer wordt gehouden (vgl. HR:2016:2021). Hof heeft tegen achtergrond van zijn vaststellingen in bewijsvoering overwogen (i) dat in september 2009, toen aannemingsovereenkomst werd overgenomen door vennootschap B terwijl kosten ook daarna nog “in vennootschap A worden geboekt”, voor vennootschap A faillissement dreigde en dat dit voor verdachte ook voorzienbaar was, omdat kosten voor afbouwen van appartementencomplex doorliepen en er geen inkomstenbron was, en (ii) dat verdachte geen deugdelijke administratie heeft gevoerd en ook vanaf moment dat faillissement dreigde en voor verdachte voorzienbaar was, heeft nagelaten ervoor te zorgen dat administratie op orde kwam en bleef, waardoor o.m. onduidelijk is gebleven welke rechten en plichten voor partijen voortvloeiden uit niet op schrift gestelde aannemingsovereenkomst en uit niet op schrift gestelde overname van die overeenkomst door vennootschap B, waaronder aanspraken op winstdeling. ‘s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat verdachte, door geen deugdelijke administratie te voeren, bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat rechten van schuldeisers van vennootschap A werden verkort, getuigt in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. Hof heeft tegen achtergrond van zijn vaststellingen in bewijsvoering geoordeeld dat verdachte, als feitelijk leidinggever van vennootschap B, in vooruitzicht van faillissement ter bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers goederen aan boedel heeft onttrokken. Hof heeft daartoe i.h.b. overwogen dat verdachte vanaf moment dat vennootschap A was gefailleerd en vennootschap B niet meer aan vennootschap C factureerde maar crediteuren wel op vennootschap B bleven drukken (in welke overweging besloten ligt dat vanaf dat moment faillissement van vennootschap B voorzienbaar was), bedragen t.l.v. vennootschap B onverschuldigd heeft overgeboekt. Dat oordeel getuigt in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01388
Datum 2 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 maart 2023, nummer 21-003142-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.W.M. Stevens bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 en 5 ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Bewezenverklaring en bewijsvoering van de feiten 1 en 5
2.1
Ten laste van de verdachte is onder 1 en 5 bewezenverklaard dat:
“1. [A] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis (van de rechtbank Leeuwarden van 6 april 2010) in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 11 september 2009 tot en met 6 april 2010, in Nederland, alleen, meermalen, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers,
- niet voldaan heeft aan de op haar, [A] B.V., rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld,
tot welk feit hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven;
5. [B] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis (van de rechtbank Noord Nederland van 27 augustus 2013) in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 7 april 2010 tot en met 27 augustus 2013, in Nederland, alleen, meermalen, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, enig goed aan de boedel onttrokken heeft, hierin bestaande, dat zij
- onverschuldigd geldbedragen van een bankrekening die te naam was gesteld van [B] B.V. heeft overgeboekt naar een bankrekening die te naam was gesteld van [D] B.V. en een andere aan hem, verdachte, gelieerde rechtspersoon en aan hem, verdachte, privé; en
- geldbedragen contant heeft opgenomen; en
- niet voldaan heeft aan de op haar, [B] B.V., rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek,
aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven.”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest van het hof, waaronder bewijsmiddelen 11, 14, 17 en 18:
“11. Het proces-verbaal van de verklaring van verdachte bij de FIOD op 6 juni 2015 (V-001-03, pagina 250), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
als verklaring van verdachte:
De ene crediteur heb ik niet laten betalen en de andere crediteur heb ik wel laten betalen, die keuzes maakte ik. Ik verdeelde het binnengekomen geld over de crediteuren die ik ook echt nodig had voor de bouw van het project [projectnaam] . De crediteuren, die ik niet meer nodig had, heb ik bewust niet meer betaald.
14. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof (...) d.d. 17 maart 2023, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
Als verklaring van verdachte:
Het klopt dat de prijs die was afgesproken voor de bouw van het project [projectnaam] niet uit kon. (...) [A] was aanvankelijk de bouwer en de bedoeling was om hangende de bouw de appartementen aan derden te verkopen. Onder normale marktomstandigheden, de omstandigheden van voor half 2008, waren de appartementen tijdens de uitvoering of zelfs al voor de bouw verkocht. Die 4,5 miljoen zou nooit door [C] zijn betaald want het appartementsrecht zou worden verkocht aan individuele eigenaars.
Toen de appartementen niet werden verkocht is besproken hoe het nu verder moest. Het gebouw er zo bij laten staan was geen optie. Toen is [B] verder gaan bouwen omdat er beslag was gelegd bij [A] . Er is verder gebouwd voor rekening van [B] . In de periode van eind 2009 tot april 2010 is € 1,5 miljoen ontvangen. In 2010 zou gestopt worden met bouwen. Eind 2010 trok de markt nog niet aan en zei [C] dat we de appartementen maar moesten verhuren. (...) [B] had het financieel ook zwaar te verduren dus zijn we datgene gaan doen wat nodig was om de appartementen geschikt te maken voor verhuur. Toen is er nog een keer 1,5 miljoen in [E] gestoken.
U vraagt mij waar de verplichtingen terug te vinden zijn jegens [C] en de verplichtingen van [C] jegens mij. Er is geen enkele ondertekende overeenkomst tussen [C] en [A] . Sinds 1988 heb ik al zaken gedaan met [C] . Er kwam pas iets op schrift te staan als we bij de notaris waren. Er is geen contract waarop de € 4,5 miljoen staat. Er is wel aldus gehandeld. De termijnen die zijn ingediend om bij de € 4,5 miljoen te komen zijn gefactureerd en betaald. Meer is er niet.
U heeft ook kunnen lezen dat crediteuren die niet meer nodig waren niet meer werden betaald. Op het moment dat [A] stopte met bouwen waren er nog wel crediteuren nodig. Er is nog een factuur van een kozijnenleverancier. Die is uiteindelijk wel betaald maar die staat nog op de crediteuren lijst van [A] .
Op moment dat [A] failliet gaat en stopt met bouwen gaat [B] verder met bouwen. Dan komt er een moment dat je kozijnen nodig bent.
U houdt mij voor dat het gaat om een factuur van [betrokkene 1] . Die heeft aan [A] een creditfactuur gestuurd en vervolgens een rekening aan [B] gestuurd. Klopt maar dat is na het faillissement van [A] gebeurd. Dat gebeurde meer. Dat zijn de dwangcrediteuren uit het faillissement van [A] die uiteindelijk door [B] zijn betaald. Aan de administratie van [A] die is vastgelegd op de faillissementsdatum kan ik niets meer veranderen. (...)
U, jongste raadsheer, vraagt mij of er een relatie is met DOC-117; een factuur aan [B] van [A] van 31 december 2009 van € 740.000,00. Om de administratie recht te maken is daar inderdaad een connectie mee. Deze factuur is niet naar de curator gegaan. Hij is geboekt op 31 december 2009 om de administratie in [B] in orde te maken. Om het boekjaar 2009 goed af te sluiten kan ik nog wel een factuur maken om een deugdelijke administratie voor [B] te krijgen. U, jongste raadsheer, vraagt mij of ik die factuur dan ook aan de curator zou sturen. Nee. (...)
Er is inderdaad door mij een en ander recht gezet in de administratie van [B] om een sluitende administratie te krijgen.
17. Een schriftelijk stuk, te weten een Excel bestand DOC-183 Schema [verdachte] (DOC-182 (digitaal dossier)), tabblad [A] - [B] .- [E] ’, waaruit blijkt – zakelijk weergegeven –:
De inkomsten van [A] BV in de periode van 1 januari 2009 tot en met 6 april 2010 bedraagt in totaal € 2.450.723,52. Daarvan is € 1.949.730,84 afkomstig van [C] BV. De inkomsten van [C] BV zijn ontvangen in de periode van 1 januari 2009 tot 3 september 2009.
In de periode van 1 januari 2009 tot 3 september 2009 is in totaal € 1.461.187,97 aan crediteuren bij [A] ingeboekt. In die periode is voor in totaal € 1.454.074,99 aan crediteuren betaald.
In de periode van 3 september 2009 tot en met het faillissement van [A] op 6 april 2010 is in totaal voor € 1.213.435,76 aan crediteuren bij [A] ingeboekt.
Deze crediteuren zijn voor een bedrag van € 796.554,82 betaald.
In de periode van 11 september 2009 tot 1 januari 2010 heeft [B] BV van [C] BV € 1.034,233,94 ontvangen. Van 1 januari 2010 tot 13 april 2010 heeft [B] BV nog € 417.076,02 van [C] BV ontvangen.
In totaal is in de periode van 13 april 2010 tot en met het faillissement van [B] op 27 augustus 2013 voor een bedrag van € 2.834.671,89 aan crediteuren bij [B] geboekt. Deze crediteuren zijn voor een bedrag van € 1.785.451,91 betaald.
18. Een schriftelijk stuk, te weten een Excel bestand DOC-182 Overzicht geldstromen BV’s definitief, tabblad ‘ [D] - [initialen verdachte] BV‘s- [initialen verdachte] ’, waaruit blijkt – zakelijk weergegeven – :
[C] heeft over de jaren 2008 tot en met 2012 € 7.509.447,37 betaald. Het totaal aan onbetaalde crediteuren bedraagt € 3.563.781,39.”
2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder onder meer overwogen:
“Project [projectnaam]
In 2007 is verdachte met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] mondeling een aannemingsovereenkomst overeengekomen voor de ontwikkeling van het appartementencomplex [projectnaam] aan de [a-straat] te [plaats] . [betrokkene 3] en [betrokkene 2] vertegenwoordigden [C] en verdachte vertegenwoordigde [A] . Daarbij is de afspraak gemaakt dat de verkoopopbrengst van de appartementen boven de kostprijs fifty-fifty verdeeld zou worden tussen [C] en [A] .
Begin 2008 is [A] begonnen met de bouw van [projectnaam] . De aanneemsom bedroeg (uiteindelijk en afgerond) in totaal € 4.500.000,- inclusief omzetbelasting. [A] heeft de aanneemsom in termijnbedragen aan [C] gefactureerd. Deze facturen zijn telkens voldaan. In september 2009 was de aanneemsom bijna volledig door [C] aan [A] betaald. De bouw van het appartementencomplex was op dat moment nog niet gereed. Verdachte is toen met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] mondeling overeengekomen dat het bouwkundig deel van het project [projectnaam] door [B] zou worden afgemaakt en dat de installatiewerkzaamheden door [F] zouden worden verricht.
Crediteuren
In de periode van 1 januari 2009 tot 3 september 2009 is in totaal € 1.461.187,97 aan crediteuren bij [A] ingeboekt. In die periode is voor in totaal € 1.454.074,99 aan crediteuren betaald. Het totaal aan niet betaalde crediteuren bedroeg in deze periode € 7.112,98.
Vanaf september 2009 heeft [B] de facturen voor het afbouwen van [projectnaam] naar [C] gestuurd. Deze facturen heeft [C] voldaan. De crediteuren werden echter nog steeds ten laste van [A] geboekt. In de periode van 3 september 2009 tot en met het faillissement van [A] op 6 april 2010 is in totaal voor € 1.213.435,76 aan crediteuren bij [A] ingeboekt. Deze crediteuren zijn voor een bedrag van € 796.554,82 betaald via overboekingen van [B] – direct of indirect via [D] – naar [A] . Het betrof de crediteuren die nodig waren om de bouw van [projectnaam] te voltooien. Crediteuren die niet meer nodig waren werden bewust niet betaald. Het totaal aan niet betaalde crediteuren bedroeg in deze periode € 416.880,94.
Vanaf 7 april 2010 zijn de crediteuren ten laste van [B] geboekt en is [B] gestopt met uitfactureren naar [C] . In totaal is in de periode van 13 april 2010 tot en met het faillissement van [B] op 27 augustus 2013 voor een bedrag van € 2.834.671,89 aan crediteuren bij [B] geboekt. Deze crediteuren zijn voor een bedrag van € 1.785.451,91 betaald uit van [E] en [D] ontvangen bedragen. Dit betroffen wederom de crediteuren die nodig waren om de bouw van [projectnaam] te voltooien. De crediteuren die niet meer nodig waren werden ook nu weer bewust niet meer betaald. Het totaal aan niet betaalde crediteuren bedroeg in deze periode € 1.049.219,98.
In november 2010 is [E] begonnen met het uitschrijven van facturen aan [C] in verband met werkzaamheden die door [B] en [F] waren verricht. Ook deze facturen zijn door [C] voldaan. De crediteuren in verband met de installatiewerkzaamheden zijn tot aan het faillissement van [F] op 6 december 2011 ten laste van [F] geboekt.
[C] heeft voor de bouw van [projectnaam] over de jaren 2008 tot en met 2012 uiteindelijk een bedrag van € 7.509.447,37 aan [A] , [B] en [E] betaald. Het totaal aan niet betaalde crediteuren in verband met de bouw van [projectnaam] bedraagt (de Hoge Raad leest, gelet op het onder 2.2 weergegeven bewijsmiddel 18:) € 3.563.781,39.
Administratie
Uit het dossier blijkt dat een schriftelijke vastlegging van de overeenkomst tussen [A] en [C] ontbreekt, terwijl de overeenkomst met [C] een belang vertegenwoordigde van enkele miljoenen. Verdachte heeft verklaard dat dit niet is vastgelegd omdat in het verleden vaker zaken met elkaar is gedaan en partijen vertrouwen in elkaar hadden. Met betrekking tot de aanneemsom heeft verdachte verklaard dat hij de hoogte van de aanneemsom niet heeft gecalculeerd of laten calculeren, maar dat hij die op basis van zijn ervaringen heeft begroot. Hij heeft die bewust op een te laag bedrag gesteld vanwege de afspraak die hij stelt te hebben gemaakt met [C] inhoudende dat de winst bij verkoop van de appartementen zou worden gedeeld. Het was de bedoeling dat de voor de financiering van de bouw benodigde geldstromen niet zozeer uit de aanneemsom, maar vooral uit de verkopen van de appartementen diende te komen.
In september 2009, toen bijna de volledige aanneemsom door [C] was gefinancierd, de bouw nog niet was afgerond en blijkens de verklaring van verdachte in hoger beroep nog geen appartement was verkocht, werd [B] bij de oorspronkelijke overeenkomst tussen [C] en [A] betrokken. Ook daarvan heeft geen schriftelijke vastlegging plaatsgevonden.
In het rapport van de Belastingdienst van 20 juni 2014 (pagina 6 en 7) wordt ten aanzien van de administratie het navolgende opgemerkt, zakelijk weergegeven:
- Er zijn zogenoemde audit-files ontvangen van de jaren 2008-2010;
- Niet alle gegevens zijn in de audit-files vermeld, zoals die van de debiteuren en crediteuren;
- De aangeleverde audit-files zijn niet afgesloten aan het einde van het boekjaar;
- Er is geen administratie aangetroffen van bestuurs- en beheersdaden, de interne organisatie in het algemeen en van intern en extern berichtenverkeer;
- Er zijn onder meer geen overeenkomsten, bestellingen, contracten, bestekken, notulen van vergaderingen en kasboeken aangetroffen;
- Ook ontbreken onder meer (fiscale) jaarstukken, inkoop- en/of verkoopadministratie, administratie van geldleningen (rekening-courant verhoudingen).
- Vervolgens wordt opgemerkt dat de boekhouding moeilijk toegankelijk is en niet goed controleerbaar is.
De conclusie op pagina 8 luidt: “Wij komen verder tot de conclusie dat de administratie niet zodanig is gevoerd dat te allen tijde de eigen rechten en verplichtingen van de ondernemer duidelijk blijken.” En: “Wij komen ook tot de conclusie dat de administratie niet zodanig is ingericht dat de controlemedewerkers van de Belastingdienst een controle binnen redelijke termijn kunnen uitvoeren.”
