Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.6.4:3.6.4 Tussenanalyse: de boeten vergeleken
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.6.4
3.6.4 Tussenanalyse: de boeten vergeleken
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS442300:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf ben ik nagegaan of er verschillen zijn tussen de heffingsmethoden en op het vlak van de bestuurlijke boeten. Allereerst valt daarbij op dat er momenteel veel verschillende boeten zijn, voor veel verschillende gedragingen en daarmee verantwoordelijkheden van belastingplichtigen. Van een tegenstelling tussen de heffingsmethoden die haar oorsprong vindt in een verschil in verantwoordelijkheden, kan derhalve niet worden gesproken. De werkelijkheid is veel genuanceerder.
Uit de verzamelde informatie komt duidelijk naar voren dat de wettelijke maxima van de boeten voor aanslag- en aangiftebelastingen nagenoeg geheel met elkaar overeenstemmen. Een belangrijke uitzondering daarop vormt de verzuimboete bij een te late aangifte. Voor een aanslagbelasting is de maximale boete (€ 5.278) veertig keer hoger dan voor een reguliere aangiftebelasting (€ 131). Bij de loonbelasting (€ 1.319) is het verschil weliswaar beduidend kleiner, maar is de maximale verzuimboete nog steeds vier keer lager dan bij een aanslagbelasting. Verder komt uit de verzamelde informatie naar voren dat de wettelijke maxima voor vergrijpboeten bij zowel aanslag- als bij aangiftebelastingen in principe 100% zijn. Een verschil tussen de heffingsmethoden is er op dit punt niet. Een uitzondering vormt de wettelijke vergrijpboete in het geval van zwartsparen (box 3), deze is maximaal 300%.
Het beleid dat de Belastingdienst handvatten geeft voor de op te leggen verzuim- en vergrijpboeten is neergelegd in het BBBB. Daarin zijn wel verschillen te onderkennen. Daarbij moet voorop worden gesteld dat er geen informatie beschikbaar is waaruit blijkt waarom voor deze verschillen (zowel de hoogte van de bedragen als de onderlinge verhoudingen) is gekozen. De verzuimboete voor het te laat indienen van een aangifte is bij een aangiftebelasting bijvoorbeeld ongeveer zes keer lager dan bij een aanslagbelasting (als de vergelijking wordt gemaakt met de vennootschapsbelasting is dit verschil zelfs veertig keer). In absolute zin is het verschil ruim € 300 dan wel zo’n € 2.600 (voor de vennootschapsbelasting). Daarbij moet echter in ogenschouw worden genomen dat er tussen de heffingsmethoden behoorlijke verschillen kunnen zijn in het aantal keren per jaar dat er voor de afzonderlijke belastingen aangifte moet worden gedaan (eenmaal per jaar, per kwartaal of per maand). Bij het te laat betalen, bedraagt de verzuimboete 5% in geval van aanslagbelastingen. Bij aangiftebelastingen is die verzuimboete in principe 3% maar dat wordt 10% (en daarmee het dubbele van de verzuimboete van een aanslagbelasting) als sprake is van een inhoudelijk verzuim en het wordt eveneens 5% in het geval van een suppletieaangifte. De bedragen en percentages liggen in mijn ogen echter niet zodanig ver uiteen dat kan worden gesproken van tegenpolen. In dat geval zou in een bepaalde situatie bij de ene heffingsmethode wel een verzuim- of vergrijpboete moeten worden opgelegd en bij de andere niet.
Ten slotte heb ik onderzocht of er zich sinds de invoering van de AWR een ontwikkeling heeft voorgedaan op het vlak van de boeten. Het boeteregime zoals dat gold bij de invoering van de AWR wijkt niet zoveel af van het huidige. Zo kende de AWR destijds al de mogelijkheid om boeten op te leggen van 100% ingeval bij navordering of naheffing sprake was van opzet of grove schuld. Net als nu het geval is, voorzag de AWR in een boete voor het niet tijdig doen van een aangifte voor een aanslagbelasting en het niet tijdig betalen van een naheffingsaanslag. Wel zijn de boetebedragen veranderd (destijds – rekening houdend met inflatie – zo’n € 32 (fl. 5) en in bepaalde gevallen zelfs rond de € 6.500 (fl. 1.000) tegenover thans maximaal € 5.278) en zijn er beboetbare feiten bijgekomen. Zo bestond er in 1959 nog geen boete voor het niet tijdig doen van aangifte voor een aangiftebelasting. Anders is de verzuimboete die bij aanslagbelastingen kan worden opgelegd voor het niet of niet-tijdig betalen van de aanslag en de vergrijpboete die kan worden opgelegd wanneer bij de primitieve aanslag wordt afgeweken van de aangifte. Daarvoor is vereist dat de aangifte met (voorwaardelijke) opzet onjuist is gedaan. Dit maakt nogmaals duidelijk dat er in beperkte mate wel verschillen zijn te onderkennen tussen de heffingsmethoden, maar dat het geen tegenpolen zijn. Verder laat het zien dat de heffingsmethoden ook op dit punt (net als bij eisen ten aanzien van navordering) niet statisch zijn en meebewegen met ontwikkelingen (onder andere aanpassing van bedragen onder invloed van inflatie) in de tijd.