Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/325
325 Evidentiecriterium
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS453459:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Rotterdam 10 januari 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BC1641, NJF 2008, 153 en JBPr 2008, 50, m.nt. H.L.G. Wieten. In deze zaak overwoog de rechtbank dat er geen gegronde redenen bestonden om aan te nemen dat de verzoeker het voorlopig getuigenverhoor als onderdeel van een agressieve (media)campagne zou gebruiken, vooral om te proberen het imago van de (bestuurders van de) verweerder te schaden. In HR 20 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1851, NJ 1996, 120, m.nt. J.M.M. Maeijer (Perrier/Marceau) overwoog de rechtbank dat door het indienen van het verzoek mogelijk druk werd uitgeoefend op Nestlé om Marceau uit te kopen, maar dat het verzoek niet uitsluitend met dit oogmerk was ingediend, waardoor van misbruik geen sprake was. Zie ook Hof ’s-Gravenhage 21 november 1985, ECLI:NL:GHSGR:1985:AC9111, NJ 1986, 580: de verzoeker wilde in een voorlopig getuigenverhoor een aantal topmensen van Boskalis doen horen. Hij werd er echter van verdacht informatie over het reilen en zeilen van Boskalis te willen achterhalen om die vervolgens openbaar te maken – waardoor het bedrijfsbelang van Boskalis zou worden geschaad – en niet van plan te zijn een hoofdzaak aanhangig te maken. De aanwijzing die daarvoor bestond was een artikel in de Volkskrant waaruit bleek dat de verzoeker eerder opschudding had veroorzaakt op een aandeelhoudersvergadering van Boskalis doordat hij beschikte over informatie die slechts aan ingewijden bekend was. Dit optreden tijdens de aandeelhoudersvergadering sloot het op zich gerechtvaardigde belang bij een voorlopig getuigenverhoor niet uit. In Rb. Assen 25 april 2000, ECLI:NL:RBASS:2000:AA5626 diende in een tabakszaak de verweerder een tegenverzoek in, volgens verzoekers als pressiemiddel om de verzoekers te ontmoedigen. Aangezien de verweerder een redelijk belang had bij het onderzoeken van het rookgedrag en de ziektegeschiedenis van verzoekers, nam de rechtbank geen misbruik aan. Rb. Amsterdam 31 oktober 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:7432.
Van der Kwaak 2002, p. 581.
Rb. Midden-Nederland 13 november 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:5597.
Rb. Amsterdam (ktr) 31 juli 2003, ECLI:NL:RBAMS:2003:AQ8859, NJF 2003, 33 (de kantonrechter wees overigens af op grond van het onevenredigheidscriterium).
Hof Amsterdam 27 januari 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BI2145.
Het voorlopig getuigenverhoor kan bedoeld zijn als middel om (schadelijke) informatie te achterhalen, die niet zal worden gebruikt ten behoeve van een hoofdzaak, maar om bijvoorbeeld media-aandacht te genereren voor misstanden, imagoschade aan te richten of druk uit te oefenen op de wederpartij. De enkele omstandigheid dat de verzoeker van een voorlopig getuigenverhoor de openbaarheid of de media opzoekt of op andere wijze druk uitoefent met de tijdens het voorlopig getuigenverhoor verkregen informatie, is onvoldoende voor het aannemen van misbruik op grond van het doelcriterium (zie ook nr. 306 over het evidentie-criterium).1 Zolang de verzoeker blijft binnen de doelomschrijving van het voorlopig getuigenverhoor, maakt hij geen misbruik van het middel op grond van het doelcriterium. Daarvan is alleen sprake als het ongeoorloofde doel van het gebruik als actie- of pressiemiddel doorslaggevend is geweest voor het indienen van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor.2 De verzoeker die duidelijkheid wilde verkrijgen over de (on) rechtmatigheid van het (verder) openbaar maken van een documentaire waarin de verweerder werd beschuldigd van seksueel misbruik, maakte geen misbruik van bevoegdheid met zijn wens om (daarbij of daarnaast) zoveel mogelijk aandacht te krijgen voor de misstanden die hij aan de kaak wenste te stellen.3
Een sprekend voorbeeld is het verzoek van een voormalig werknemer van een ziekenhuis. De arbeidsovereenkomst was door de kantonrechter ontbonden zonder toekenning van een vergoeding aan de ex-werknemer. Kort na de ontbindingsprocedure diende de ex-werknemer een verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor in bij de kantonrechter. Hij gaf daarin aan in de hoofdzaak twee vorderingen te willen instellen: achterstallig loon en schadevergoeding omdat het ziekenhuis zich niet als een goed werkgever zou hebben gedragen. In een artikel op de voorpagina van Het Parool – dat een dag voor de ontbindingsbeschikking was gepubliceerd – meldde de ex-werknemer dat het hem niet te doen was om zijn bankrekening. De kantonrechter kon niet aan de indruk ontkomen dat dat juist was: “Het gaat naar het zich laat aanzien er X veeleer om om zijn kruistocht tegen OLVG voort te zetten. Door een columnist van Het Parool is hij inmiddels tot klokkenluider verheven. Op zijn website worden aan het publiek nadere verslagen in het vooruitzicht gesteld. Het horen van een groot aantal getuigen, onder wie een groot aantal ex-collega’s en enkele artsen/specialisten, zal de door X beoogde publicatiestroom op gang houden”. Aangezien het voorlopig getuigenverhoor volgens de kantonrechter niet zozeer was bedoeld om feiten vast te stellen ten behoeve van de vordering tot betaling van achterstallig loon of schadevergoeding, maar om aandacht te verkrijgen voor de volgens de verzoeker bestaande misstanden in het ziekenhuis, wees de kantonrechter het verzoek af: “Voor dit genre activiteiten is het voorlopig getuigenverhoor door de wetgever echter niet in het leven geroepen”.4
In de volgende zaak was de voornaamste reden van het voorlopig getuigenverhoor het aan de orde stellen van de (on)juistheid van een strafrechtelijke veroordeling en in mindere mate was de reden het verkrijgen van bewijs ten behoeve van de hoofdzaak.5 Door de appellant was tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat het hem erom ging te achterhalen hoe het had kunnen gebeuren dat hij ten onrechte strafrechtelijk was veroordeeld. Dit was volgens het hof “geen deugdelijke grond voor het voorliggende verzoek”.