Op pagina 15 wordt opgemerkt: “Er zijn door ons geen schriftelijke vastleggingen aangetroffen in de administratie van [A] B.V. waarin melding is gemaakt over de wijze van factureren waarbij de vergoeding voor de bouwactiviteiten verricht aan [projectnaam] op of omstreeks 1 september 2009 niet langer toekwamen aan [A] B.V. maar aan [B] B.V.”
Het dossier bevat verder twee facturen (DOC-117 en DOC-140). DOC-117 betreft een factuur gedateerd op 31 december 2019, opgemaakt door [A] en gericht aan [B] (het hof begrijpt: [B] ). Op de factuur staat: Werk: 39 appartementen te [plaats] . Betreft werkzaamheden vanaf 8-9-2009 t/m 31/12/2009: Het gaat om een bedrag van € 740.000,--. De BTW is verlegd.
Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat deze factuur pas na het faillissement van [A] is opgemaakt om de administratie van [B] over 2009 sluitend te maken. Dit had te maken met de dwangcrediteuren van [A] die door [B] zijn betaald. Daarom is die gedagtekend op 31 december 2009. Deze factuur heeft verdachte niet naar de curator gestuurd en is ook niet in de administratie van [A] verwerkt.
DOC-140 betreft een creditfactuur gedateerd op 21-03-2011, opgemaakt door [B] en gericht aan [A] . Het creditbedrag bedraagt totaal € 416.500,00, bestaande uit € 350.000,00 ex BTW plus 19% BTW ter hoogte van € 66.5000,00. Over deze factuur heeft verdachte ook verklaard dat deze niet naar de curator is gestuurd. Waarom in dit geval wel BTW is toegepast weet verdachte niet meer.
De curator van [A] , mr. [curator 1] , heeft verklaard dat de administratie onvolledig is. Tussentijdse cijfers ontbraken. Ook de rekening-courantverhouding met onder anderen [D] en [B] ontbraken. De aan de Belastingdienst verstrekte primaire vastleggingen waren niet volledig. Derhalve kan gesteld worden dat niet alle informatie is verstrekt dan wel niet alle vastleggingen bewaard zijn gebleven bij de administratie. Ook met betrekking tot de subsidiaire vastleggingen is in de administratie van [A] door de medewerkers van de Belastingdienst niets of nagenoeg niets aangetroffen. Gelet op het feit dat de administratie gebrekkig is bijgehouden dan wel gebrekkig aan de curator is uitgeleverd kon hij de winst- en verliesgegevens en de balanstotalen daaruit niet afleiden.
De administratief medewerkster van verdachte heeft verklaard dat verdachte in privé wel eens crediteuren betaalde en dat zij die facturen in [B] geboekt heeft. Zij heeft daarover het volgende verklaard: “Het gebeurde ook wel dat [verdachte] zei dat hij een factuur had betaald en dan zocht ik die onderaannemer er bij en zocht die factuur op. Een betaalbewijs zat er niet bij. Als er geen factuur was, dan werd die nog opgevraagd. Ook gebeurde het wel eens dat [verdachte] zei dat hij, zeg maar, € 10.000 aan een crediteur had betaald en dan zocht ik die crediteur op en zocht ik de oudste facturen op en boekte € 10.000 af op deze facturen van die crediteur. De betaling van deze crediteur boekte ik dan ook in rekening-courant van [verdachte] als zijnde betaald door [verdachte] in privé.” Op de vraag hoe zij wist dat verdachte een crediteur daadwerkelijk had betaald als zij geen betalingsbewijs ontving heeft zij verklaard dat zij verdachte op zijn woord geloofde en dus niet altijd een betalingsbewijs had. Ook heeft zij verklaard dat verdachte wel bij haar kwam zonder bonnetjes. Zij heeft verklaard: "Die kleine bonnetjes, zoals de Fixet, die kwamen vaak voor, maar hoe vaak het verder voorkwam weet ik niet meer. Er waren erg veel boekingen in rekening-courant tussen de verschillende vennootschappen. De betalingen door [verdachte] vanuit privé maakten onderdeel uit van die vele boekingen. Ik weet geen aantallen meer. Ik herinner mij wel dat [verdachte] vaak kleine bedragen voorschoot.”
Ten aanzien van de aangifte omzetbelasting heeft zij als volgt verklaard: ”Ik krijg de facturen van [verdachte] en aan de hand van wat ik krijg van [verdachte] maak ik de aangiften omzetbelasting op. Ik maak ook de verkoopfacturen op en ik voer deze ook in de computer in. Het opmaken van de verkoopfacturen deed ik in opdracht van [verdachte] . Ik maakte inderdaad ook de aangiften omzetbelasting op aan de hand van de facturen die ik zelf opmaakte en de facturen die ik van [verdachte] kreeg. Ik heb de aangiften omzetbelasting 2011 van [B] B.V. opgemaakt en ingediend.”
Feitelijk leidinggeven
In hoger beroep is door verdachte niet bestreden dat de tenlastegelegde gedragingen handelingen behelzen die op zich aan de vennootschappen kunnen worden toegeschreven en dat verdachte ten aanzien van [A] en [B] als feitelijke leidinggever kan worden gezien. Verdachte heeft daarover zelf verklaard dat hij besliste en de lakens uit deelde bij al die vennootschappen.
Overwegingen met betrekking tot feit 1
In hoger beroep wordt verdachte verweten dat hij schuldeisers van [A] heeft benadeeld door onttrekking van goederen uit de boedel. Hij zou de geldbedragen die ten goede behoorden te komen aan [A] hebben overgeboekt naar andere aan verdachte gelieerde vennootschappen dan wel ten behoeve van hem privé. Voorts wordt verdachte verweten dat hij niet heeft voldaan aan de administratieverplichting op grond van artikel 3:15i van het Burgerlijk Wetboek.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is aangevoerd dat geen sprake is van opzet op het verkorten van de rechten van schuldeisers. Niet bewezen kan worden dat ten tijde van het handelen door verdachte de kans op een faillissement aanmerkelijk was, noch dat verdachte zich bewust is geweest van die kans en die kans ook heeft aanvaard.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 wettig en overtuigend te bewijzen is.
Beoordelingskader
Het hof stelt voorop dat de in artikel 341 Wetboek van Strafrecht (oud) gebezigde bewoordingen 'ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers' tot uitdrukking brengt dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op benadeling van de schuldeisers en dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is. Voor het bewijs van het opzet is derhalve ten minste vereist dat de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers heeft doen ontstaan en dat de verdachte door die gedraging die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Dit betekent dat er ten tijde van de ten laste gelegde handelingen reeds een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond of dat als gevolg van die handelingen een aanmerkelijke kans op een faillissement is ontstaan. Een aanmerkelijke kans is in dit verband een redelijke mate van waarschijnlijkheid. Voor het bewijs van opzet zijn de aard van de gedraging, de omstandigheden van het geval, de bijzondere positie van de verdachte, algemene ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid van belang. Deze aspecten kunnen tot de conclusie leiden dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op een faillissement en daarmee op benadeling van de schuldeisers en die kans ook heeft aanvaard.
(...)
Niet voldoen aan de administratieve verplichting
In de tenlastelegging wordt in dit verband verwezen naar artikel 3:15i BW. In dat artikel is de eis opgenomen dat een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, verplicht is om van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. Deze eis moet op grond van de jurisprudentie aldus worden begrepen dat daaraan is voldaan indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie.
Naast de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten kunnen echter ook andere elementen van belang zijn voor het antwoord op de vraag of de boekhouding aan de daaraan te stellen eisen voldoet.
Uit het voorgaande is gebleken dat de aanneemsom voor het project [projectnaam] in totaal € 4.500.000,-- inclusief omzetbelasting bedroeg. De totale aanneemsom was in september 2009 bijna volledige betaald. Het appartementencomplex was op dat moment nog niet gereed. Verdachte heeft verklaard dat op dat moment ook nog geen inkomsten uit de verkoop van appartementen zijn verworven, zoals dat oorspronkelijk wel was bedacht. Naar het oordeel van het hof ontstond op dat moment een financieringsprobleem voor het project. De kosten voor de bouw gingen door terwijl er geen inkomstenbron was. Verdachte is toen met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] mondeling overeengekomen dat het bouwkundig deel van het project [projectnaam] door [B] zou worden afgemaakt.
Van de overdracht van [A] naar [B] heeft geen schriftelijke vastlegging plaatsgevonden. Er is niet vastgelegd wat de afspraken tussen de drie partijen ( [A] , [B] en [C] ) waren. De rechten en plichten onderling zijn niet vastgelegd in de administratie. Dat blijkt onder meer uit de facturen DOC-117 en DOC-140 die achteraf zijn opgemaakt om de administratie van [B] sluitend te maken en uit de onduidelijkheid die bestaat over de winstdeling. Verdachte zegt dat dit pas in 2014 anders is geworden en dat de rechten van [A] en [B] toen pas zijn vervallen. Terwijl [betrokkene 2] heeft verklaard dat de winstdelingsafspraken zijn vervallen toen de overeenkomst over is gegaan naar [B] .
Voorts blijkt uit de verklaring van de curator ook dat de primaire en subsidiaire vastlegging onvolledig is geweest. Er ontbreken tussentijdse cijfers. Ook de rekening-courantverhouding met onder anderen [D] en [B] BV ontbreken. De curator concludeert dat de winst- en verliesgegevens en de balanstotalen niet af te leiden zijn uit de administratie hetgeen tot bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers leidt.
Gelet op het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat vanaf 3 september 2009 een faillissement voor [A] dreigt en dat het faillissement voor verdachte ook voorzienbaar was. Dat is het moment waarop de aanneemsom bijna volledig is betaald, de bouw nog niet klaar is en geen van de appartementen, anders dan was beoogd, is verkocht. Uit het dossier blijkt niet, en evenmin is door verdachte aangevoerd, dat zich op dat moment omstandigheden voordeden waaruit het vertrouwen ontleend kon worden dat binnen afzienbare termijn een en ander ten goede zou keren. Om het project af te kunnen maken wordt de overeenkomst overgenomen door [B] terwijl de kosten in [A] worden geboekt. Gelet op de reden van overname door [B] is het voor alle betrokken partijen essentieel om de rechten en plichten te kennen. Doordat verdachte heeft verzuimd een deugdelijke administratie te voeren heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat rechten van schuldeisers van [A] worden verkort. Immers zonder een duidelijk overzicht van de rechten en plichten is het voor een curator onmogelijk de schuldenpositie in kaart te brengen en als gevolg daarvan schuldeisers te doen toekomen waar zij al dan niet recht op hebben.
Verdachte heeft verklaard dat het geoorloofd is om mondelinge overeenkomsten aan te gaan en dat hij ook in het verleden mondeling aannemingsovereenkomsten is aangegaan. Hoewel die stelling van verdachte juist is, ontslaat de mogelijkheid om mondeling een overeenkomst aan te gaan hem niet van de verplichting om de rechten en plichten die uit die overeenkomst voortvloeien zodanig vast te leggen dat die te allen tijde duidelijk worden uit de administratie. In de administratie is met betrekking tot het project een kladberekening aangetroffen. Niet wordt duidelijk uit het document of het een kostenraming of de aanneemsom is, met wie is overeengekomen en welke afspraken onder welke voorwaarden over winstdeling zijn gemaakt en aan welke eisen het te bouwen object diende te voldoen.
Het hof wil wel aannemen dat verdachte niet aan het project begonnen is om zichzelf ten koste van een ander te verrijken of schuldeisers te benadelen. Maar ook vanaf het moment dat een faillissement dreigde en voor verdachte voorzienbaar was, heeft verdachte nagelaten ervoor te zorgen dat de administratie op orde kwam en bleef.
(...)
Overwegingen met betrekking tot feit 5
In hoger beroep wordt verdachte verweten dat hij schuldeisers van [B] heeft benadeeld door onttrekking van goederen uit de boedel. Hij zou de geldbedragen die ten goede behoorden te komen aan [B] hebben overgeboekt naar andere aan verdachte gelieerde vennootschappen dan wel ten behoeve van hem privé en geldbedragen contant hebben opgenomen. Voorts wordt verdachte verweten dat hij niet heeft voldaan aan de administratieverplichting op grond van artikel 3:15i van het Burgerlijk Wetboek.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is aangevoerd dat geen sprake is van opzet op het verkorten van de rechten van schuldeisers. Niet bewezen kan worden dat ten tijde van het handelen door verdachte de kans op een faillissement aanmerkelijk was, noch dat verdachte zich bewust is geweest van die kans en die kans ook heeft aanvaard. Ten aanzien van de onttrekkingen is aangevoerd dat een saldering over de jaren 2012 en 2013 een positief resultaat oplevert.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend te bewijzen is.
Oordeel van het hof
Ook hier geldt het beoordelingskader dat het hof hiervoor onder feit 1 heeft opgenomen.
Onttrekkingen uit de boedel
Uit het dossier blijkt
- dat in 2012 per saldo een bedrag van € 31.577,64 is overgeboekt van de bankrekening van [B] BV naar de bankrekening van [D] BV;
- dat in 2011 per saldo een bedrag van € 9.511,81 is overgeboekt van de bankrekening van [B] BV naar de bankrekening van [G] BV;
- dat in 2011 per saldo een bedrag van € 24.749,69 door [B] B.V. is overgeboekt naar of vergoed aan, dan wel namens [verdachte] voldaan. Van dit bedrag heeft verdachte per saldo € 21.020,-- contant opgenomen;
- dat in 2012 per saldo een bedrag van € 1.550,- is overgeboekt van de bankrekening van [B] BV naar de bankrekening van [G] BV;
- dat in 2012 per saldo een bedrag van € 7.492,37 door [B] BV is overgeboekt naar of vergoed aan, dan wel namens [verdachte] voldaan. Van dit bedrag is € 4.105,04 contant opgenomen door [verdachte] .
Door vanaf het moment dat [B] niet meer aan [C] factureerde maar de crediteuren wel op [B] bleven drukken bovenvermelde bedragen ten laste van [B] onverschuldigd over te boeken, heeft verdachte – als feitelijk leidinggever – in het vooruitzicht van een faillissement ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers goederen aan de boedel onttrokken.
Niet voldoen aan de administratieve verplichtingen
Ook hier geldt hetgeen het hof eerder ten aanzien van feit 1 heeft opgemerkt over artikel 3:15i BW.
Uit het dossier blijkt dat de belastingdienst heeft geconcludeerd dat de administratie voor een onderneming die zich toelegde op bouw voor derden niet voldeed. Voor de aard, de omvang en complexiteit van de bedrijfsvoering - met name in verband met het project [projectnaam] - bestempelt de Belastingdienst de administratie, zowel voor wat betreft de inrichting, opzet en inhoud volstrekt onvoldoende.
De belastingdienst rapporteert het volgende (zie: DOC-0036):
“De aan ons verstrekte primaire vastleggingen waren niet volledig. Niet of nagenoeg niet door ons aangetroffen in de primaire vastleggingen van [B] B.V.:
- Extern berichtenverkeer met leveranciers;
- Extern berichtenverkeer met afnemers;
- Contracten en (bouw- en aanneem)overeenkomsten;
- Een (klad)kasboek.
Met betrekking tot de subsidiaire vastleggingen is door ons het volgende vastgesteld. Wij hebben in de administratie van [B] B. V. niet of nagenoeg niet aangetroffen:
- Separate inkoop- en/of verkoopadministratie;
- Projectadministraties;
De aan ons ter beschikking gestelde (delen van de) administratie waren niet goed toegankelijk en niet goed controleerbaar. Niet alle gegevens die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn, bleken steeds duidelijk uit de administratie.
