Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/3.3.2
3.3.2 Gronden voor afwijzing van het verzoek tot inbezitneming
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS623097:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Harpum, Bridge & Dixon 2012, p. 1151, met verwijzing naar Quennell v Maltby [1979] 1 WLR 318, Albany Home Loans Ltd v Massy [1997] 2 All E.R. 609 – 612, 613, en Palk v Mortgage Services Funding plc [1993] Ch 330.
Clark e.a. 2014, p. 599-600, met verwijzing naar onder meer Quennell v Maltby [1979] 1 WLR 318; Palk v Mortgage Services Funding plc [1993] Ch 330; DownviewNominees Ltd v First City Corp. Ltd [1993] AC 295 at 312, 3 All ER 626 at 635, Zie ook McFarlane, Hopkins & Nield 2012, p. 1139, Gray & Gray 2011, p. 302. Anders: Gray 2009, par. 6.4.14.
Quennell v Maltby [1979] 1 WLR 318.
Zie hierna par. 3.4.3.
Volgens de rechter pretendeert B niet eens dat ze als hypotheekhouder optreedt; daarom behandelt hij de vordering tot inbezitneming als een vordering ingesteld door de echtgenoot. Die heeft echter geen recht op inbezitneming, zodat hij tot afwijzing van de vordering komt. Zie Quennell v Maltby [1979] 1 WLR 318 (nr. 324).
Een grond voor afwijzing van een verzoek tot inbezitneming is een gebrek aan goede trouw bij de hypotheekhouder bij het uitoefenen van dat recht. Een hypotheekhouder dient bij inbezitneming te handelen in good faith,1 wat wil zeggen dat hij zijn bevoegdheden slechts mag gebruiken ter bescherming van zijn zekerheid, of tot uitwinning daarvan.2 Gebruik op andere gronden wordt aangemerkt als misbruik van recht en leidt tot afwijzing van het verzoek tot inbezitneming.
Een illustratieve casus waarin het verzoek op inbezitneming op deze grond werd afgewezen is de zaak Quennell/Maltby.3 A had een met hypotheek bezwaarde woning in eigendom en deze verhuurd aan studenten. A wilde van de huurders af, maar zij weigerden te vertrekken. Samen met zijn echtgenote B zette hij een constructie op waarbij B het hypotheekrecht op de woning van de bank overnam. B kon vervolgens in de hoedanigheid van hypotheekhouder het recht op inbezitneming inroepen, dat in principe ook werkt tegen de huurders van A.4
De rechter ging in zijn oordeel echter voorbij aan de formele positie van B (zijnde die van hypotheekhouder) en wees het verzoek tot inbezitneming af. Hij overwoog hiertoe dat B haar bevoegdheden niet gebruikte om haar eigen belangen – als hypotheekhouder – te behartigen, maar uitsluitend die van haar man (als eigenaar van het huis). Anders gezegd: waar ze haar hypothecaire bevoegdheden had moeten gebruiken om haar hypotheekrecht te beschermen of terugbetaling van de hypothecaire vordering te verkrijgen, gebruikte ze die bevoegdheden om op oneigenlijke wijze de huurovereenkomsten tussen haar man en de studenten te beëindigen. Op grond hiervan wordt het verzoek tot inbezitneming geweigerd en bleven de huurovereenkomsten intact.5