Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/23.7
23.7 Werkt stuiting ten behoeve van regresnemers?
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS370166:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
S&S 1958, 32.
De Bosch Kemper, Gruben (2003), p. 77 maken melding van een ongepubliceerde uitspraak van de Rechtbank Den Haag (van 2 mei 1990), waar werd geoordeeld dat de stuiting door de direct benadeelde niet werkt ten behoeve van de gesuborgeerde. Zij schrijven over deze uitspraak: 'de oorspronkelijk benadeelde en de rechtverkrijgende benadeelde zijn niet te vereenzelvigen en moeten elk hun eigen vordering bewaken'.
Zie hierover uitgebreid Van Boom, Storm, A&V 1995, p. 149 e.v.
RvdW 2005, 50, waarover nader § 21.2.4.1.
Zie in dezelfde zin Frenk, NTBR 2005, p. 444 en 445.
VR 1995, 187; zie nader over dit arrest § 26.6.1.
Zie over het verjaringsregime van de WAM nader hoofdstuk 26.
Zie hierover § 21.2.4.2.
Wanneer een vordering door de oorspronkelijk benadeelde is gestuit en vervolgens een derde uit hoofde van subrogatie of zelfstandig wettelijk recht regresgerechtigde tot die vordering wordt, rijst de vraag of de stuiting door de oorspronkelijk benadeelde tevens werkt ten behoeve van die regresgerechtigde. In geval van regres krachtens subrogatie kan de regresnemer inderdaad van die stuiting profiteren, onder andere omdat de regresnemer ten aanzien van de vordering in de juridische voetsporen treedt van zijn voorganger. Ook in geval van regres krachtens zelfstandig wettelijk recht lijkt het aannemelijk dat stuiting door de direct benadeelde werkt ten behoeve van de regresnemer.
In geval van regres krachtens subrogatie vloeit die conclusie voort uit het feit dat de regresgerechtigde in de juridische schoenen treedt van de direct benadeelde; die direct benadeelde was gerechtigd tot een gestuite vordering, dus is diens regresnemende opvolger dat ook.
Aan dat technische argument kan nog een meer op de ratio van de stuitingshandeling geïnspireerde overweging worden toegevoegd. De stuitingshandeling strekt ertoe de debiteur te laten weten dat het de crediteur nog ernst is met zijn vordering. Op het eerste gezicht lijkt die constatering juist te pleiten tegen de conclusie dat die stuitingshandeling van de direct benadeelde ook werkt ten behoeve van diens opvolger: slechts de direct benadeelde heeft te kennen gegeven dat het hem nog menens is; de gesubrogeerde nog niet. De stuitingshandeling van de direct benadeelde zegt strikt beschouwd niets over de intenties van de gesubrogeerde, zodat pleitbaar lijkt dat door de subrogatie de betekenis van de stuitingshandeling verdampt. Toch is die opvatting uiteindelijk niet houdbaar, omdat voor de gewijzigde verwachtingen van de debiteur die zij veronderstelt — "dat de direct benadeelde zijn vordering wilde doorzetten wist ik, maar misschien geldt dat niet voor diens opvolger" — welbeschouwd geen redelijke grond bestaat. Waarom zou immers de regresgerechtigde afstand doen van recht door een vordering die zijn voorganger nog geldend kon maken niet geldend te willen maken?
Zie voor een illustratie van de opvatting dat de stuitingshandeling van de direct benadeelde werkt ten behoeve van de gesubrogeerde Hof Den Haag in zijn arrest van 25 mei 1955,1 waarbij het niet tijdige stuiten door een verzekerde zelfs werd beschouwd als een toerekenbare tekortkoming jegens de verzekeraar als bedoeld in (thans) art. 6:145 BW. In de rechtspraak en literatuur is de hier verdedigde opvatting overigens ook wel afgewezen.2
In geval van regres krachtens zelfstandig wettelijk recht is de juridisch-technische redengeving om stuiting door de direct benadeelde ook ten behoeve van de regresnemer te laten werken niet geldig. Het is daar immers niet zo dat de regresnemer de direct benadeelde opvolgt; hij ageert nu juist krachtens een eigen, zelfstandig recht. Om twee redenen moet toch ook hier de conclusie luiden dat de stuiting ook ten behoeve van de regresnemer werkt.
In de eerste plaats doet ook hier opgeld het hiervoor in het kader van subrogatie uitgewerkte argument dat was gebaseerd op de ratio van de stuiting: er is voor de debiteur geen aanleiding de kans dat hij zijn vordering nog moet voldoen geringer in te schatten naar aanleiding van het enkele feit dat aan de crediteurszijde de direct benadeelde plaats maakt voor een krachtens eigen recht agerende verzekeraar.