De aard en de hoeveelheid informatie die minimaal nodig is om de bedrijfsprocessen in deze onderneming te kunnen beheersen zijn vele malen groter dan de doos ons in de ter beschikking gestelde administratie is aangetroffen. Wij komen verder tot de conclusie dat de administratie niet betrouwbaar is. Onze conclusie is dat niet alle gegevens die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn steeds duidelijk uit de administratie blijken."
Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne.
[curator 2] heeft in de aangifte aangegeven dat het van belang is dat de administratie zodanig wordt gevoerd dat te allen tijde de eigen rechten en plichten van de onderneming helder zijn. In het faillissement van [B] ontbrak het de curator aan een helder overzicht.
Verder blijkt uit de administratie van [B] dat in het memoriaal op 29 juni 2011 diverse boekingen staan onder vermelding van "overn. install. [plaats] ". Eén van die memoriaalboekingen betreft -€ 38.909,34 “BTW af te dragen hoog”. Op 28 september 2011 staan eveneens diverse memoriaalboekingen, nu met omschrijving “overname install., […] ”. Eén van die memoriaalboekingen betreft -€ 60.800,00 “BTW af te d”.
Ook zijn op beide data memoriaalboekingen in de rekening-courant van [A] opgenomen, waaruit volgens [betrokkene 4] (verklaring d.d. 21 maart 2016, document G-011-01) blijkt dat de aan de boekingen ten grondslag liggende facturen aan [A] gericht moeten zijn. Evenwel zijn er geen facturen aangetroffen in de administraties van [A] of [B] . Er werden dus boekingen in de administratie gedaan zonder dat daaraan facturen ten grondslag lagen.
De administratief medewerkster van verdachte heeft verklaard dat verdachte in privé wel eens crediteuren betaalde en dat zij die facturen in [B] geboekt heeft: “Het gebeurde ook wel dat [verdachte] zei dat hij een factuur had betaald en dan zocht ik die onderaannemer er bij en zocht die factuur op. Een betaalbewijs zat er niet bij. Als er geen factuur was, dan werd die nog opgevraagd. Ook gebeurde het wel eens dat [verdachte] zei dat hij, zeg maar, € 10.000 aan een crediteur had betaald en dan zocht ik die crediteur op en zocht ik de oudste facturen op en boekte € 10.000 af op deze facturen van die crediteur. De betaling van deze crediteur boekte ik dan ook in rekening-courant van [verdachte] als zijnde betaald door [verdachte] in privé.”
Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat verdachte heeft verzuimd een deugdelijke administratie te voeren en daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat rechten van schuldeisers van [B] werden verkort.”
3. Juridisch kader
3.1
Artikel 341, aanhef en onder a, sub 1° en sub 4°, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten:
“Als schuldig aan bedrieglijke bankbreuk wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren en geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen, hij:
a. die in staat van faillissement is verklaard, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers:
1° hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt;
4° niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld.”
3.2
In zijn arrest van 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:166 heeft de Hoge Raad overwogen dat de in artikel 341 (oud) Sr gebruikte bewoordingen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ tot uitdrukking brengen dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers, dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is en dat daarom voor het bewijs van het opzet ten minste is vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat het niet of onvoldoende voeren van een administratie niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers doet ontstaan.
3.3
In zijn arrest van 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2021 heeft de Hoge Raad over artikel 341, aanhef en onder a, sub 1°, (oud) Sr overwogen dat die bepaling beoogt onder meer alle handelingen te treffen die de in staat van faillissement verklaarde heeft verricht ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, waardoor wat onder het bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten zijn bereik en beheer wordt gehouden.
4. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde, voor zover deze betrekking heeft op het handelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon’, niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Het keert zich in het bijzonder tegen het oordeel van het hof dat de verdachte, door geen deugdelijke administratie te voeren, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon [A] B.V. (hierna: [A] ) door een vanaf september 2009 dreigend faillissement van [A] zouden worden verkort.
4.2
Het hof heeft in zijn bewijsvoering onder meer de volgende vaststellingen gedaan.
- De verdachte besliste en deelde de lakens uit bij [A] en [B] B.V. (hierna: [B] ).
- In 2007 is een aannemingsovereenkomst gesloten tussen [A] en [C] B.V. (hierna: [C] ), voor de ontwikkeling van het appartementencomplex [projectnaam] . De aanneemsom bedroeg (afgerond) € 4.500.000. Dit bedrag was bewust op een te laag bedrag gesteld vanwege de door de verdachte met [C] gemaakte afspraak dat de winst bij verkoop van de appartementen zou worden gedeeld.
- Er is geen schriftelijke vastlegging van de overeenkomst tussen [A] en [C] , terwijl deze een belang vertegenwoordigde van enkele miljoenen.
- De aanneemsom van € 4.500.000 is in termijnen door [A] aan [C] gefactureerd. De facturen zijn door [C] aan [A] voldaan.
- In september 2009 was de aanneemsom bijna volledig door [C] aan [A] betaald, terwijl de bouw van het appartementencomplex niet gereed was.
- Omdat er beslag was gelegd ten laste van [A] , is de verdachte in september 2009 met [C] overeengekomen dat de bouw van het complex zou worden afgemaakt door [B] .
- Er is geen schriftelijke vastlegging van de afspraken die in dat kader zijn gemaakt tussen [A] , [B] en [C] .
- Vanaf september 2009 heeft [B] de facturen voor het afbouwen van het complex aan [C] gestuurd. De facturen zijn door [C] aan [B] voldaan.
- De crediteuren werden vanaf september 2009 tot de datum van het faillissement van [A] nog steeds “ten laste van [A] geboekt”. Tussen september 2009 en het faillissement van [A] gaat het om een bedrag van € 1.213.435,76. Daarvan is via directe of indirecte overboekingen van [B] naar [A] een bedrag van € 796.554,82 voldaan. Dat bedrag ziet op de betaling van crediteuren die nodig waren om de bouw van het complex te voltooien. De overige crediteuren werden bewust niet betaald.
- [A] is op 6 april 2010 in staat van faillissement verklaard.
4.3
Het hof heeft tegen de achtergrond van deze vaststellingen, kort gezegd, overwogen (i) dat in september 2009, toen de aannemingsovereenkomst werd overgenomen door [B] terwijl de kosten ook daarna nog “in [A] worden geboekt”, voor [A] een faillissement dreigde en dat dit voor de verdachte ook voorzienbaar was, omdat de kosten voor het afbouwen van het appartementencomplex doorliepen en er geen inkomstenbron was, en (ii) dat de verdachte geen deugdelijke administratie heeft gevoerd en ook vanaf het moment dat een faillissement dreigde en voor de verdachte voorzienbaar was, heeft nagelaten ervoor te zorgen dat de administratie op orde kwam en bleef, waardoor onder meer onduidelijk is gebleven welke rechten en plichten voor partijen voortvloeiden uit de niet op schrift gestelde aannemingsovereenkomst en uit de niet op schrift gestelde overname van die overeenkomst door [B] , waaronder de aanspraken op winstdeling.
4.4
Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte, door geen deugdelijke administratie te voeren, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de rechten van schuldeisers van [A] werden verkort, getuigt in het licht van wat onder 3.2 is vooropgesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is toereikend gemotiveerd.
4.5
Het cassatiemiddel faalt.
5. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
5.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde, voor zover deze betrekking heeft op het ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon onttrekken van goederen aan de boedel’, niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Het keert zich in het bijzonder tegen het oordeel van het hof dat de verdachte, onder meer door onverschuldigd geldbedragen over te boeken, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon [B] na het faillissement van [A] zouden worden verkort.
5.2
Het hof heeft in zijn bewijsvoering, in aansluiting op wat onder 4.2 ook ten aanzien van [B] is vastgesteld, onder meer de volgende vaststellingen gedaan.
- Na het faillissement van [A] , op 6 april 2010, zijn de crediteuren in verband met de bouw van het appartementencomplex “ten laste van [B] geboekt” en is [B] “gestopt met uitfactureren naar [C] ”. Vanaf die datum tot en met het faillissement van [B] is “voor een bedrag van € 2.834.671,89 aan crediteuren bij [B] geboekt”. De crediteuren die nodig waren om de bouw van het complex te voltooien zijn via van [E] B.V. en [D] B.V. ontvangen bedragen door [B] voldaan. Deze crediteuren vertegenwoordigen een bedrag van € 1.785.451,91. De andere crediteuren werden bewust niet betaald.
- In 2011 en 2012 hebben – voor (samengevat) een totaalbedrag van circa € 75.000 – diverse overboekingen plaatsgevonden vanaf de bankrekening van [B] naar de bankrekening van derden, welke bedragen deels – voor een totaalbedrag van circa € 32.000 – aan de verdachte zijn toegekomen.
- [B] is op 27 augustus 2013 in staat van faillissement verklaard.
5.3
Het hof heeft tegen de achtergrond van deze vaststellingen geoordeeld dat de verdachte, als feitelijk leidinggever van [B] , in het vooruitzicht van een faillissement ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers goederen aan de boedel heeft onttrokken. Het hof heeft daartoe in het bijzonder overwogen dat de verdachte vanaf het moment dat [A] was gefailleerd en [B] niet meer aan [C] factureerde maar de crediteuren wel op [B] bleven drukken – in welke overweging besloten ligt dat vanaf dat moment een faillissement van [B] voorzienbaar was –, bedragen ten laste van [B] onverschuldigd heeft overgeboekt. Dat oordeel getuigt in het licht van wat onder 3.2 en 3.3 is vooropgesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
5.4
Het cassatiemiddel faalt.
6. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
7. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
8. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en een week, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 december 2025.
Conclusie 23‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Faillissementsfraude (art. 341, onder a, (oud) Sr). Hof oordeelt dat de verdachte heeft verzuimd een deugdelijke administratie te voeren, en daardoor bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat rechten van schuldeisers werden verkort. M1 en M2) Klachten dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte v.w. opzet heeft gehad op verkorting van rechten van schuldeisers, slagen. M3) klacht over de strafoplegging kan daardoor buiten bespreking blijven. Conclusie strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01388
Zitting 23 september 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. De verdachte is bij arrest van 31 maart 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens (onder meer) 1. “Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van bedrieglijke bankbreuk” en 5. “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een ontzetting van het recht om een beroep als statutair bestuurder, feitelijk bestuurder of vennoot van een rechtspersoon uit te oefenen voor de duur van drie jaren.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.W.M. Stevens, advocaat in Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.1.
De middelen
3. Het eerste en het tweede middel zijn gericht tegen de bewezenverklaring van feit 1 (middel 1) en feit 5 (middel 2). Het derde middel heeft betrekking op de strafoplegging.2.
De bewezenverklaring
4. Ten laste van de verdachte is, voor zover relevant, bewezen verklaard dat:
“1. [A] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis (van de rechtbank Leeuwarden van 6 april 2010) in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 11 september 2009 tot en met 6 april 2010, in Nederland, alleen, meermalen, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers,
- niet voldaan heeft aan de op haar, [A] B.V., rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld,
tot welk feit hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven;
(…)
5. [B] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis (van de rechtbank Noord Nederland van 27 augustus 2013) in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 7 april 2010 tot en met 27 augustus 2013, in Nederland, alleen, meermalen, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, enig goed aan de bedoeld onttrokken heeft, hierin bestaande, dat zij
- onverschuldigd geldbedragen van een bankrekening die te naam was gesteld van [B] B.V. heeft overgeboekt naar een bankrekening die te naam was gesteld aan [C] B.V. en een ander aan hem, verdachte, gelieerde rechtspersoon en aan hem, verdachte, privé; en
- geldbedragen contant heeft opgenomen; en
- niet voldaan heeft aan de op haar, [B] B.V., rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek,
welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven.
De bewijsvoering
5. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen opgenomen in de aanvulling bij het bestreden arrest d.d. 31 maart 2023. Ik verwijs naar de inhoud daarvan.
6. Het hof heeft daarnaast, voor zover thans relevant, het volgende overwogen (onderstrepingen van mijn hand):
“De betrokken (rechts)personen
Het hof verenigt zich met de onderstaande cursief [hier in rechtopstaand schrift weergegeven, D.A.] weergegeven overwegingen van de rechtbank en neemt deze over.
" [A] BV
[A] BV (hierna: [A] ) is op 20 augustus 2002 opgericht door [verdachte] . De schoonzus van [verdachte] , [betrokkene 1] is voor 50% aandeelhouder, [verdachte] voor 49% en [betrokkene 2] voor 1%. Vanaf juni 2008 tot 6 april 2010 trad [C] BV (hierna: [C] ) op als bestuurder van [A] . Op 6 april 2010 is [A] failliet verklaard. Mr. [curator 1] is als curator aangewezen.
[B] BV
[B] BV (hierna: [B] ) is op 24 december 2004 opgericht. [verdachte] en [A] zijn ieder voor 50% aandeelhouder en [verdachte] is vanaf 1 januari 2006 tot en met 27 augustus 2013 algemeen directeur geweest. [B] is op 27 augustus 2013 failliet verklaard. Mr. [curator 2] is als curator aangewezen.
(…)”
Project [naam]
In 2007 is verdachte met [betrokkene 3] en [betrokkene 4] mondeling een aannemingsovereenkomst overeengekomen voor de ontwikkeling van het appartementencomplex [naam] aan de [a-straat] te [plaats] . [betrokkene 4] en [betrokkene 3] vertegenwoordigden [betrokkene 5] en verdachte vertegenwoordigde [A] . Daarbij is de afspraak gemaakt dat de verkoopopbrengst van de appartementen boven de kostprijs fifty-fifty verdeeld zou worden tussen [betrokkene 5] en [A] .
Begin 2008 is [A] begonnen met de bouw van [naam] . De aanneemsom bedroeg (uiteindelijk en afgerond) in totaal € 4.500.000,- inclusief omzetbelasting. [A] heeft de aanneemsom in termijnbedragen aan [betrokkene 5] gefactureerd. Deze facturen zijn telkens voldaan. In september 2009 was de aanneemsom bijna volledig door [betrokkene 5] aan [A] betaald. De bouw van het appartementencomplex was op dat moment nog niet gereed. Verdachte is toen met [betrokkene 3] en [betrokkene 4] mondeling overeengekomen dat het bouwkundig deel van het project [naam] door [B] zou worden afgemaakt en dat de installatiewerkzaamheden door [D] zouden worden verricht.
Crediteuren
In de periode van 1 januari 2009 tot 3 september 2009 is in totaal € 1.461.187,97 aan crediteuren bij [A] ingeboekt. In die periode is voor in totaal € 1.454.074,99 aan crediteuren betaald. Het totaal aan niet betaalde crediteuren bedroeg in deze periode € 7.112,98.
Vanaf september 2009 heeft [B] de facturen voor het afbouwen van [naam] naar [betrokkene 5] gestuurd. Deze facturen heeft [betrokkene 5] voldaan. De crediteuren werden echter nog steeds ten laste van [A] geboekt.
In de periode van 3 september 2009 tot en met het faillissement van [A] op 6 april 2010 is in totaal voor € 1.213.435,76 aan crediteuren bij [A] ingeboekt. Deze crediteuren zijn voor een bedrag van € 796.554,82 betaald via overboekingen van [B] – direct of indirect via [C] – naar [A] . Het betrof de crediteuren die nodig waren om de bouw van [naam] te voltooien. Crediteuren die niet meer nodig waren werden bewust niet betaald. Het totaal aan niet betaalde crediteuren bedroeg in deze periode € 416.880,94.
