Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.8.3:4.8.3 Meineed voor het Hof van Justitie en schending van atoomgeheimen
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.8.3
4.8.3 Meineed voor het Hof van Justitie en schending van atoomgeheimen
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Satzger 2012, p. 51-53.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de inleiding is al naar voren gekomen dat de aanwijzingen tot vervolging van meineed voor het Hof van Justitie en van schending van geheimen in verband met het Euratom-verdrag, door sommigen worden gezien als een inbreuk op het opportuniteitsbeginsel. Beide bevoegdheden zijn nooit uitgeoefend, dus de betekenis ervan voor het strafrecht is vooral een theoretische kwestie. Ze bieden in ieder geval een vroeg voorbeeld van de invloed van het recht van de Europese Unie op het strafrecht. Zowel de bepalingen met betrekking tot meineed voor het Hof van Justitie, als met betrekking tot de schending van atoomgeheimen, zijn niet te beschouwen als Europese strafbaarstellingen die rechtstreeks toepasbaar zijn in de rechtsordes van de lidstaten, maar ze betreffen bevoegdheden om lidstaten te verplichten in enkele nauw omschreven concrete gevallen strafrechtelijk op te treden.1 Hoewel ze dus geen zelfstandige bron van strafrechtelijke aansprakelijkheid vormen, zijn deze bepalingen wel van theoretisch belang. Deze aanwijzingsbevoegdheden hebben in de literatuur dan ook veel aandacht gekregen, zeker in verhouding tot hun praktische betekenis. Dit onder andere vanwege hun moeilijke inpasbaarheid in het strafrecht. Een aspect hiervan betreft hun verhouding tot het opportuniteitsbeginsel, waarover tamelijk uiteenlopende opvattingen bestaan en waaraan hieronder aandacht wordt gegeven. Beide bevoegdheden worden hier gezien als vergelijkbaar met de ministeriële aanwijzingsbevoegdheid, en komen daarom op dit moment aan de orde.