Het tweede argument houdt verband met de zwakke inhoudelijke rechtvaardiging van onderscheid in rechtsgevolgen tussen enerzijds regres krachtens subrogatie en anderzijds regres krachtens zelfstandig wettelijk recht;3 als bij subrogatie de stuiting werkt ten behoeve van de regresnemer, is er geen goede reden een andere regel te doen gelden voor regres krachtens zelfstandig wettelijk recht.
Dat argument van unificatie is door de Hoge Raad in zijn arrest van 1 april 20054 ook gehanteerd waar hij zijn beslissing motiveert om de werking van de relatieve termijn ten aanzien van het zelfstandig wettelijk verhaalsrecht gelijk te stellen aan die bij subrogatie: "Dit [die "gelijkschakeling" — JLS] wordt mede hierdoor gerechtvaardigd dat aldus geen moeilijk te verklaren verschil bestaat met de situatie waarin degene die de door de getroffene geleden schade heeft vergoed en op grond van artikel 284 WvK wordt gesubrogeerd in diens vordering op de aansprakelijke persoon (...)." Dat "moeilijk te verklaren verschil" zou bij het onderhavige probleem wel ontstaan als stuiting door de oorspronkelijk benadeelde stuitende werking ten behoeve van de regresgerechtigde krachtens zelfstandig wettelijk recht werd ontzegd.
Problematisch is overigens wel hoe men de hier voorgestane oplossing dogmatisch verklaart. Het gaat bij het zelfstandig verhaalsrecht om een vordering die ontstaat op het moment dat de verzekeraar tot uitkering overgaat. Hoe is te verdedigen dat een vordering die (i) op het moment van stuiting nog niet eens bestond, (ii) door een niet tot die vordering gerechtigde is gestuit? De eerste horde is nog te nemen: men kan ook de verjaring van toekomstige vorderingen stuiten. Maar hoe te construeren dat de direct benadeelde ten behoeve van de regresnemer stuit? Een vertegenwoordigingsverhouding zou uitkomst bieden, maar die bestaat welbeschouwd niet.
Het is niet erg fraai, maar bij gebrek aan alternatieven moet hier wellicht de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid maar als lapmiddel worden aangewend. Verdedigbaar is dat, als de direct benadeelde zijn eigen vordering heeft gestuit, de debiteur handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid door zich jegens de regresnemer krachtens zelfstandig recht te beroepen op de verjaring van diens regresvordering. Dat beroep zou hem pas weer toekomen als de door de stuiting door de direct benadeelde nieuw aangevangen termijn is verstreken.5
Of de hier verdedigde stelling dat stuiting door de direct benadeelde werkt ten gunste van de regresnemer krachtens zelfstandig recht in de rechtspraak inderdaad wordt aanvaard, is nog niet zeker. Zij werd afgewezen in een arrest van het Hof Amsterdam van 27 oktober 1994,6 maar, nog daargelaten dat de uitspraak eenvoudig onjuist kan zijn, de motivering van dat arrest is door het evengenoemde HR 1 april 2005 op losse schroeven komen te staan. Het hof overwoog: "De eigen, zelfstandige, positie van het Ziekenfonds is van zodanig andere aard dan die van de gesubrogeerde schadeverzekeraar, dat daaraan geen argument kan worden ontleend om de door de Zwolsche met [de gelaedeerde] gevoerde onderhandelingen te beschouwen als met het Ziekenfonds gevoerd." Deze zaak speelde onder de WAM en daar hebben onderhandelingen stuitende werking.7 Er was onderhandeld door de direct benadeelde en de vraag was of het krachtens zelfstandig recht regresgerechtigde Ziekenfonds van die stuitende werking kon profiteren. Het hof erkent impliciet dat dit in geval van regres krachtens subrogatie wel had gekund, maar vindt de positie van het Ziekenfonds "van zodanig andere aard dan die van de gesubrogeerde schadeverzekeraar" dat het die consequentie voor het Ziekenfonds afwijst. HR 1 april 2005 leert dat het met die andere geaardheid in ieder geval in verjaringsrechtelijk opzicht wel meevalt, zodat deze redengeving niet langer overtuigt.
Meer in het algemeen is tot slot nog op te merken dat HR 1 april 2005 de in deze paragraaf besproken problematiek op scherp heeft gezet, doordat het duidelijk maakt dat ook voor de werking van de vijfjaarstermijn jegens regresgerechtigden krachtens zelfstandig recht, de kennis van de direct benadeelde doorslaggevend is.8 Zou voor die regresgerechtigden, zoals veelal werd aangenomen, een zelfstandig functionerende vijfjaarstermijn hebben gegolden — die zou dan logischerwijze op een later moment gaan lopen — dan was van minder belang geweest of de stuitingshandeling door de direct benadeelde ook werkt ten behoeve van regresnemers. In plaats van de stuitingshandeling van de direct benadeelde, zou dan hun eigen verlate bekendheid met aansprakelijke persoon en schade voor verlenging hebben gezorgd.