Vanaf 7 april 2020 zijn de crediteuren ten laste van [B] geboekt en is [B] gestopt met uitfactureren naar [betrokkene 5] . In totaal is in de periode van 13 april 2010 tot en met het faillissement van [B] op 27 augustus 2013 voor een bedrag van € 2.834.671,89 aan crediteuren bij [B] geboekt. Deze crediteuren zijn voor een bedrag van € 1.785.451,91 betaald uit van [D] en [C] ontvangen bedragen. Dit betroffen wederom de crediteuren die nodig waren om de bouw van [naam] te voltooien. De crediteuren die niet meer nodig waren werden ook nu weer bewust niet meer betaald. Het totaal aan niet betaalde crediteuren bedroeg in deze periode € 1.049.219,98.
In november 2010 is [D] begonnen met het uitschrijven van facturen aan [betrokkene 5] in verband met werkzaamheden die door [B] en [D] waren verricht,. Ook deze facturen zijn door [betrokkene 5] voldaan. De crediteuren in verband met de installatiewerkzaamheden zijn tot aan het faillissement van [D] op 6 december 2011 ten laste van [D] geboekt.
[betrokkene 5] heeft voor de bouw van [naam] over de jaren 2008 tot en met 2012 uiteindelijk een bedrag van € 7.509.447,37 aan [A] , [B] en [D] betaald. Het totaal aan niet betaalde crediteuren in verband met de bouw van Nijlandtstaete bedraagt € 3.3563.781,39.3.
Administratie
Uit het dossier blijkt dat een schriftelijke vastlegging van de overeenkomst tussen [A] en [betrokkene 5] ontbreekt, terwijl de overeenkomst met [betrokkene 5] een belang vertegenwoordigde van enkele miljoenen. Verdachte heeft verklaart dat dit niet is vastgelegd omdat in het verleden vaker zaken met elkaar is gedaan en partijen vertrouwen in elkaar hadden. Met betrekking tot de aanneemsom heeft verdachte verklaard dat hij de hoogte van de aanneemsom niet heeft gecalculeerd of laten calculeren, maar dat hij die op basis van zijn ervaringen heeft begroot. Hij heeft die bewust op een te laag bedrag gesteld vanwege de afspraak die hij stelt te hebben gemaakt met [betrokkene 5] inhoudende dat de winst bij verkoop van de appartementen zou worden gedeeld. Het was de bedoeling dat de voor de financiering van de bouw benodigde geldstromen niet zozeer uit de aanneemsom, maar vooral uit de verkopen van de appartementen diende te komen.
In september 2009, toen bijna de volledige aanneemsom door [betrokkene 5] was gefinancierd, de bouw nog niet was afgerond en blijkens de verklaring van verdachte in hoger beroep nog geen appartement was verkocht, werd [B] bij de oorspronkelijk overeenkomst tussen [betrokkene 5] en [A] betrokken. Ook daarvan heeft geen schriftelijk vastlegging plaatsgevonden.
In het rapport van de van de Belastingdienst van 20 juni 2014 (pagina 6 en 7) wordt ten aanzien van de administratie het navolgende opgemerkt, zakelijk weergegeven:
- Er zijn zogenoemde audit-files ontvangen van de jaren 2008-2010;
- Niet alle gegevens zijn in de audit-files vermeld, zoals die van de debiteuren en crediteuren;
- De aangeleverde audit-files zijn niet afgesloten aan het einde van het boekjaar;
- Er is geen administratie aangetroffen van bestuurs- en beheersdaden, de interne organisatie in het algemeen en van intern en extern berichtenverkeer;
- Er zijn onder meer geen overeenkomsten, bestellingen, contracten, bestekken, notulen van vergaderingen en kasboeken aangetroffen;
- Ook ontbreken onder meer (fiscale) jaarstukken, inkoop- en/of verkoopadministratie, administratie van geldleningen (rekening-courant verhoudingen).
- Vervolgens wordt opgemerkt dat de boekhouding moeilijk toegankelijk is en niet goed controleerbaar is.
De conclusie op pagina 8 luidt: “Wij komen verder tot de conclusie dat de administratie niet zodanig is gevoerd dat te allen tijde de eigen rechten en verplichtingen van de ondernemer duidelijk blijken.” En: “Wij komen ook tot de conclusie dat de administratie niet zodanig is ingericht dat de controlemedewerkers van de Belastingdienst een controle binnen redelijke termijn kunnen uitvoeren.”
Op pagina 15 wordt opgemerkt: “Er zijn door ons geen schriftelijke vastleggingen aangetroffen in de administratie van [A] B.V. waarin melding is gemaakt over de wijze van factureren waarbij de vergoeding voor de bouwactiviteiten verricht aan [naam] op of omstreeks 1 september 2009 niet langer toekwamen aan [A] B.V. maar aan [B] B.V.”
Het dossier bevat verder twee facturen (DOC-117 en DOC-140). DOC-117 betreft een factuur gedateerd op 31 december 2019, opgemaakt door [A] en gericht aan [B] (het hof begrijpt: [B] ). Op de factuur staat: Werk: 39 appartementen te [plaats] . Betreft werkzaamheden vanaf 8-9-2009 t/m 31/12/2009. Het gaat om een bedrag van € 740.000,--. De BTW is verlegd.
Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat deze factuur pas na het faillissement van [A] is opgemaakt om de administratie van [B] over 2009 sluitend te maken. Dit had te maken met de dwangcrediteuren van [A] die door [B] zijn betaald. Daarom is die gedagtekend op 31 december 2009. Deze factuur heeft verdachte niet naar de curator gestuurd en is ook niet in de administratie van [A] verwerkt.
DOC-140 betreft een creditfactuur gedateerd op 21-03-2011, opgemaakt door [B] en gericht aan [A] . Het creditbedrag bedraagt totaal € 416.500,00, bestaande uit € 350.000,00 ex BTW plus 19% BTW ter hoogte van € 66.500,00. Over deze factuur heeft verdachte ook verklaard dat deze niet naar de curator is gestuurd. Waarom in dit geval wel BTW is toegepast weet verdachte niet meer.
De curator van [A] , mr. [curator 1] , heeft verklaard dat de administratie onvolledig is. Tussentijdse cijfers ontbraken. Ook de rekening-courantverhouding met onder anderen [C] en [B] ontbraken. De aan de Belastingdienst verstrekte primaire vastleggingen waren niet volledig. Derhalve kan gesteld worden dat niet alle informatie is verstrekt dan wel niet alle vastleggingen bewaard zijn gebleven bij de administratie. Ook met betrekking tot de subsidiaire vastleggingen is in de administratie van [A] door de medewerkers van de Belastingdienst niéts of nagenoeg niets aangetroffen. Gelet op het feit dat de administratie gebrekkig is bijgehouden dan wel gebrekkig aan de curator is uitgeleverd kon hij de winst- en verliesgegevens en de balanstotalen daaruit niet afleiden.
De administratief medewerkster van verdachte heeft verklaard dat verdachte in privé wel eens crediteuren betaalde en dat zij die facturen in [B] geboekt heeft. Zij heeft daarover het volgende verklaard: “Het gebeurde ook wel dat [verdachte] zei dat hij een factuur had betaald en dan zocht ik die onderaannemer er bij en zocht die factuur op. Een betaalbewijs zat er niet bij. Als er geen factuur was, dan werd die nog opgevraagd. Ook gebeurde het wel eens dat [verdachte] zei dat hij, zeg maar, € 10.000 aan een crediteur had betaald en dan zocht ik die crediteur óp en zocht ik de oudste facturen op en boekte € 10.000 af op deze facturen van die crediteur. De betaling van deze crediteur boekte ik dan ook in rekening-courant van [verdachte] als zijnde betaald door [verdachte] in privé.”
Op de vraag hoe zij wist dat verdachte een crediteur daadwerkelijk had betaald als zij geen betalingsbewijs ontving heeft zij verklaard dat zij verdachte op zijn woord geloofde en dus niet altijd een betalingsbewijs had. Ook heeft zij verklaard dat verdachte wel bij haar kwam zonder bonnetjes. Zij heeft verklaard: "Die kleine bonnetjes, zoals de Fixet, die kwamen vaak voor, maar hoe vaak het verder voorkwam weet ik niet meer. Er waren erg veel boekingen in rekening-courant tussen de verschillende vennootschappen. De betalingen door [verdachte] vanuit privé maakten onderdeel uit van die vele boekingen. Ik weet geen aantallen meer. Ik herinner mij wel dat [verdachte] vaak kleine bedragen voorschoot.”
Ten aanzien van de aangifte omzetbelasting heeft zij als volgt verklaard: “Ik krijg de facturen van [verdachte] en aan de hand van wat ik krijg van [verdachte] maak ik de aangiften omzetbelasting op. Ik maak ook de verkoopfacturen op en ik voer deze ook in de computer in. Het opmaken van de verkoopfacturen deed ik in opdracht van [verdachte] . Ik maakte inderdaad ook de aangiften omzetbelasting op aan de hand van de facturen die ik zelf opmaakte en de facturen die ik van [verdachte] kreeg. Ik heb de aangiften omzetbelasting 2011 van [B] B.V. opgemaakt en ingediend.”
(…)
Overwegingen met betrekking tot feit 1
In hoger beroep wordt verdachte verweten dat hij schuldeisers van [A] heeft benadeeld door onttrekking van goederen uit de boedel. Hij zou de geldbedragen die ten goede behoorden te komen aan [A] hebben overgeboekt naar andere aan verdachte gelieerde vennootschappen dan wel ten behoeve van hem privé. Voorts wordt verdachte verweten en dat hij niet heeft voldaan aan de administratieverplichting op grond van artikel 3:15i van het Burgerlijk Wetboek.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is aangevoerd dat geen sprake is van opzet op het verkorten van de rechten van schuldeisers. Niet bewezen kan worden dat ten tijde van het handelen door verdachte de kans op een faillissement aanmerkelijk was, noch dat verdachte zich bewust is geweest van die kans en die kans ook heeft aanvaard.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 wettig en overtuigend te bewijzen is.
Beoordelingskader
Het hof stelt voorop dat de in artikel 341 Wetboek van Strafrecht (oud) gebezigde bewoordingen 'ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers' tot uitdrukking brengt dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op benadeling van de schuldeisers en dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is. Voor het bewijs van het opzet is derhalve ten minste vereist dat de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers heeft doen ontstaan en dat de verdachte door die gedraging die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Dit betekent dat er ten tijde van de ten laste gelegde handelingen reeds een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond of dat als gevolg van die handelingen een aanmerkelijke kans op een faillissement is ontstaan. Een aanmerkelijke kans is in dit verband een redelijke mate van waarschijnlijkheid. Voor het bewijs van opzet zijn de aard van de gedraging, de omstandigheden van het geval, de bijzondere positie van de verdachte, algemene ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid van belang. Deze aspecten kunnen tot de conclusie leiden dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op een faillissement en daarmee op benadeling van de schuldeisers en die kans ook heeft aanvaard.
(…)
Niet voldoen aan de administratieve verplichting
In de tenlastelegging wordt in dit verband verwezen naar artikel 3:15i BW. In dat artikel is de eis opgenomen dat een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, verplicht is om van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. Deze eis moet op grond van de jurisprudentie aldus worden begrepen dat daaraan is voldaan indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie.
Naast de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten kunnen echter ook andere elementen van belang zijn voor het antwoord op de vraag of de boekhouding aan de daaraan te stellen eisen voldoet.
Uit het voorgaande is gebleken dat de aanneemsom voor het project [naam] in totaal € 4.500.000,-- inclusief omzetbelasting bedroeg. De totale aanneemsom was in september 2009 bijna volledige betaald. Het appartementencomplex was op dat moment nog niet gereed. Verdachte heeft verklaard dat op dat moment ook nog geen inkomsten uit de verkoop van de appartementen zijn verworven, zoals dat oorspronkelijk wel was bedacht. Naar het oordeel van het hof ontstond op dat moment een financieringsprobleem voor het project. De kosten voor de bouw gingen door terwijl er geen inkomstenbron was. Verdachte is toen met [betrokkene 3] en [betrokkene 4] mondeling overeengekomen dat het bouwkundig deel van het project [naam] door [B] zou worden afgemaakt. Van de overdracht van [A] naar [B] heeft geen schriftelijke vastlegging plaatsgevonden. Er is niet vastgelegd wat de afspraken tussen de drie partijen ( [A] , [B] en [betrokkene 5] ) waren. De rechten en plichten onderling zijn niet vastgelegd in de administratie. Dat blijkt onder meer uit de facturen DOC-117 en DOC-I40 die achteraf zijn opgemaakt om de administratie van [B] sluitend te maken en uit de onduidelijkheid die bestaat over de winstdeling. Verdachte zegt dat dit pas in 2014 anders is geworden en dat de rechten van [A] en [B] toen pas zijn vervallen.
Terwijl [betrokkene 3] heeft verklaard dat de winstdelingsafspraken zijn vervallen toen de overeenkomst over is gegaan naar [B] .
Voorts blijkt uit de verklaring van de curator ook dat de primaire en subsidiaire vastlegging onvolledig is geweest. Er ontbreken tussentijdse cijfers. Ook de rekening-courantverhouding met onder anderen [C] en [B] BV ontbreken. De curator concludeert dat de winst- en verliesgegevens en de balanstotalen niet af te leiden zijn uit de administratie hetgeen tot bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers leidt.
Gelet op het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat vanaf 3 september 2009 een faillissement voor [A] dreigt en dat het faillissement voor verdachte ook voorzienbaar was. Dat is het moment waarop de aanneemsom bijna volledig is betaald, de bouw nog niet klaar is en geen van de appartementen, anders dan was beoogd, is verkocht. Uit het dossier blijkt niet, en evenmin is door verdachte aangevoerd, dat zich op dat moment omstandigheden voordeden waaruit het vertrouwen ontleend kon worden dat binnen afzienbare termijn een en ander ter goede zou keren. Om het project af te kunnen maken wordt de overeenkomst overgenomen door [B] terwijl de kosten in [A] worden geboekt. Gelet op de reden van overname door [B] is het voor alle betrokken partijen essentieel om de rechten en plichten te kennen. Doordat verdachte heeft verzuimd een deugdelijke administratie te voeren heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat rechten van schuldeisers van [A] worden verkort. Immers zonder een duidelijk overzicht van de rechten en plichten is het voor een curator onmogelijk de schuldenpositie in kaart te brengen en als gevolg daarvan schuldeisers te doen toekomen waar zij al dan niet recht op hebben.
Verdachte heeft verklaard dat het geoorloofd is om mondelinge overeenkomsten aan te gaan en dat hij ook in het verleden mondeling aannemingsovereenkomsten is aangegaan. Hoewel die stelling van verdachte juist is, ontslaat de mogelijkheid om mondeling een overeenkomst aan te gaan hem niet van de verplichting om de rechten en plichten die uit die overeenkomst voortvloeien zodanig vast te leggen dat die te allen tijde duidelijk worden uit de administratie. In de administratie is met betrekking tot het project een kladberekening aangetroffen. Niet wordt duidelijk uit het document of het een kostenraming of de aanneemsom is, met wie is overeengekomen en welke afspraken onder welke voorwaarden over winstdeling zijn gemaakt en aan welke eisen het te bouwen object diende te voldoen.
Het hof wil wel aannemen dat verdachte niet aan het project begonnen is om zichzelf ten koste van een ander te verrijken of schuldeisers te benadelen. Maar ook vanaf het moment dat een faillissement dreigde een voor verdachte voorzienbaar was, heeft verdachte nagelaten ervoor te zorgen dat de administratie op orde kwam en bleef.
