NJB 2025/2821:Bedrieglijke bankbreuk, art. 341 aanhef en onder a, sub 1° en sub 4°, Sr: herhaling en toepassing HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:166 (verdachte moet ten minste voorwaardelijk opzet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers; het niet of onvoldoende voeren van een administratie doet niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers ontstaan) en HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2021 (voormelde bepaling beoogt onder meer alle handelingen te treffen die de in staat van faillissement verklaarde heeft verricht ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, waardoor wat onder het bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten zijn bereik en beheer wordt gehouden). In casu kon het hof oordelen dat de verdachte door geen deugdelijke administratie te voeren, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de rechten van schuldeisers van [A] werden verkort en voorts dat de verdachte als feitelijk leidinggever van [B] in het vooruitzicht van een faillissement ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers goederen aan de boedel heeft onttrokken. CAG: anders.