Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.6.1:6.3.6.1 Wettelijke omschrijving
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.6.1
6.3.6.1 Wettelijke omschrijving
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS605415:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2000/01, 27 466, nr. 3, p. 48 en 49.
Voor een overzicht van deze jurisprudentie verwijs ik naar E.J.W. Heithuis, ‘Eerste jurisprudentie met betrekking tot de tbs-regelingen in de inkomstenbelasting’, WFR 2008, p. 543, en J. Ganzeveld, ‘Terbeschikkingstelling: enkele uitspraken van rechtbanken en hoven’, NTFR Beschouwingen 2008/29.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de terbeschikkingstellingsregelingen van art. 3.91 en 3.92 Wet IB 2001 zijn twee verschillende groepen van verbonden personen van belang. Er is een kleine kring van directe familieleden die zo nauw verbonden zijn met de ondernemer, resultaatgenieter of aanmerkelijkbelanghouder, en waarvan de financiële belangen zozeer zijn verweven met zijn belangen, dat zij een fiscale behandeling moeten krijgen die aansluit bij de behandeling van het winstinkomen van de ondernemer.1 Dat wil zeggen, dat nu het winstinkomen in box 1 wordt belast, het resultaat dat de personen in deze kring met de terbeschikkingstelling behalen, ook in box 1 moet worden belast. Voorts is er een ruimere kring van personen waarvoor geldt dat de persoonlijke band met de ondernemer minder hecht is. Voor deze groep geldt dat er in principe geen aanleiding is voor een inbreuk op het boxenstelsel. Daarom wordt de opbrengst uit de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen in principe belast volgens de regels van box 3. Dit is echter anders indien sprake is van in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstellingen.
De kleine kring van directe familieleden is omschreven in art. 3.91 lid 2 onderdeel b en c Wet IB 2001. Deze kring geldt in principe voor situaties waarin vermogensbestanddelen ter beschikking worden gesteld aan een onderneming of werkzaamheid van een ‘verbonden persoon’. Echter, omdat in art. 3.92 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001 naar de bepalingen van art. 3.91 lid 2 onderdeel b en c Wet IB 2001 wordt verwezen, geldt de kleine kring ook voor terbeschikkingstellingen aan een vennootschap waarin een ‘verbonden persoon’ een aanmerkelijkbelangpositie heeft.
In de eerste plaats wordt de ‘partner’ van de belastingplichtige als ‘verbonden persoon’ beschouwd. Voorts is een aantal situaties omschreven, waarin personen niet als ‘partner’ in de zin van art. 1.2 Wet IB 2001 kunnen worden beschouwd, maar voor de toepassing van de terbeschikkingstellingsregelingen wel als gelieerd worden aangemerkt. Zo worden ongehuwde samenwoners die een notarieel samenlevingscontract zijn aangegaan, als ‘verbonden persoon’ aangemerkt. Dat geldt ook voor samenwoners die elkaar hebben aangemeld als partner voor een pensioenregeling, of die gezamenlijk aansprakelijk zijn voor een hypotheekschuld. In deze situaties is sprake van een vervlechting van de financiële belangen van twee individuen die het rechtvaardigt om hen als ‘verbonden personen’ te beschouwen. Er is ook sprake van verbondenheid tussen samenwoners die er niet voor hebben gekozen om te worden aangemerkt als ‘partner’, maar dat wel kunnen doen. Deze bepaling bevat wel een mogelijkheid van tegenbewijs. De belastingplichtige kan het verbondenheidsvermoeden weerleggen door aannemelijk te maken dat hij geen duurzame gemeenschappelijke huishouding voert.
Minderjarige kinderen worden ook als ‘verbonden persoon’ beschouwd, omdat zij in de regel financieel afhankelijk zijn van de ouders. In dit verband is de tekst van art. 3.91 lid 2 onderdeel b onder 6° Wet IB 2001 overigens gedeeltelijk overbodig. In deze bepaling wordt het minderjarige kind van de ‘partner’ afzonderlijk genoemd als ‘verbonden persoon’. Ervan uitgaande dat het minderjarige kind van de partner op basis van art. 1.2 lid 5 Wet IB 2001 al als een ‘kind’ van de belastingplichtige zou moeten worden beschouwd, is dit niet nodig. Het tekstdeel ‘, van zijn partner’ kan daarom vervallen.
Ook de bepaling van art. 3.91 lid 2 onderdeel c Wet IB 2001 verdient de aandacht. Hierin is bepaald dat indien sprake is van een minderjarige belastingplichtige, de ouders en de eventuele partners van de ouders eveneens tot de kleine kring worden gerekend. Dit betreft de ‘eigen’ ouders, maar ook de adoptiefouders, stiefouders, en de partner met wie één van de ouders ongehuwd samenwoont. Voor de toepassing van de terbeschikkingstellingsregelingen worden zij ook als ‘verbonden persoon’ van een minderjarig kind beschouwd.
In art. 3.91 lid 3 Wet IB 2001 is een ruimere kring van verbonden personen gedefinieerd die, zoals gezegd, alleen geldt voor ongebruikelijke terbeschikkingstellingen. Dit betreft andere bloed- en aanverwanten in de rechte lijn. Op basis van de wetsgeschiedenis geldt voor de gebruikelijkheidstoets van art. 3.91 lid 3 Wet IB 2001 meer dan één invalshoek. Er moet niet alleen worden getoetst of een bepaalde contractuele verhouding in het algemeen gebruikelijk is, of onder de desbetreffende voorwaarden. Het is ook van belang of de overeenkomst maatschappelijk gebruikelijk is in de gegeven relatie in de ruimere kring.2
In het besluit van 24 mei 2006, V-N 2006/34.15 is een aantal concrete situaties genoemd van maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstellingen. Inmiddels is over deze problematiek ook een aantal rechterlijke uitspraken gepubliceerd.3
In het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 29 april 2004, nr. CPP2003/ 2360M, V-N 2004/23.6 is het begrip ‘verbonden persoon’ nader toegelicht. In het besluit is onder meer opgemerkt dat in gevallen waarin de ene vorm van verbondenheid wordt vervangen door een andere, voor de toepassing van de terbeschikkingstellingsregelingen vanzelfsprekend geen fiscaal relevante wijziging optreedt in de status van de ‘verbonden persoon’.