(…)
Overwegingen met betrekking tot feit 5
In hoger beroep wordt verdachte verweten dat hij schuldeisers van [B] heeft, benadeeld door onttrekking van goederen uit de boedel. Hij zou de geldbedragen die ten goede behoorden te komen aan [B] hebben overgeboekt naar andere aan verdachte gelieerde vennootschappen dan wel ten behoeve van hem privé en geldbedragen contant hebben opgenomen. Voorts wordt verdachte verweten en dat hij niet heeft voldaan aan de administratieverplichting op grond van artikel 3:15i van het Burgerlijk Wetboek.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is aangevoerd dat geen sprake is van opzet op het verkorten van de rechten van schuldeisers. Niet bewezen kan worden dat ten tijde van het handelen door verdachte de kans op een faillissement aanmerkelijk was, noch dat verdachte zich bewust is geweest van die kans en die kans ook heeft aanvaard. Ten aanzien van de onttrekkingen is aangevoerd dat een saldering over de jaren 2012 en 2013 een positief resultaat oplevert.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend te bewijzen is.
Oordeel van het hof
Ook hier geldt het beoordelingskader dat het hof hiervoor onder feit 1 heeft opgenomen.
Onttrekkingen uit de boedel
Uit het dossier blijkt
- dat in 2012 per saldo een bedrag van € 31.577,64 is overgeboekt van de bankrekening van [B] BV naar de bankrekening van [C] BV;
- dat in 2011 per saldo een bedrag van € 9.511,81 is overgeboekt van de bankrekening van [B] BV naar de bankrekening van [E] BV;
- dat in 2011 per saldo een bedrag van € 24.749,69 door [B] B.V. is overgeboekt naar of vergoed aan, dan wel namens [verdachte] voldaan. Van dit bedrag heeft verdachte per saldo € 21.020,-- contant opgenomen;
- dat in 2012 per saldo een bedrag van € 1.550,- is overgeboekt van de bankrekening van [B] BV naar de bankrekening van [E] BV;
- dat in 2012 per saldo een bedrag van € 7.492,37 door [B] BV is overgeboekt naar of vergoed aan, dan wel namens [verdachte] voldaan. Van dit bedrag is € 4.105,04 contant opgenomen door [verdachte] .
Door vanaf het moment dat door [B] niet meer aan [betrokkene 5] factureerde maar de crediteuren wel op [B] bleven drukken bovenvermelde bedragen ten laste van [B] onverschuldigd over te boeken, heeft verdachte – als feitelijk leidinggever – in het vooruitzicht van een faillissement ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers goederen aan de boedel onttrokken.
Niet voldoen aan de administratieve verplichtingen
Ook hier geldt hetgeen het hof eerder ten aanzien van feit 1 heeft opgemerkt over artikel 3:15i BW.
Uit het dossier blijkt dat de belastingdienst heeft geconcludeerd dat de administratie voor een onderneming die zich toelegde op bouw voor derden niet voldeed. Voor de aard, de omvang en complexiteit van de bedrijfsvoering – met name in verband met het project [naam] — bestempelt de Belastingdienst de administratie, zowel voor, wat betreft de inrichting, opzet en inhoud volstrekt onvoldoende. De belastingdienst rapporteert het volgende (zie: DOC- 0036):
“De dan ons verstrekte primaire vastleggingen waren niet volledig. Niet of nagenoeg niet door ons aangetroffen in de primaire vastleggingen van [B] B.V.:
- Extern berichtenverkeer met leveranciers;
- Extern berichtenverkeer met afnemers;
- Contracten en (bouw- en aanneem)overeenkomsten;
- Een (klad)kasboek.
Met betrekking tot de subsidiaire vastleggingen is door ons het volgende vastgesteld. Wij hebben in de administratie van [B] B. V. niet of nagenoeg niet aangetroffen:
- Separate inkoop- en/of verkoopadministratie;
- Projectadministraties;
De aan ons ter beschikking gestelde (delen van de) administratie waren niet goed toegankelijk en niet goed controleerbaar. Niet alle gegevens die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn, bleken steeds duidelijk uit de administratie.
De aard en de hoeveelheid informatie die minimaal nodig is om de bedrijfsprocessen in deze onderneming te kunnen beheersen zijn vele malen groter dan de doos ons in de ter beschikking gestelde administratie is aangetroffen. Wij komen verder tot de conclusie dat de administratie niet betrouwbaar is. Onze conclusie is dat niet alle gegevens die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn steeds duidelijk uit de administratie blijken."
Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne.
[curator 2] heeft in de aangifte aangegeven dat het van belang is dat de administratie zodanig wordt gevoerd dat te allen tijde de eigen rechten en plichten van de onderneming helder zijn. In het faillissement van [B] ontbrak het de curator aan een helder overzicht.
Verder blijkt uit de administratie van [B] dat in het memoriaal op 29 juni 2011 diverse boekingen staan onder vermelding van "overn. install. [plaats] ". Eén van die memoriaalboekingen betreft -€ 38:909,34 "BTW af te dragen hoog".
Op 28 september 2011 staan eveneens diverse memoriaalboekingen, nu met omschrijving "overname install., slottermij". Eén van die memoriaalboekingen betreft -€ 60.800,00 "BTW af te d".
Ook zijn op beide data memoriaalboekingen in de rekening-courant van [A] opgenomen, waaruit volgens [betrokkene 6] (verklaring d.d. 21 maart 2016, document G-011-01) blijkt dat de aan de boekingen ten grondslag, liggende facturen aan [A] gericht moeten zijn. Evenwel zijn er geen facturen aangetroffen in de administraties van [A] of [B] . Er werden dus boekingen in de administratie gedaan zonder dat daaraan facturen ten grondslag lagen. De administratief medewerkster van verdachte heeft verklaard dat verdachte in privé wel eens crediteuren betaalde en dat zij die facturen in [B] geboekt heeft: “Het gebeurde ook wel dat [verdachte] zei dat hij een factuur had betaald en dan zocht ik die onderaannemer er bij en zocht die factuur op. Een betaalbewijs zat er niet bij. Als er geen factuur was, dan werd die nog opgevraagd. Ook gebeurde het wel eens dat [verdachte] zei dat hij, zeg maar, € 10.000 aan een crediteur had betaald en dan zocht ik die crediteur op en zocht ik de oudste facturen op en boekte € 10.000 af op deze facturen van die crediteur. De betaling van deze crediteur boekte ik dan ook in rekening-courant van [verdachte] als zijnde betaald door [verdachte] in privé.”
Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat verdachte heeft verzuimd een deugdelijke administratie te voeren en daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat rechten van schuldeisers van [B] werden verkort (…)”
Een nadere omschrijving van het eerste middel en het tweede middel
7. Aan de middelen is – blijkens de inleidende passages uit de toelichting daarop – ten grondslag gelegd dat de verdachte van meet af aan heeft betwist dat hij zich bewust is geweest van een naderend faillissement van [A] B.V. (feit 1) en van [B] B.V. (feit 5) en eveneens heeft betwist dat hij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de benadeling van de betreffende schuldeisers. Het cassatieberoep keert zich dan ook tegen de bewezenverklaring van deze feiten.
8. De middelen vallen in verschillende deelklachten uiteen.4.In het bijzonder wordt geklaagd over de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’.5.
Het juridisch kader
9. De verdachte is door het hof veroordeeld voor (onder meer) “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van bedrieglijke bankbreuk” in de zin van artikel 341, aanhef en onder a, (oud) Sr. In 2016 zijn de strafbepalingen ten aanzien van faillissementsfraude – waaronder ook artikel 341 (oud) Sr – gewijzigd bij de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude (Stb. 2016/154).6.Gedragingen van vóór de inwerkingtreding ervan op 1 juli 2016 vallen nog onder de oude wetgeving. Nu de thans voorliggende feiten zich volgens de tenlastelegging hebben afgespeeld in de periode van 11 september 2009 tot 6 april 2010 (feit 1) en van 7 april 2010 tot en met 27 augustus 2013 (feit 5), is in deze zaak de oude wetgeving van toepassing.
10. Artikel 341, aanhef en onder a, Sr luidde ten tijde van het bewezen verklaarde als volgt:
“Als schuldig aan bedrieglijke bankbreuk wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren en geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen, hij:
a. die in staat van faillissement is verklaard, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers:
1° hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt;
2° enig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;
3° ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van zijn schuldeisers op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;
4° niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld.”
11. De in artikel 341, aanhef en onder a, (oud) Sr strafbaar gestelde gedragingen worden beheerst door het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’7.dat volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad betekent: ‘handelen met het opzet om de rechten van schuldeisers te verkorten’.8.Voorwaardelijk opzet is in dat verband voldoende.9.Het gaat dus om het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op de rechtenverkorting.10.
12. Voor een bewezenverklaring van dit voorwaardelijk opzet volstaat – naar het oordeel van de Hoge Raad – niet de vaststelling dat er door de verdachte niet of onvoldoende administratie is gevoerd. Dit doet namelijk niet zonder meer de aanmerkelijke kans op ‘verkorting van de rechten van schuldeisers’ ontstaan en laat bovendien de mogelijkheid open dat de verdachte – indien een dergelijke aanmerkelijke kans zich toch zou hebben voorgedaan – zich van die aanmerkelijke kans niet bewust is geweest.11.
De bespreking van het eerste middel
13. Het hof heeft – ten aanzien van feit 1 – bewezen verklaard dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan rechtspersoon [A] , welke rechtspersoon ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ niet heeft voldaan aan (kort gezegd) de op haar rustende administratieplicht.12.De op dit punt dragende overwegingen van het hof laten zich als volgt samenvatten:
i. Begin 2008 is bouwbedrijf [A] (dat is opgericht, en wordt vertegenwoordigd door de verdachte) begonnen met de bouw van appartementen, in het kader van woningbouwproject [naam] in [plaats] .
ii. Vanaf 3 september 2009 dreigde een faillissement voor [A] . Dit faillissement was voor de verdachte voorzienbaar.13.
iii. Om het woningbouwproject [naam] af te kunnen maken, is de overeenkomst door [B] overgenomen, terwijl de kosten in [A] werden geboekt.
iv. De verdachte heeft verzuimd een deugdelijke (schriftelijke) administratie te voeren. Dit terwijl het gelet op de reden van de overname van de overeenkomst door [B] voor alle betrokken partijen essentieel was om de rechten en plichten te kennen.
v. Doordat de verdachte heeft verzuimd een deugdelijke administratie te voeren, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat rechten van schuldeisers van [A] werden verkort.14.
14. Ik acht ’s hofs oordeel – dat erop neerkomt dat de verdachte opzettelijk rechten van de schuldeisers van [A] heeft verkort doordat hij heeft nagelaten een deugdelijke administratie te voeren – niet (zonder meer) begrijpelijk. Daarbij heb ik in aanmerking genomen het hiervoor door mij geschetste juridische kader (in het bijzonder onder randnummer 12), waaruit blijkt dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ (in de zin van artikel 341, onder a, (oud) Sr), niet volstaat de vaststelling dat er door de verdachte niet of onvoldoende administratie is gevoerd. De bewezenverklaring van feit 1 is dan ook niet voldoende met redenen omkleed. Nu het middel in zoverre terecht is voorgesteld, behoeft het voor het overige geen bespreking.
15. Het eerste middel slaagt.
De bespreking van het tweede middel
16. Het hof heeft – net als bij feit 1 – ook ten aanzien van feit 5 het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ bewezen verklaard. Het heeft daartoe overwogen dat de verdachte heeft verzuimd een deugdelijke administratie te voeren en daarmee “bewust de aanmerkelijke kans (heeft) aanvaard dat rechten van schuldeisers van [B] werden verkort”. Ook dat oordeel acht ik echter niet (zonder meer) begrijpelijk. Ik wijs nogmaals op het door mij geschetste juridische kader, onder randnummers 9-12, het laatste randnummer in het bijzonder.
17. De bewezenverklaring van feit 5 is derhalve onvoldoende met redenen omkleed. Het middel klaagt daarover terecht. De overige klachten van het middel behoeven daarom geen bespreking.
Het derde middel
18. Het derde middel richt zich tegen de strafoplegging met de klacht dat het hof heeft verzuimd de redenen te vermelden die hebben geleid tot de keuze voor een gevangenisstraf.
19. Omdat het eerste middel en het tweede middel slagen, behoeft het derde middel m.i. geen bespreking. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, ben ik uiteraard bereid zo nodig aanvullend te concluderen.
Slotsom
20. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
21. Deze conclusie strekt:
- tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 en 5 ten laste gelegde en de strafoplegging,
- tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en
- tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑09‑2025
In cassatie blijven buiten beschouwing de bewezen verklaarde feiten onder 2 en 6 (“als bestuurder van een rechtspersoon, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, weigeren de vereiste inlichtingen te geven”), onder 7 (“feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd”), onder 8 (“bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd”) en onder 9 (“in staat van faillissement verklaard, wettelijke opgeroepen tot het geven van inlichtingen, opzettelijk verkeerde inlichtingen geven”). Bovendien merk ik op dat ik géén aanleiding zie voor een ambtshalve opmerking over de eventuele verjaring van feit 2 ná de indiening van de cassatieschriftuur, zulks op de grond dat feit 2 naar mijn inzicht een voortdurend delict betreft waarvan de absolute verjaringstermijn (van tweemaal zes jaren) aanvangt de dag ná de voltooiing van het delict op 12 februari 2016).
Voetnoot D.A.: Verschrijvingen in citaten verbeter ik slechts wanneer ik zeker ben over wat het hof beoogde te schrijven. De evident onjuiste vermelding van het bedrag “€ 3.3563.781,39” heb ik hier – om die reden – onverbeterd laten staan.
Zie de cassatieschriftuur onder randnummer 2.1 (middel 1), en onder randnummer 3.1 (middel 2).
Zie de cassatieschriftuur onder randnummer 2.1 (ii), en onder randnummer 3.1 (ii).
Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude, i.w.tr. op 1 juli 2016.
Het gaat hierbij om 'de wil om de rechten der schuldeischers te verkorten, welke wil mede aanwezig is, indien de verdachte weet of begrijpt dat door zijn handelingen die rechten worden verkort”. Vgl. HR 27 mei 1929, ECLI:NL:HR:1929:190, NJ 1929, p. 1269.
J.P. Cnossen in Tekst & Commentaar Strafrecht, artikel 341 (oud) Sr, aant. 8b, Deventer: Wolters Kluwer, online bijgewerkt t/m 15 april 2025. Vgl. HR 9 februari 2010, NJ 2010/104 (r.o. 4.3.2) en in gelijke zin onder meer: HR 16 februari 2010, NJ 2010/119; HR 11 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7662; HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4391; HR 9 april 2013, NJ 2013/228; HR 14 januari 2014, NJ 2014/80; HR 7 februari 2017, NJ 2017/376 m.nt. Keulen, en HR 14 maart 2017, NJ 2017/150; HR 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:339.
Idem. Zie daarnaast de conclusie van voormalig a-g Hofstee van 18 april 2023, ECLI:NL:PHR:2023:416, onder randnummer 10 (met weglating van voetnoten). “Opzet kan worden aangenomen wanneer het niet anders kan dan dat de verdachte iets ‘moet hebben geweten’, waarbij algemene ervaringsregels, de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van betekenis zijn. Voorwaardelijk opzet is in dat verband voldoende; voor het bewijs van opzet is tenminste vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan. Niet hoeft komen vast te staan dat de rechten van de schuldeisers ten gevolge van het handelen van de verdachte daadwerkelijk zijn verkort.”
J.P. Cnossen in Tekst & Commentaar Strafrecht, artikel 341 (oud) Sr, aant. 8b, Deventer: Wolters Kluwer, online bijgewerkt t/m 15 april 2025.
J.P. Cnossen in Tekst & Commentaar Strafrecht, artikel 341 (oud) Sr, aant. 8b, Deventer: Wolters Kluwer, online bijgewerkt t/m 15 april 2025. Vgl. ook HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:54, NJ 2014/80; HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:166, NJ 2017/376 m.nt. Keulen; HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1261; HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:906. In deze arresten ging het om artikel 341 (oud) Sr of artikel 343 (oud) Sr, maar gelet op de vrijwel gelijke formulering van het bestanddeel past de uitleg van de Hoge Raad bij beide artikelen.Zie daarnaast HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:853, en (wederom) de daaraan voorafgaande conclusie van voormalig a-g Hofstee, ditmaal onder randnummer 11 (met weglating van de voetnoot). “Uit de rechtspraak volgt tevens dat het enkele niet of onvoldoende voeren, bewaren en/of tevoorschijn brengen van een administratie – dus het aldus nalaten – niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers doet ontstaan. En al zou wel op basis van de bewijsvoering kunnen worden vastgesteld dat van een dergelijke aanmerkelijke kans sprake zou zijn geweest, dan volgt daaruit nog niet dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.”
Ook wel de “op haar, [A] B.V., rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld”.
Zie het arrest, p. 12. “Dat is het moment waarop de aanneemsom bijna volledig is betaald, de bouw nog niet klaar is en geen van de appartementen was (anders dan betoogd) verkocht. Uit het dossier blijkt bovendien niet dat zich op dat moment omstandigheden voordeden waaruit het vertrouwen ontleend kon worden dat binnen afzienbare termijn een en ander ter goede zou keren.”
Zie arrest, p. 12-13. “Het hof wil wel aannemen dat verdachte niet aan het project is begonnen om zichzelf ten koste van een ander te verrijken of schuldeisers te benadelen. Maar ook vanaf het moment dat een faillissement dreigde en voor verdachte voorzienbaar was, heeft verdachte nagelaten ervoor te zorgen dat de administratie op orde kwam en bleef.”
Beroepschrift 22‑03‑2024
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienummer: 23/01388
SCHRIFTUUR HOUDENDE
MIDDELEN VAN CASSATIE
Van: mr. S.W.M. Stevens
Dossiernummer: 2621425
Inzake:
[verdachte],
verzoeker tot cassatie van een door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, op 31 maart 2023 onder parketnummer 21-003142-19 gewezen arrest.
I. Omvang van het cassatieberoep
Het aanvankelijk onbeperkt ingestelde cassatieberoep is op 21 maart 2024 partieel ingetrokken en wel voor zover het betreft de beslissingen van de het tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in het hoger beroep ter zake van het onder 3 en 4 tenlastegelegde. De hiervan opgemaakte akte partiële intrekking cassatie alsmede een schriftelijke volmachtverlening daartoe aan een griffiemedewerker van het hof zijn als bijlage aan deze schriftuur gehecht.
II. Inhoud van het cassatieberoep
1.1.
Verzoeker is in eerste aanleg vrijgesproken ter zake van — kort gezegd — faillissementsfraude met betrekking tot een gefailleerde aan verzoeker verbonden rechtspersoon (feiten 3 en 4). Ter zake van het overig tenlastegelegde, betrekking hebbend op het faillissement van twee andere door verzoeker (feitelijk) bestuurde rechtspersonen, volgde bewezenverklaring en oplegging aan verzoeker — als feitelijke leidinggever aan verboden gedragingen van rechtspersonen — van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden. Voorts heeft de rechtbank aan verzoeker een bijkomende straf opgelegd inhoudende — kort gezegd — een ontzetting van het recht tot het beroepsmatig optreden als bestuurder voor de duur van drie jaren.
1.2.
In hoger beroep werd verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, en werd aan hem dezelfde bijkomende straf als in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bijlage bij het arrest, die op 14 november 2023 door de voorzitter is ondertekend.
1.3.
Het onder 1 en 5 bewezenverklaarde is gestoeld op art. 341 (oud) Sr. Dat artikel luidde in de tenlastegelegde periode, voor zover hier van belang, als volgt:
‘Als schuldig aan bedrieglijke bankbreuk wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren en geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen, hij:
- a.
die in staat van faillissement is verklaard, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers:
- 1o.
hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt;
- 2o.
enig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;
- 3o.
ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van zijn schuldeisers op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;
- 4o.
niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld;’
1.4.
Opgenomen in de oude wettekst luidde het in dit cassatiemiddel aan de orde zijnde delictsbestanddeel dus ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn/der schuldeisers’. Het gaat hierbij om ‘de wil om de rechten der schuldeischers te verkorten, welke wil mede aanwezig is, indien de verdachte weet of begrijpt dat door zijn handelingen die rechten worden verkort’.1.
1.5.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de in art. 341 (oud) Sr gebezigde bewoordingen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ tot uitdrukking brengen dat de verdachte opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers, dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is en dat derhalve voor het bewijs van het opzet ten minste is vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan.2.
1.6.
Uit de wordingsgeschiedenis van de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude3. blijkt dat de wetgever van een ruim opzetbegrip uitgaat. In de term ‘ter bedrieglijke verkorting’ ligt volgens de wetgever besloten dat het opzet van de verdachte gericht moet zijn op (het intreden van) het faillissement en de daaruit voortvloeiende benadeling van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. Verwezen zij naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (accentuering raadsvrouw):4.
‘De artikelen 340 tot en met 344b Sr zien alle tevens op gedragingen die worden verricht vóór intreding van het faillissement (…). In dat geval is het uitspreken van het faillissement (…) een bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid, zonder welke geen voltooid delict of strafbare poging mogelijk is. Dat de strafbepalingen grotendeels zien op gedragingen vóór het faillissement dient helder in de delictsomschrijvingen tot uitdrukking te komen: dit geschiedt door dit expliciet aan te geven en daarnaast door gebruik van de tegenwoordige en voltooid tegenwoordige tijd bij het omschrijving van strafbaar gestelde gedragingen.
Voorts is het opzetverband in de bepalingen tegen het licht gehouden. Alle in het kader van faillissementsfraude strafbaar gestelde gedragingen dienen opzettelijk te worden begaan. Echter is in een aantal gevallen aanvullend opzet van de dader vereist, gericht op (het intreden van) het faillissement en de daaruit voortvloeiende benadeling van schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. In plaats van de term ‘ter bedrieglijke verkorting’, waarmee dit opzet tot dusver tot uitdrukking wordt gebracht, kiest het voorstel voor een term — ‘wetende dat een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld’ — die nauwer aansluit bij de standaardwijzen die in het wetboek worden gebruikt om het opzetverband aan te duiden. Tevens kan hiermee de inhoudelijke wijziging worden gemarkeerd die in de rechtspraak door de jaren heen heeft plaatsgevonden in de uitleg van het opzetverband. Anders dan in de huidige strafbepalingen wordt door de nieuwe formulering wel vereist dat een of meer schuldeisers in het faillissement daadwerkelijk zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Deze benadeling moet op enig moment hebben bestaan, doch behoeft niet onherstelbaar te zijn.’
1.7.
Hiermee werd bevestigd hetgeen Hilverda in een in 2012 verschenen publicatie schreef (accentuering raadsvrouw, met weglating van voetnoot):5.
‘Een faillissement is immers niets anders dan een gemeenschappelijke verhaal op het gehele vermogen van de schuldenaar ten behoeve van zijn gezamenlijke schuldeisers. De benadeling van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden waarop het uit ‘ter…’ voortvloeiende opzet ziet, zal zich dus enkel voordoen in faillissementssituaties met een tekort daarin. Anders gezegd, gaat het vereiste dat de gedraging moet zijn verricht met het opzet op de benadeling van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden uit (voor zover het gaat om gedragingen vóór faillissement) van het opzet dat een faillietverklaring met een tekort daarin zal volgen of (voor zover het gaat om gedragingen tijdens faillissement) van het opzet (oftewel de wetenschap in de zin van opzet) dat van een dergelijk faillissement reeds sprake is.’
En:
‘In paragraaf 3 is uiteengezet dat benadeling van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zich enkel zal voordoen in faillissementssituaties met een tekort daarin. Daarmee houdt de objectieve ondergrens van de woorden ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ het volgende in (waarbij het cursieve deel in gedachten kan worden ingelezen):
- a.
voor zover het gaat om gedragingen vóór faillissement: dat ten tijde van de gedraging ten minste een aanmerkelijke kans moet hebben bestaan dat (al dan niet door de betreffende gedraging) een faillietverklaring met een tekort daarin zou volgen en dat de schuldeisers in het latere faillissement door de gedraging zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden;(…)’
1.8.
Ten tijde van de tenlastegelegde handeling moet aldus een aanmerkelijke kans hebben bestaan dat deze handeling zou leiden tot verkorting van de rechten van schuldeisers. De verdachte moet zich bewust zijn geweest van deze aanmerkelijke kans en dient deze kans te hebben aanvaard. Gezien het feit dat het hier gaat om opzet gericht op de benadeling van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden, zal dit opzet echter automatisch impliceren dat ook opzet bestaat op het (latere) faillissement met een (boedel)tekort daarin.6.
1.9.
Dit wordt bevestigd door het arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van 22 december 2009 met betrekking tot artikel 42 Fw (in welk artikel wordt gesproken van weten (opzet) of behoren te weten (culpa) dat van de rechtshandeling benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn). De Hoge Raad overwoog dat van wetenschap van benadeling in de zin van art. 42 Fw sprake is indien ten tijde van de betreffende handeling het faillissement van de schuldenaar en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien voor zowel de schuldenaar als de degenen met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte.7.
1.10.
Verzoeker heeft van meet af aan betwist dat hij zich bewust is geweest van een naderend faillissement en dat dat hij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de benadeling van schuldeisers, en keert zich derhalve in cassatie tegen de bewezenverklaring ter zake van feit 1 (faillissement [A] B.V., hierna: [A]) en 5 (faillissement [B] B.V., hierna: [B]). Hierna zal worden toegelicht waarom 's hofs beslissingen tot bewezenverklaring van de betreffende feiten niet in stand kunnen blijven (middelen I en II). Het derde middel heeft betrekking op de strafoplegging.
Middel I
2.1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat:
- (i.)
's hofs kennelijke oordeel dat verzoeker ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde een aanmerkelijke kans op de verkorting van de rechten van schuldeisers bestond en verzoeker deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, en/of;
- (ii.)
de bewezenverklaring van feit 1, voor zover inhoudende ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’, mede gelet op het pleidooi van de verdediging, ontoereikend gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is, en/of;
- (iii.)
het hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake het onder (i.) genoemde delictsbestanddeel.
Toelichting
2.2.
De verdediging heeft blijkens de ter terechtzitting van 17 maart 2023 aan het hof overgelegde pleitaantekeningen gemotiveerd betwist dat sprake is van de in art. 341 (oud) Sr bedoelde benadeling van schuldeisers. Daartoe werd het volgende aangevoerd, voor zover in het kader van dit middel relevant:
‘feiten 1 en 5: bedrieglijke bankbreuk [a] en [b].
De rechtbank heeft bij beide feiten kort samengevat bewezen verklaard dat de beide vennootschappen bedrieglijke bankbreuk hebben gepleegd en dat [verdachte] daaraan leiding heeft gegeven. Dat het om handelingen gaat die op zich aan de vennootschappen kunnen worden toegeschreven en dat [verdachte] als leidinggever kan worden gezien (zoals hij zelf ook altijd heeft bevestigd) wordt niet bestreden. Wél dat er sprake is geweest van opzet op het verkorten van de rechten van schuldeisers zoals 341 Sr OUD vereist.
Om tot bewezenverklaring te kunnen komen is minst genomen nodig dat bewezen wordt dat [verdachte] met zijn handelen de kans op benadeling heeft doen ontstaan, dat die kans aanmerkelijk was, dat hij zich daarvan bewust was en dat ook heeft aanvaard. Dat brengt met zich mee dat er ten tijde van het handelen een aanmerkelijke kans op een faillissement moet zijn geweest.
Ik meen dat daar om uiteenlopende redenen niet aan toe gekomen kan worden, en dat het vonnis van de rechtbank om die reden niet in stand kan blijven.
De rechtbank heeft bij beide feiten kort samengevat bewezen verklaard dat de beide vennootschappen bedrieglijke bankbreuk hebben gepleegd en dat [verdachte] daaraan leiding heeft gegeven. Dat het om handelingen gaat die op zich aan de vennootschappen kunnen worden toegeschreven en dat [verdachte] als leidinggever kan worden gezien (zoals hij zelf ook altijd heeft bevestigd) wordt niet bestreden. Wél dat er sprake is geweest van opzet op het verkorten van de rechten van schuldeisers zoals 341 Sr OUD vereist.
Om tot bewezenverklaring te kunnen komen is minst genomen nodig dat bewezen wordt dat [verdachte] met zijn handelen de kans op benadeling heeft doen ontstaan, dat die kans aanmerkelijk was, dat hij zich daarvan bewust was en dat ook heeft aanvaard. Dat brengt met zich mee dat er ten tijde van het handelen een aanmerkelijke kans op een faillissement moet zijn geweest.
Ik meen dat daar om uiteenlopende redenen niet aan toe gekomen kan worden, en dat het vonnis van de rechtbank om die reden niet in stand kan blijven.
Feit 1: [a]
[A] B.V. is op 6 april 2010 gefailleerd. De rechtbank overweegt dat er over 2009 en 2010 ruim 1.2 miljoen aan facturen is binnen gekomen en dat daarvan ongeveer 8 ton is betaald en ruim 4 ton dus niet. Dat, gecombineerd met de verklaring van [verdachte] dat hij sommige crediteuren onbetaald liet, en dat o.a. [C] B.V. slechts beperkt geld verstrekte en het eigen vermogen negatief was, brengt de rechtbank tot het oordeel dat er sinds 1 januari 2010 een aanmerkelijke kans op een faillissement was.
Waar 1 januari 2010 vandaan komt is niet duidelijk en de rechtbank legt dat ook niet uit, waarmee het arbitrair is. Wat bovendien opvalt is dat de rechtbank vervolgens wél vaststelt dat er in 2009 ongeveer 4,5 ton minder zou zijn betaald dan er facturen waren, maar dat er in 2010 juist ongeveer € 50.000,-- méér aan facturen is betaald dan er was ontvangen. Dat duidt niet op een aanstaand faillissement. Juist niet wat mij betreft.
Onder die omstandigheden kan nmm niet worden aangenomen dat de kans op een faillissement op 1 januari 2020 aanmerkelijk was of, zoals de rechtbank het heeft geformuleerd, dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid was dat een faillissement zou volgen.
Reeds op grond daarvan kan mijns inziens bij feit 1 ([A]) niet vast worden gesteld dat er is gehandeld ter verkorting van schuldeisers.
Maar ook overigens ben ik van mening dat niet bewezen kan worden dat er is gehandeld ter verkorting van de aanspraken van schuldeisers. Want zelfs als de kans op een faillissement op 1 januari 2010 op zich aanmerkelijk geweest zou zijn, duidt het handelen nadien (meer geld ter beschikking stellen dan er crediteuren waren) juist niét op bewustheid cq het aanvaarden van de aanmerkelijke kans. Want het is wat mij betreft niet goed denkbaar dat iemand die weet dat een faillissement in de lucht hangt en dat ook aanvaardt, er vervolgens tóch voor zorgt dat er aanzienlijk méér aan crediteuren wordt betaald dan er dat jaar aan facturen is binnen gekomen. Want dat is wat er is gebeurd, zoals [verdachte] in zijn grieven ook heeft toegelicht.
Met name in maart 2010 en zelfs nog in april 2010 zijn er aanzienlijke bedragen vanuit [C] naar [A] overgeboekt, juist om crediteuren te betalen. Dat handelen is juist een contra-indicatie voor de bewustheid en aanvaarding. Want wie zou in de wetenschap van een behoorlijke en aanvaarde kans op een aanstaand faillissement desalniettemin via [C] nog geld in [A] pompen?
Samengevat: geen aanmerkelijke kans op een faillissement, laat staan per 1 januari 2010 en mede daarom geen aanmerkelijke kans op verkorting.
Dus vraag ik u [verdachte] van feit 1 vrij te spreken. (…)’
2.3.
Het hof volgde verzoeker niet in zijn verweer en achtte wettig en overtuigend bewezen dat:
‘[A] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis (van de rechtbank Leeuwarden van 6 april 2010) in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 11 september 2009 tot en met 6 april 2010, in Twijzel(gemeente-Achtkarspelen) en/of in Burgum (gemeente Tietjerksteradeel) en/of Grou (gemeente Leeuwarden) en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, enig goed aan de boedel-onttrokken heeft of onttrekt, hierin bestaande, dat hij en of zijn mededader(s),
- —
het onderhanden werk van de failliet, [A] B.V., bestaande in de werkzaamheden die zijn verricht voor het project ‘[naam 1]’ en waarvan de failliet de kosten heeft gedragen, onverschuldigd heeft/hebben overgedragen aan [B] B.V. en die in staat heeft/hebben gesteld (een gedeelte van) de aanneemsom te factureren en te incasseren, zonder dat voor het aldus overgedragen onderhanden werk door de failliet enige vergoeding is ontvangen; en/of
- —
(onverschuldigd) een of meer geldbedrag(en) van een of meer bankrekening(en) die te naam was/waren gesteld van [A] B.V. heeft/hebben overgeboekt en/of laten overboeken naar een of meer bankrekening(en) die te naam was/waren gesteld van [C] B.V. en/of een of meer ander(e) aan hem, verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(en) en/of aan hem, verdachte, privé; en/of
- —
(onverschuldigd) een of meer betaling(en) heeft/hebben verricht ten behoeve van een of meer aan hem, verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(en) en/of hem, verdachte; en/of een of meer geldbedrag(en) contant heeft/hebben opgenomen; en/of
- —
ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij, [A] B.V., wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een of meer schuldeiser(s) op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt; en/of
- —
niet voldaan heeft aan de op haar, [A] B.V., rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld, tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;’
2.4.
De bewijsoverwegingen van het hof houden het navolgende in (arrest, pag. 10 t/m 13):
‘Beoordelingskader
Het hof stelt voorop dat de in artikel 341 Wetboek van Strafrecht (oud) gebezigde bewoordingen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ tot uitdrukking brengt dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op benadeling van de schuldeisers en dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is. Voor het bewijs van het opzet is derhalve ten minste vereist dat de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers heeft doen ontstaan en dat de verdachte door die gedraging die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Dit betekent dat er ten tijde van de ten laste gelegde handelingen reeds een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond of dat als gevolg van die handelingen een aanmerkelijke kans op een faillissement is ontstaan. Een aanmerkelijke kans is in dit verband een redelijke mate van waarschijnlijkheid. Voor het bewijs van opzet zijn de aard van de gedraging, de omstandigheden van het geval, de bijzondere positie van de verdachte, algemene ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid van belang. Deze aspecten kunnen tot de conclusie leiden dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op een faillissement en daarmee op benadeling van de schuldeisers en die kans ook heeft aanvaard.(…)
Niet voldoen aan de administratieve verplichting
In de tenlastelegging wordt in dit verband verwezen naar artikel artikel 3:15i BW. In dat artikel is de eis opgenomen dat een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, verplicht is óm van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. Deze eis moet op grond van de jurisprudentie aldus worden begrepen dat daaraan is voldaan indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie.
Naast de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten kunnen echter ook andere elementen van belang zijn voor het antwoord op de vraag of de boekhouding aan de daaraan te stellen eisen voldoet.
Uit het voorgaande is gebleken dat de aanneemsom voor het project [naam 1] in totaal € 4.500.000,-- inclusief omzetbelasting bedroeg. De totale aanneemsom was in september 2009 bijna volledige betaald. Het appartementencomplex was op dat moment nog niet gereed. Verdachte heeft verklaard dat op dat moment ook nog geen inkomsten uit de verkoop van de appartementen zijn verworven, zoals dat oorspronkelijk wel was bedacht. Naar het oordeel van het hof ontstond op dat moment een financieringsprobleem voor het project. De kosten voor de bouw gingen door terwijl er geen inkomstenbron was. Verdachte is toen met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] mondeling overeengekomen dat het bouwkundig deel van het project [naam 1] door [B] zou worden afgemaakt.
Van de overdracht van [A] naar [B] heeft geen schriftelijke vastlegging plaatsgevonden. Er is niet vastgelegd wat de afspraken tussen de drie partijen ([A], [B] en [betrokkene 5]) waren. De rechten en plichten onderling zijn niet vastgelegd in de administratie. Dat blijkt onder meer uit de facturen DOC-117 en DOC-140 die achteraf zijn opgemaakt om de administratie van [B] sluitend te maken en uit de onduidelijkheid die bestaat over de winstdeling. Verdachte zegt dat dit pas in 2014 anders is geworden en dat de rechten van [A] en [B] toen pas zijn vervallen. Terwijl [betrokkene 2] heeft verklaard dat de winstdelingsafspraken zijn vervallen toen de overeenkomst over is gegaan naar [B].
Voorts blijkt uit de verklaring van de curator ook dat de primaire en subsidiaire vastlegging onvolledig is geweest. Er ontbreken tussentijdse cijfers. Ook de rekening-courantverhouding met onder anderen [C] en [B] BV ontbreken. De curator concludeert dat de winst- en verliesgegevens en de balanstotalen niet af te leiden zijn uit de administratie hetgeen tot bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers leidt.
Gelet op het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat vanaf 3 september 2009 een faillissement voor [A] dreigt en dat het faillissement voor verdachte ook voorzienbaar was. Dat is het moment waarop de aanneemsom bijna volledig is betaald, de bouw nog niet klaar is en geen van de appartementen, anders dan was beoogd, is verkocht. Uit het dossier blijkt niet, en evenmin is door verdachte aangevoerd, dat zich op dat moment omstandigheden voordeden waaruit het vertrouwen ontleend kon worden dat binnen afzienbare termijn een en ander ter goede zou keren. Om het project af te kunnen maken wordt de overeenkomst overgenomen door [B] terwijl de kosten in [A] worden geboekt. Gelet op de reden van overname door [B] is het voor alle betrokken partijen essentieel om de rechten en plichten te kennen. Doordat verdachte heeft verzuimd een deugdelijke administratie te voeren heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat rechten van schuldeisers van [A] worden verkort. Immers zonder een duidelijk overzicht van de rechten en plichten is het voor een curator onmogelijk de schuldenpositie in kaart te brengen en als gevolg daarvan schuldeisers te doen toekomen waar zij al dan niet recht op hebben.
Verdachte heeft verklaard dat het geoorloofd is om mondelinge overeenkomsten aan te gaan en dat hij ook in het verleden mondeling aannemingsovereenkomsten is aangegaan. Hoewel die stelling van verdachte juist is, ontslaat de mogelijkheid om mondeling een overeenkomst aan te gaan hem niet van de verplichting om de rechten en plichten die uit die overeenkomst voortvloeien zodanig vast te leggen dat die te allen tijde duidelijk worden uit de administratie. In de administratie is met betrekking tot het project een kladberekening aangetroffen. Niet wordt duidelijk uit het document of het een kostenraming of de aanneemsom is, met wie is overeengekomen en welke afspraken onder welke voorwaarden over winstdeling zijn gemaakt en aan welke eisen het te bouwen object diende te voldoen.
Het hof wil wel aannemen dat verdachte niet aan het project begonnen is om zichzelf ten koste van een ander te verrijken of schuldeisers te benadelen. Maar ook vanaf het moment dat een faillissement dreigde een voor verdachte voorzienbaar was, heeft verdachte nagelaten ervoor te zorgen dat de administratie op orde kwam en bleef.’
2.5.
Het oordeel van het hof omtrent het opzet van verzoeker getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of de motivering daarvan schiet op verschillende vlakken tekort: ten aanzien van (i) de aanmerkelijke kans op de verkorting van de rechten van schuldeisers en de aanvaarding daarvan, (ii.) de bewezenverklaarde aanvangsdatum 3 september 2009 en (iii.) de administratieplicht.
Ad (i.) Aanmerkelijke kans en aanvaarding
2.6.
Het hof stelde in de bewijsoverweging ter zake van feit 1 vast (arrest, pag. 12) dat het faillissement van [A] vanaf 3 september 2009 dreigde en voor verzoeker voorzienbaar was. Reden daarvoor was, aldus het hof, een financieringsprobleem: terwijl de bouw van de appartementen niet was voltooid, geen van de appartementen was verkocht en [A] kosten bleef maken, was er geen inkomstenbron en viel het niet te verwachten dat binnen afzienbare termijn ‘een en ander ter goede zou keren’.
2.7.
Het hof gaat met deze redenering voorbij aan hetgeen de raadsman van verzoeker in feitelijke aanleg, mr. H.J. Voors, ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de voorzienbaarheid van het faillissement — en aanvaarding van de kans op benadeling van schuldeisers — heeft aangevoerd. Zij heeft immers betoogd dat (i.) [A] in 2010 ongeveer € 50.000 méér aan facturen heeft betaald dan zij dat jaar aan facturen had ontvangen (resulterend in afname van de schuldenlast, zoals verzoeker ter terechtzitting heeft benadrukt, zie hierna) en (ii.) in (elk geval in maart en april) 2010 aanzienlijke bedragen vanuit een andere rechtspersoon naar [A] zijn overgeboekt ter voldoening van vorderingen op [A].
2.8.
Beide vinden plaats nádat volgens het hof sprake was van een ophanden en voorzienbaar faillissement. Het handelen van verzoeker duidt op onbewustheid (onvoorzienbaarheid) van een faillissement c.q. het niet bestaan van de aanmerkelijke kans op een faillissement, en niet op de aanvaarding van die kans; het vormt een juist contra-indicatie daarvoor.
2.9.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verzoeker in dit verband op vragen van het hof geantwoord dat de schuldenlast in 2010 is afgenomen ten opzichte van 2008 (proces-verbaal ter terechtzitting 17 maart 2023, pag. 3). Voorts verklaarde verzoeker dat ‘we dachten: er komt binnenkort weer een betere tijd. Er was geen moment om te zeggen we stoppen met de bouw’ (proces-verbaal ter terechtzitting 17 maart 2023, pag. 4) en ‘De reden van [betrokkene 5] om er geld in te steken en de reden voor mij om door te bouwen was dat we er op rekenden dat de markt weer aantrok.’
2.10.
De verdediging heeft aangegeven dat en welke contra-indicaties bestaan voor het bestaan van bewustheid ten aanzien van een faillissement en en aanvaarding van verzoeker van de aanmerkelijke kans op benadeling van schuldeisers, maar het hof heeft ten onrechte hieraan geen woorden gewijd. Dit klemt temeer nu bewijsmiddel 17 blijk geeft van aanzienlijke betalingen aan crediteuren in de periode nadat volgens het hof het faillissement dreigde.
2.11.
's Hofs oordeel dat ten tijde van het bewezenverklaarde een aanmerkelijke kans bestond op de verkorting van de rechten van schuldeisers en dat deze kans is aanvaard, geeft aldus het voorgaande blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers’. Voorts is de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk. Het hof was in elk geval — ook volgens zijn eigen overwegingen8. — gehouden op dit uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in te gaan, maar heeft dit nagelaten. Het arrest kan derhalve niet in stand blijven.
Ad (ii.) Aanvaarding van aanmerkelijke kans op 3 september 2009
2.12.
In de tweede plaats is ontoereikend gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat het faillissement van [A] vanaf 3 september 2009 voorzienbaar was en (dus) vanaf die datum de bewuste kans op verkorting van de rechten van schuldeisers werd aanvaard.
2.13.
Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [A] BV in de periode tot 3 september 2009 inkomsten ontving van [betrokkene 5] BV. De eerste datum waarop géén inkomsten binnenkwamen, kan bezwaarlijk gelden als dag waarop een faillissement voorzienbaar was. Dit geldt temeer nu, zoals reeds opgemerkt, in bewijsmiddel 17 melding wordt gemaakt van aanzienlijke betalingen aan crediteuren in de daaropvolgende periode. Daarbij opgeteld de door de verdediging naar voren gebrachte contra-indicaties, schiet de motivering van het hof tekort. Dit brengt met zich dat het arrest niet in stand kan blijven.
Ad (iii.) Administratieplicht
2.14.
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde met betrekking tot — kort gezegd — de administratieplicht het volgende betoogd (pleitaantekeningen, pag. 4–5):
‘Niet voldoen aan administratieve verplichtingen.
De rechtbank heeft bewezen verklaard het niet voeren van een administratie in de zin van art 3:15i BW. Cliënt is binnen het zelfde gedachtestreepje vrijgesproken van het niet bewaren en het niet tevoorschijn brengen van de administratie. Mocht uw Hof van oordeel zijn dat deze partiële vrijspraak binnen één en het zelfde gedachte streepje niet is gedekt, dan verwijs ik voor het standpunt van de verdediging wat dat betreft (voeren en te voorschijn brengen) naar hetgeen de rechtbank daarover nmm op juiste gronden in het vonnis heeft overwogen en beslist.
Art 3: 15i BW bepaalt waar een administratie aan moet voldoen. Cliënt bestrijdt dat de administratie, onvoldoende zou zijn geweest en bovendien, dat de zaken die de rechtbank benoemt, relevant waren voor het doel van art 3:15i BW. In eerste aanleg heb ik daar het nodige over gezegd. Ik verwijs daar naar (blz 20 e.v. pleitnota 1e aanleg) en volsta voor nu met enkele opmerkingen.
De rechtbank komt op grond van de verklaringen van mr Spek en de bevindingen van de controlemedewerkers van de belastingdienst Jansma en Ratjes tot het oordeel dat er onvoldoende administratie is gevoerd. De rechtbank noemt daarbij onder meer het ontbreken van calculaties en bestekken.
Eerlijk gezegd zie ik niet in hoe het ontbreken van bestekken en calculaties voor de curator van belang zou kunnen zijn en bovendien, dat dat onder de norm van art 3:15i BW zou vallen. De rechtbank legt dat verder ook niet uit. En dat geldt ook voor de overige door de rechtbank genoemde zaken die zouden hebben ontbroken. Want het gaat steeds om de vraag of uit de administratie zoals die wél is gevoerd, relatief eenvoudig inzicht kan worden verkregen in de debiteuren — en crediteurenposities van de onderneming en deze posities en de stond van de liquiditeiten een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie van de onderneming. Zie ook de overwegingen van de rechtbank (blz 15).
Een redelijk inzicht: niet een perfect inzicht. [verdachte] is van mening dat dat redelijk inzicht weldegelijk verkregen kan worden en dat de zaken die volgens de rechtbank ontbreken voor een redelijk inzicht in de debiteuren — en crediteurenposities en de liquiditeitspositie van de onderneming, niet van belang zijn. Nergens blijkt bovendien ook uit dat de debiteuren — en crediteurenposities daadwerkelijk niet konden worden vastgesteld op grond van de administratie, noch dat de liquiditeitspositie niet helder was.
Wellicht nog belangrijker echter is dat de vraag of de wijze waarop is geadministreerd heeft geleid tot de aanmerkelijk kans dat daardoor schuldeisers benadeeld zouden worden en of [verdachte] als feitelijk leidinggever zich daarvan bewust was én die kans heeft aanvaard?
Ik herhaal: hetgeen volgens de rechtbank zou hebben ontbroken heeft nmm geen invloed op de debiteuren — en crediteurenposities noch op de liquiditeitspositie zodat de kans niet aanmerkelijk is geweest. En bovendien kan niet vastgesteld worden dat [verdachte] zich van die kwade kans bewust was en die heeft aanvaard. Uit de door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen kan dat mijns inziens ook niet worden afgeleid.
In tegendeel: [verdachte] was en is van oordeel dat hij wél goed heeft geadministreerd en weerspreekt dat hij door zijn wijze van werken min of meer op de koop toe heeft genomen dat schuldeisers mogelijk benadeeld zouden worden, maar dat hem dat verder niet kon schelen. En ondanks die bewustheid gewoon op de ingeslagen weg is doorgegaan. Hij is op de ingeslagen weg doorgegaan omdat hij meende het juist wél goed te doen.
Ik vraag u [verdachte] ook van dit onderdeel van feit 1 en daarmee van gehele feit 1 vrij te spreken.’
2.15.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het enkele niet of onvoldoende voeren, bewaren en/of tevoorschijn brengen van een administratie — dus het aldus nalaten — niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers doet ontstaan. En al zou wel op basis van de bewijsvoering kunnen worden vastgesteld dat van een dergelijke aanmerkelijke kans sprake zou zijn geweest, dan volgt daaruit nog niet dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.9.
2.16.
Voor een bewezenverklaring op grond van art. 341, aanhef en onder 4o, (oud) Sr is vereist dat de verdachte door het niet voeren van een administratie de aanmerkelijke kans heeft doen ontstaan dat de rechten van de schuldeisers werden verkort en dat hij die kans bewust heeft aanvaard.10.
2.17.
Het feit dat de verdachte bestuurder was en dus een verantwoordelijkheid droeg voor het voeren van een gedegen administratie, is op zichzelf niet voldoende voor een bewezenverklaring, omdat een dergelijke verantwoordelijkheid nog geen opzet in de hiervoor bedoelde zin meebrengt.
2.18.
Het hof heeft in de bewijsoverweging in het bijzonder acht geslagen op de omstandigheid dat het voor alle betrokken partijen essentieel is om de rechten en plichten te kennen en dat het zonder duidelijk overzicht daarvan voor een curator onmogelijk is om de schuldenpositie in kaart te brengen en als gevolg daarvan schuldeiser te doen toekomen waar zij al dan niet recht hebben.
2.19.
Uit deze overwegingen kan niet zonder meer worden afgeleid dat verzoeker door het niet voeren van een administratie en tevoorschijn brengen van de boeken en/of bescheiden en/of gegevensdragers de aanmerkelijke kans heeft doen ontstaan dat de rechten van de schuldeisers werden verkort en evenmin dat de hij die kans bewust heeft aanvaard.11. De bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde kan derhalve niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken. De uitspraak is in zoverre ontoereikend gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk, waardoor het arrest niet in stand kan blijven.
Middel II
3.1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat:
- (i.)
's hofs kennelijke oordeel dat ten tijde van het onder 5 bewezenverklaarde een aanmerkelijke kans op de verkorting van de rechten van schuldeisers bestond en verzoeker deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, en/of;
- (ii.)
het onder 5 bewezenverklaarde, voor zover inhoudende ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’, niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, en/of;
- (iii.)
het hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake het onder (i.) genoemde delictsbestanddeel.
Toelichting
3.2.
Ter terechtzitting in hoger beroep is uitgebreid verweer gevoerd op het hierboven genoemde delictsbestanddeel. Het betoog komt er in de kern op neer dat verzoeker een faillissement niet heeft voorzien, dat hij zich niet bewust was van de aanmerkelijke kans op de benadeling van schuldeisers noch dat hij deze kans heeft aanvaard. Ter adstructie van dit standpunt wees de raadsman van verzoeker onder meer op het volgende:
- —
het faillissement van [B] volgde pas 3,5 jaar(!) ná 7 april 2010, de datum waarop volgens de rechtbank (en het hof, blijkens de bewezenverklaring) sprake was van aanvaarding van de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeiseres;
- —
In de bewezenverklaarde periode zijn aanzienlijke geldsommen aan [B] ter beschikking gesteld door een andere — door verzoeker bestuurde — rechtspersoon, hetgeen erop wijst dat verzoeker zich niet eens bewust was van het faillissement, laat staan de kans op benadeling van schuldeisers heeft aanvaard.
3.3.
Beide omstandigheden vormen een contra-indicatie voor het aannemen van voorwaardelijk opzet, nu daaruit volgt dat verzoeker zich niet bewust is geweest van enige kans op een ophanden zijnde faillissement, in elk geval niet op 7 april 2010.
3.4.
Het hof kwam evenwel tot de navolgende bewezenverklaring:
‘[B] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis (van de rechtbank Noord Nederland van 27 augustus 2013) in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 7 april 2010 tot en met 27 augustus 2013, in Twijzel (gemeente Achtkarspelen) en/of in (de gemeente) Tietjerksteradeel en/of in Burgum (gemeente Tietjerksteradeel) en/of in Grou (gemeente Leeuwarden) en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt, hierin bestaande, dat zij en/of zijn mededader(s),
- —
het onderhanden werk van de failliet, [B] B.V., bestaande in de werkzaamheden die
zijn verricht voor het project ‘[naam 1]’ en waarvan de failliet de kosten heeft gedragen, onverschuldigd heeft/hebben overgedragen aan [D] B. V. en die in staat heeft/hebben gesteld (een gedeelte van) de aanneemsom te factureren en te incasseren, zonder dat voor het aldus overgedragen onderhanden werk door de failliet enige vergoeding is ontvangen; en/of
- —
(onverschuldigd) een of meer geldbedrag(en) van een of meer bankrekening(en) die te naam
was/waren gesteld van [B] B.V. heeft/hebben overgeboekt en/of laten overboeken naar een of meer bankrekening(en) die te naam was/waren gesteld van [C] B.V. en/of een of meer ander(e) aan hem, verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(en) en/of aan hem, verdachte, privé; en/of
- —
(onverschuldigd) een of meer betaling(en) heeft/hebben verricht ten behoeve van een of meer aan
hem, verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(en) en/of hem, verdachte; en/of — een of meer geldbedrag(en) contant heeft/hebben opgenomen; en/of
- —
ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij, [B] B.V., wist dat
het faillissement niet kon worden voorkomen, een of meer schuldeiser(s) op enige wijze bevoordeeld hoeft of bevoordeelt; en/of
- —
niet voldaan heeft aan de op haar, [B] B.V., rustende verplichtingen ten opzichte van
het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld; tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;’
3.5.
Ten aanzien van het bewijs overwoog het hof, onder verwijzing naar het eerder geciteerde beoordelingskader (arrest, pag. 15):
‘Door vanaf het moment dat door [B] niet meer aan [betrokkene 5] factureerde maar de crediteuren wel op [B] bleven drukken bovenvermelde bedragen ten laste van [B] onverschuldigd over te boeken, heeft verdachte — als feitelijk leidinggever — in het vooruitzicht van een faillissement ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers goederen aan de boedel onttrokken.’
Ad (i.) en (ii.)
3.6.
Het hof is ongemotiveerd aan het standpunt van de verdediging voorbij gegaan en concludeerde dat verzoeker met ingang van 7 april 2010 (zijnde de datum van het faillissement van [A], tevens de datum waarop [B] stopte met factureren aan [betrokkene 5]12.) opzettelijk heeft gehandeld zoals bewezenverklaard. Dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk.
3.7.
In de eerste plaats geldt dat een faillissement van de ene rechtspersoon niet automatisch met zich brengt dat het faillissement van een andere rechtspersoon voorzienbaar is en/of de aanmerkelijke kans op de benadeling van schuldeisers wordt aanvaard. Het doel van de contractsovername was immers dat de ontwikkeling van het appartementencomplex kon worden gecontinueerd door [B] — hetgeen blijkens de inhoud van bewijsmiddel 14 ook is geschied. Bovendien had [A] een belang ad 50% in [B] en zou [B] voor 50% in handen komen van de curator (alsdan) in het faillissement van [A].
3.8.
Het hof heeft redengevend voor het bewijs geacht (bewijsmiddel 17) dat in de periode van 13 april 2010 tot en met het faillissement van [B] op 27 augustus 2013 voor een bedrag van € 2.834.671 aan crediteuren bij [B] is geboekt, waarvan een bedrag van € 1.785.451,91 is betaald. Deze betalingen zijn weliswaar verricht door tussenkomst van [D] en [C], maar blijkens het arrest vervulde [C] ‘onder andere voor [A], [B] en [verdachte] in privé een bankiersfunctie. Een deel van de inkomsten van deze vennootschappen werd telkens overgeboekt naar [C], als gevolg waarvan die vennootschappen vrijwel steeds over een banksaldo van minder dan € 100,-- beschikten. [C] verrichtte op haar beurt weer betalingen voor de genoemde vennootschappen.’ Het feit dat de betaling van crediteuren geschiedde door tussenkomst van [C] in plaats van [B] zegt dus niets over de voorzienbaarheid van een faillissement van [B] of de kans op benadeling van haar schuldeisers en de aanvaarding van die kans. De omstandigheid dat [C] nog betalingen ten gunste van [B] liet komen (in 2013 bijna € 40.000), zodat laatstgenoemde zoveel als mogelijk aan haar verplichtingen kon voldoen, is een contra-indicatie voor de tenlastegelegde bedrieglijke bankbreuk.
3.9.
Gelet op al het voorgaande, mede in ogenschouw genomen hetgeen de verdediging ter terechtzitting heeft aangevoerd, getuigt het oordeel van het hof omtrent het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk.
Ad (iii.)
3.10.
Het hof is in zijn arrest van het niet anders dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt te begrijpen pleidooi afgeweken. Het betreft uitdrukkelijk niet een kwestie van ondergeschikt belang, maar heeft betrekking op het gebrek aan bewustheid van verzoeker ten aanzien van een faillissement en de aanvaarding van een aanmerkelijke kans op de benadeling van schuldeisers, en ziet daarmee op de bewezenverklaring.
3.11.
Het hof heeft in strijd met het bepaalde in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die tot afwijking van het standpunt van verzoeker hebben geleid.13.
3.12.
Het arrest kan niet in stand blijven.
Belang bij cassatie middel I en middel II
2.20.
In het licht van deze bewezenverklaring en de betekenis daarin het onder 1 dan wel 5 bewezenverklaarde en gelet op hetgeen het hof met betrekking tot de opgelegde straf heeft overwogen, wordt, als het onder 1 dan wel 5 bewezenverklaarde feit daarbij niet in aanmerking wordt genomen, de aard en ernst van al hetgeen voor het overige ten laste van de verdachte is bewezenverklaard wezenlijk aangetast. Verzoeker heeft daarom belang bij de vernietiging van de bestreden uitspraak ter zake van deze afzonderlijke feiten en de strafoplegging, en hernieuwde behandeling van de zaak op deze punten.
Middel III
4.1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof heeft verzuimd de redenen te vermelden die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze voor een vrijheidsbenemende straf, zodat 's Hofs strafmotivering niet voldoet aan het bepaalde in art. 359, zesde lid, Sv.
Toelichting
4.2.
Het hof heeft de opgelegde straf die vrijheidsbeneming meebrengt als volgt gemotiveerd (arrest, pag. 25):
‘De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diverse strafbare feiten. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude bij twee B.V.'s en in zijn persoonlijke faillissement. Daarnaast heeft verdachte de afwikkeling van deze faillissementen bemoeilijkt door niet de (volledige) administratie te overleggen aan de curator en/of door niet de juiste inlichtingen te verschaffen. Het hof rekent verdachte aan dat hij niet heeft voldaan aan zijn administratieve verplichtingen waardoor de administratie onvolledig en onjuist was en de geldstromen binnen de verschillende vennootschappen onduidelijk was. Ook dit is de afwikkeling van de faillissementen niet ten goede gekomen. Schuldeisers zijn door het handelen van verdachte benadeeld.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting.
Het hof houdt bij het bepalen van de straf rekening met de omstandigheid dat op grond van het dossier niet is te bewijzen dat verdachte zich door het plegen van deze strafbare feiten heeft verrijkt.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf tevens acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 februari 2023 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder wegens soortgelijke delicten is veroordeeld.
Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die ter terechtzitting van het hof zijn besproken. Er zijn door de verdediging geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die in positieve dan wel negatieve zin van invloed zijn op de op te leggen straf. Ook anderszins zijn die niet gebleken.
Het hof heeft voorts acht geslagen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM en overweegt in dat verband het volgende. Verdachte is op 5 juni 2015 in verzekering gesteld. Het vonnis is gewezen op 27 mei 2019. Op 6 juni 2019 heeft verdachte hoger beroep ingesteld en op 31 maart 2023 wijst het hof arrest. Derhalve is sprake van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. De overschrijding van de redelijk termijn in hoger beroep lag geheel buiten de invloedssfeer van de verdediging.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de rechtbank in eerste aanleg is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, passend is. Het hof zal echter rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn en aan verdachte opleggen — conform de vordering van de advocaat-generaal — een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal op deze straf in minder worden gebracht. Deze gevangenisstraf is passend en noodzakelijk.’
4.3.
Ingevolge art. 359, zesde lid, Sv dient de rechter in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze voor de oplegging een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, hebben geleid. Daarbij moet zoveel mogelijk worden aangegeven op welke omstandigheden is gelet bij de vaststelling van de duur van de vrijheidsbenemende straf. De strekking van deze bepaling is dat de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf door de rechter steeds een punt van aparte en nadere afweging dient te zijn.14.
4.4.
Uit de strafmotivering zal dus expliciet moeten blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zodanige sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.15.
4.5.
Het hof benoemt in zijn strafmaatoverweging (slechts) dát een gevangenisstraf passend en noodzakelijk vindt, maar de overwegingen bevatten — in strijd met het bepaalde in art. 359, zesde lid, Sv — geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt op grond van art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid.16.
4.6.
Het arrest kan niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. S.W.M. Stevens, advocaat te Den Haag, die verklaart dat verzoeker haar daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.
S.W.M. Stevens
Den Haag, 22 maart 2024
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑03‑2024
HR 27 mei 1929, ECLI:NL:HR:1929:190, NJ 1929, p. 1269.
Vgl. HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691, NJ 2010/104; HR 11 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7662 en HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:166, NJ 2017/376 m.nt. Keulen; HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:430, NJ 2017/150 en HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425 m.nt. Keulen.
Stb. 2016, 154.
Kamerstukken II 2013/14, 33 994, nr. 3, pag. 7 (MvT).
C.M. Hilverda, De bestrijding van faillissementsfraude: waar een wil is, … … … (Onderneming en recht nr.73), Deventer: Kluwer 2012, pag. 95.
C.M. Hilverda, ‘Het bedrieglijke van de bankbreuk ontrafeld’, DD 2012/10, afl. 2, onder 3.
HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8493, NJ 2010/273.
Arrest, pag. 11, onder ‘Beoordelingskader’: ‘Deze aspecten kunnen tot de conclusie leiden dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op een faillissement en daarmee op benadeling van de schuldeisers en die kans ook heeft aanvaard.’
Vgl. HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:54, NJ 2014/80; HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:166, NJ 2017/376, m.nt. Keulen; HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1261; HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:906.
CAG Hofstee, ECLI:NL:PHR:2023:416, voor HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2013:853, NJ 2023/213.
Vgl. HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5446; HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:54, NJ 2014/54; HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1261.
Arrest, pag. 8, waar met ‘2020’ het jaar ‘2010’ zal zijn bedoeld.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.
Vgl. Kamerstukken II 1981/82, 15 012, nr. 5, p. 26.
HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437.
HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:167, vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191.